id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210407.2N.7 Rolnummer: P.21.0453.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-04-12 Raadplegingen: 1005 - laatst gezien 2026-06-19 23:55 Versie(s): Vertaling FR Fiche Politionele informatie, waarvan de bron onduidelijk is, is op zichzelf beschouwd onvoldoende om als ernstige aanwijzing van schuld te gelden; de gegevens die een rechter aanneemt als ernstige aanwijzingen van schuld moeten in hun geheel en in hun onderlinge samenhang worden gelezen; geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet er zich tegen dat de rechter naast bepaalde feitelijke gegevens waarvan de bron is gekend ook politonele informatie waarvan de bron onduidelijk is in aanmerking neemt als ernstige aanwijzingen van schuld. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Ernstige aanwijzingen van schuld - Politionele informatie - Invloed Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 5, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Annotaties Publicaties: RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2021, nr. 18, p. 1726-
- - DE WAEL, Frauke; Noot''Ernstige aanwijzingen van schuld' uit de voorlopige hechteniswet gedefineerd' Tekst van de beslissing Nr. P.21.0453.N A. M., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
- Het arrest stelt de behandeling van de zaak met het oog op de uitvoering van de controle overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering uit naar een latere rechtszitting. Dit is geen beslissing waarbij de voorlopige hechtenis wordt gehandhaafd in de zin van artikel 31, § 1, en § 2, Voorlopige Hechteniswet noch een eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering noch een beslissing als bedoeld door artikel 420, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook tegen deze beslissing gericht, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.1.c EVRM en artikel 16, § 5, Voorlopige Hechteniswet: het arrest kon uit de feitelijke vaststellingen die het bevat, niet wettig afleiden dat er op het ogenblik van de aanhouding sprake was van ernstige en objectiveerbare aanwijzingen van schuld lastens de eiser voor de feiten waarvoor hij werd aangehouden, namelijk diefstal met geweld met verzwarende omstandigheden te Sint-Niklaas op 20 februari 2021, bedreigingen onder bevel of voorwaarde te Sint-Niklaas in de periode van 20 tot en met 25 februari 2021 en het deel uitmaken van een criminele organisatie; de verklaringen van G.S. verwijzen slechts naar drie mannen van Marokkaanse nationaliteit, maar niet naar de eiser in persoon; de vaststellingen in het proces-verbaal nr. 102937 leveren geen objectiveerbare aanwijzingen van schuld lastens de eiser op, aangezien het louter gaat om informatie zonder enige bronvermelding die niet de door artikel 5 EVRM vereiste bescherming tegen willekeur kan bieden; de loutere vaststelling dat de wagen van de eiser in Sint-Niklaas werd gecapteerd kan geen ernstige en objectiveerbare aanwijzing van schuld opleveren; het arrest is bijgevolg niet naar recht verantwoord.
- Uit artikel 5.1.c, EVRM volgt dat een vrijheidsberoving wegens de verdenking een strafbaar feit te hebben gepleegd slechts rechtmatig is indien er redelijke termen aanwezig zijn om te vermoeden dat de betrokkene het strafbaar feit heeft gepleegd.
- Artikel 16, § 5, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat het bevel tot aanhouding het bestaan vaststelt van ernstige aanwijzingen van schuld.
- Aan het begrip ernstige aanwijzingen van schuld in de zin van artikel 16, § 5, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet moet een invulling worden gegeven die in overeenstemming is met artikel 5.1.c EVRM.
- De vaststelling van ernstige aanwijzingen van schuld veronderstelt het voorhanden zijn van gegevens die een objectieve waarnemer ervan zouden overtuigen dat de betrokkene mogelijks een strafbaar feit heeft gepleegd. Er moeten dus plausibele redenen zijn om de betrokkene te verdenken.
- Of dergelijke redenen voorhanden zijn wordt beoordeeld door de rechter aan de hand van de omstandigheden van de zaak, die bekend waren op het ogenblik van de vrijheidsberoving.
- Niet-objectiveerbare, vage verdenkingen kunnen op zichzelf beschouwd geen ernstige aanwijzingen van schuld opleveren.
- Politionele informatie, waarvan de bron onduidelijk is, is op zichzelf beschouwd onvoldoende om als ernstige aanwijzing van schuld te gelden.
- De gegevens die een rechter aanneemt als ernstige aanwijzingen van schuld moeten in hun geheel en in hun onderlinge samenhang worden gelezen.
- Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet er zich tegen dat de rechter naast bepaalde feitelijke gegevens waarvan de bron is gekend ook politonele informatie waarvan de bron onduidelijk is in aanmerking neemt als ernstige aanwijzingen van schuld.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt met verwijzing naar het bevel tot aanhouding dat de volgende elementen lastens de eiser voorafbestaande ernstige aanwijzingen van schuld opleveren die voldoende concreet zijn opdat het bestaan ervan kan worden gecontroleerd: - de melding op 20 februari 2021 omstreeks 21.00 uur van P.V. dat hij een half uur eerder was aangevallen door drie onbekende mannen van Marokkaanse origine, die zouden zijn vertrokken met een wagen met nummerplaat (…) en de daders ook de autosleutels van zijn vriendin en een afstandsbediening van de garagepoort hadden gestolen. Die mannen hadden gezegd dat zij mensen kenden die P.V. en zijn vrouw zouden toetakelen. Ze hadden hem op de grond getrokken en hem geslagen, zodat hij gewond raakte aan het hoofd, de rug en de rechterhand. P.V. gaf een beschrijving van de drie mannen; - P.V. verklaarde verder ook dat het vermoedelijk om een afrekening ging, nu hij in het verleden in een slecht milieu vertoefde. Hij voegde eraan toe dat hij had gezien dat de drie mannen naar zijn woning waren gebracht door zijn collega G.S.; - tijdens het verhoor van P.V. belde hij twee keer met G.S. De verbalisanten konden een deel van het gesprek horen en omschreven dit als volgt: “Wij kunnen een deel van het gesprek volgen. S.G. was bij een vriend in Antwerpen en daar zouden dan 3 mannen in zijn wagen zijn gestapt en moest hij naar P. brengen. Tijdens het tweede gesprek horen wij dat S.G. die mannen in Antwerpen aan het Kiel heeft afgezet. P.V. vroeg naar zijn woning te komen maar dit ging niet want hij zou naar Aalst aan het rijden zijn (…)”; - bij zijn verhoor verklaarde G.S. onder meer dat alles was begonnen enkele dagen voor 20 februari
- P.V. had zijn wagen VW Beetle geruild voor een Smart. Die wagen moest bij de broer van P.V. geraken en hij was op vraag van P.V. met zijn wagen gevolgd. Ter plaatse was P.V. uitgestapt en had hij een lang gesprek met een man die was buiten gekomen en met wie hij was weggestapt. Op 20 februari 2021 was hij na het werk naar de Bisschoppenhoflaan gereden, waar hij een afspraak had met een escorte. Toen hij zich geparkeerd had, stapten drie mannen plots in zijn wagen; - een van de mannen herkende G.S. als de man die met P.V. een lang gesprek had gehad. De mannen van Marokkaanse origine hadden geëist dat hij naar de woning van P.V. zou rijden omdat “ze hun geld gingen halen”. Volgens G.S. hadden de mannen ermee gedreigd met “dat ze zijn gezin zouden vinden”, maar indien ze P.V. vonden, zou hij met rust worden gelaten. Eens aan de woning was G.S. door de drie aangemaand om de oprit te blokkeren. Nadat er twee waren uitgestapt, hoorde G.S. hen over geld praten met P.V. Hij zelf zou in bedwang zijn gehouden, ook toen hij zag dat twee mannen P.V. schopten. Hij was terug naar Antwerpen gereden, had verder niets meer van de mannen gehoord of gezien en had P.V. niet meer ontmoet; - op 3 maart 2021 verkreeg gerechtelijk commissaris J.R. informatie dat na een eerste afrekening die plaatsvond op 20 februari 2021 op het adres van P.V., (…) een gelijkaardige tweede afrekening 4 à 5 dagen later zou hebben plaats gehad in het centrum van Sint-Niklaas waarbij opnieuw P.V. bedreigd en geslagen zou zijn door een aantal mannen van Marokkaanse origine (zie PV nr. 102937/2021). In deze informatie werd de eiser als een mogelijke opdrachtgever en uitvoerder genoemd; - volgens de informatie opgenomen in het proces-verbaal zou de eiser op wraak uit zijn geweest en zou hij in het crimineel milieu naar wapens op zoek zijn gegaan om P.V. en zelfs anderen via G.S. te traceren en tot vergeldingsacties over te gaan; - deze dreigingen zouden volgens inlichtingen van J.R. bijzonder ernstig te nemen zijn, daar de organisatie waartoe de eiser volgens deze info zou behoren, er in slaagde om G.S., zijnde een collega van P.V., te traceren en hem tot bij de woning van P.V. te brengen voor een eerste vergeldingsactie op 20 februari 2021; - verder werd in het kader van het tweede incident in het centrum van Sint-Niklaas vastgesteld dat de wagen die door de eiser wordt gebruikt in Sint-Niklaas werd gecapteerd op 24, 25 en 26 februari 2021 en op 3 maart
- Op grond van die elementen, in hun onderlinge samenhang gelezen, kan het arrest wettig oordelen dat er lastens de eiser ernstige aanwijzingen van schuld zijn voor de feiten waarvoor een bevel tot aanhouding is verleend. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, laatste lid, Voorlopige Hechteniswet: het arrest beantwoordt niet het in de appelconclusie gevoerde verweer dat de beschuldiging van de eiser is gebaseerd op vage geruchten, die in zeer algemene termen werden geformuleerd en waarbij op geen enkele manier blijkt hoe en uit welke bron de officier van gerechtelijke politie ze heeft opgevangen.
- Het onderdeel is afgeleid uit de met het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.1.c EVRM en miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak: het arrest steunt het oordeel dat het bevel tot aanhouding wettig is op geruchten die de eiser niet kan controleren.
- Het onderdeel is afgeleid uit de met het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 87,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Eric de Formanoir, Tamara Konsek, Frédéric Lugentz en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 7 april 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210407.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div