id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210407.2N.3 Rolnummer: P.21.0422.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2021-04-12 Raadplegingen: 904 - laatst gezien 2026-06-16 04:14 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Krachtens artikel 31, § 3, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet kunnen cassatiemiddelen onder meer worden voorgedragen in een memorie die op de griffie van het Hof van Cassatie moet toekomen, uiterlijk de vijfde dag na de datum van het cassatieberoep; die termijn is ook van toepassing op de stukken die de eiser in cassatie wenst neer te leggen. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Voorlopige hechtenis Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 31, § 3, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - CASSATIEBEROEP Vrije woorden: Vormen en termijnen voor memories en stukken Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0422.N D. A., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Ayse Top, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 22 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de op 30 maart 2021 ter griffie ontvangen stukken
- Krachtens artikel 31, § 3, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet kunnen cassatiemiddelen onder meer worden voorgedragen in een memorie die op de griffie van het Hof van Cassatie moet toekomen, uiterlijk de vijfde dag na de datum van het cassatieberoep. Die termijn is ook van toepassing op de stukken die de eiser in cassatie wenst neer te leggen.
- De eiser heeft cassatieberoep aangetekend op 23 maart
- Het Hof vermag geen acht te slaan op stukken die op de griffie van het Hof zijn ingekomen op 30 maart 2021, dit is buiten de termijn van vijf dagen die bij artikel 31, § 3, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet is bepaald. Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 495 Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 8.1, 5°, en 8.17 Burgerlijk Wetboek en miskenning van de bewijskracht van een akte: met het oordeel dat uit het gegeven dat het Salduz-rapport geen melding maakt van het navolgend verhoor door de onderzoeksrechter niet kan worden afgeleid dat de raadsman van de eiser niet werd opgeroepen voor dit verhoor, verantwoordt het arrest de beslissing niet naar recht; het bewijs dat de advocaat werd opgeroepen voor een verhoor moet blijken uit de Salduz-applicatie van de permanentiedienst die wordt georganiseerd door de Orde van Vlaamse balies; door het Salduz-rapport niet aan te nemen als bewijs, miskennen de appelrechters de bewijskracht ervan.
- Bij toepassing van artikel 495, derde lid, Gerechtelijk Wetboek organiseren de Orde van Vlaamse balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone de permanentiedienst bedoeld in de artikelen 2bis, § 2, en 24bis/1 Voorlopige Hechteniswet op een wijze die het mogelijk maakt op een zo snel mogelijke manier een advocaat te contacteren, gebruik makend van de moderne communicatiemiddelen, waarbij de verschillende contacten van de gebruikers worden bijgehouden.
- Artikel 2bis, § 2, Voorlopige Hechteniswet bepaalt: "Eenieder die van zijn vrijheid is benomen overeenkomstig de artikelen 1 of 2 of ter uitvoering van een in artikel 3 bedoeld bevel tot medebrenging heeft vanaf dat ogenblik en vóór het eerstvolgende verhoor door de politiediensten, of bij gebrek hieraan door de procureur des Konings of de onderzoeksrechter, het recht om zonder onnodig uitstel vertrouwelijk overleg te plegen met een advocaat naar keuze. Teneinde de door hem gekozen advocaat of een andere advocaat te contacteren, wordt contact opgenomen met de permanentiedienst die wordt georganiseerd door de Orde van Vlaamse balies en de "Ordre des barreaux francophones et germanophone", of bij gebrek hieraan door de stafhouder van de Orde of zijn gemachtigde. Vanaf het contact met de gekozen advocaat of de permanentiedienst, dient het vertrouwelijk overleg met de advocaat binnen twee uren plaats te vinden. Op vraag van de advocaat in akkoord met de betrokken persoon, kan het vertrouwelijk overleg telefonisch plaatsgrijpen. Het vertrouwelijk overleg kan dertig minuten duren en is in uitzonderlijke gevallen beperkt verlengbaar op beslissing van de verhoorder. Na het vertrouwelijk overleg kan het verhoor aanvangen. Indien het geplande vertrouwelijke overleg niet binnen twee uren kan plaatsvinden, vindt alsnog een telefonisch vertrouwelijk overleg met de permanentiedienst plaats, waarna het verhoor kan aanvangen. In geval van overmacht, mag het verhoor aanvangen nadat betrokkene nogmaals gewezen is op de rechten bedoeld in artikel 47bis, § 2, 2) en 3), van het Wetboek van strafvordering."
- Artikel 16, § 2, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt: "De onderzoeksrechter verwittigt de advocaat tijdig van de plaats en het uur van de ondervraging die hij kan bijwonen. De ondervraging kan op het voorziene uur aanvangen, zelfs indien de advocaat nog niet aanwezig is. Als de advocaat ter plaatse komt, woont hij het verhoor bij."
- Uit die bepalingen volgt niet dat de door artikel 16, § 2, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet voorgeschreven verwittiging van de advocaat van de plaats en het uur van de ondervraging door de onderzoeksrechter noodzakelijk dient te gebeuren via de permanentiedienst van de balie, bedoeld in artikel 2bis, § 2, Voorlopige Hechteniswet. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De in het onderdeel aangevoerde miskenning van de bewijskracht van het Salduz-rapport is volledig afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.1, 5°, en 8.17 Burgerlijk Wetboek en miskenning van de bewijskracht van een akte: met het oordeel dat het proces-verbaal van verhoor door de onderzoeksrechter expliciet vermeldt dat de advocaat tijdig werd verwittigd van het tijdstip en de plaats van het verhoor, miskent het arrest de bewijskracht van dat proces-verbaal; het proces-verbaal van verhoor vermeldt niet dat de oproeping tijdig zou zijn gebeurd.
- Met het door het onderdeel bekritiseerde oordeel geeft het arrest van de bedoelde vermelding in het proces-verbaal van verhoor geen uitlegging, maar beoordeelt het enkel de bewijswaarde ervan. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 16, § 2, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet: met het oordeel dat de omstandigheid dat de onderzoeksrechter door andere geplande verhoren het verhoor van de eiser niet kon uitstellen als een geval van overmacht moet worden beschouwd, is het arrest niet naar recht verantwoord; er is maar sprake van overmacht ter rechtvaardiging van de afwezigheid van de bijstand van een advocaat bij het verhoor door de onderzoeksrechter wanneer die bijstand ingevolge een onvoorzienbare omstandigheid onmogelijk is; de eiser werd van zijn vrijheid beroofd op woensdag 3 maart 2021 om 18.56 uur en de onderzoeksrechter had nog de tijd om hem te verhoren en het bevel tot aanhouding te laten betekenen tot 5 maart 2021 om 18.56 uur, terwijl het verhoor door de onderzoeksrechter een aanvang nam op 4 maart 2021 om 09.01 uur.
- Het middel verduidelijkt niet hoe of waarom het arrest artikel 6 EVRM schendt. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
- De appelrechters oordelen dat het proces-verbaal van verhoor door de onderzoeksrechter expliciet vermeldt dat de advocaat van de eiser tijdig werd verwittigd van het tijdstip en de plaats van het verhoor en dat de onderzoeksrechter dan ook zijn ondervraging kon uitvoeren, zelfs indien de advocaat niet aanwezig was. Met dit oordeel verantwoorden de appelrechters naar recht de beslissing dat het verhoor door de onderzoeksrechter regelmatig is verlopen. Het middel, dat bijgevolg niet kan leiden tot cassatie, is in zoverre bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 57,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Eric de Formanoir, Tamara Konsek, Frédéric Lugentz en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 7 april 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210407.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div