← België

D. contra Baloise Belgium nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210412.3N.1 Rolnummer: C.20.0201.N Zaak: D. contra Baloise Belgium nv Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2021-08-19 Raadplegingen: 1327 - laatst gezien 2026-06-19 23:36 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210412.3N.1 Fiche 1 De brandverzekering die een mede-eigenaar van een onverdeeld goed in eigen naam heeft gesloten, dekt in de regel slechts zijn aandeel in de eigendom en strekt niet tot voordeel van de overige mede-eigenaars, tenzij uit de verzekering blijkt dat de verzekeringnemer voor hun rekening heeft gehandeld

(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Vrije woorden: Brandverzekering - Mede-eigendom - Derdenbeding - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1122 en 1165 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wet 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst - 25-06-1992 - Artt. 1, B, a), 22 en 38, eerste lid - 32 ELI link Pub nr 1992011257 Fiche 2 Uit de omstandigheid dat een mede-eigenaar van een onverdeeld onroerend goed in het kader van een in zijn eigen naam afgesloten brandverzekeringsovereenkomst met betrekking tot het geheel van dit goed, premies betaalt die berekend zijn op de volledige waarde van dit goed, volgt dat de partijen niet alleen dekking voor deze mede-eigenaar hebben bedongen maar ook voor de andere mede-eigenaars
(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING Vrije woorden: Brandverzekering - Mede-eigendom - Omvang van de dekking Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1122 en 1165 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wet 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst - 25-06-1992 - Artt. 1, B, a), 22 en 38, eerste lid - 32 ELI link Pub nr 1992011257 Nota: De artikelen 22, 38 en 39 van de wet landverzekeringsovereenkomst voor de opheffing ervan bij wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen. Annotaties Publicaties: TBH-Tijdschrift voor Belgisch handelsrecht - 2022, nr. 9/10, p. 1158-1160. - VAN SCHOUBROECK, Caroline; Noot'Verzekering van mede-eigenaars die de brandverzekering niet hebben afgesloten' T.Verz.-Tijdschrift voor verzekeringen (vanaf 1987) - 2023, nr. 1, p. 71-72. - ROGGE, Jean; Noot'Brandverzekering en mede-eigendom: het Hof van Cassatie herziet zijn onbillijke rechtspraak' Tekst van de beslissing Nr. C.20.0201.N 1. B. D., 2. K. D., eisers, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen BALOISE BELGIUM nv, met zetel te 2600 Antwerpen (Berchem), Posthofbrug 16, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0400.048.883, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 26 september 2019. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 30 december 2020 verwezen naar de derde kamer. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 29 december 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 1, B,
  1. a)Wet Landsverzekeringsovereenkomst, zoals van toepassing, wordt onder verzekerde bij een schadeverzekering verstaan de persoon die door de verzekering is gedekt tegen vermogensschade. Krachtens artikel 22 van voormelde wet-, kunnen partijen te allen tijde overeenkomen dat een derde, onder de voorwaarden welke zij bepalen, aanspraak kan hebben op de door de verzekering geboden voordelen. Die derde moet niet aangeduid zijn of zelfs niet verwekt zijn op het ogenblik dat het beding wordt gemaakt, maar hij moet aanwijsbaar zijn op de dag dat de verzekeringsprestaties opeisbaar zijn. Krachtens artikel 38, eerste lid, van voormelde wet kan de verzekering worden gesloten ten behoeve van wie het aangaat en is in dat geval hij die in geval van schade aantoont belang te hebben bij het verzekerde, een verzekerde. Krachtens artikel 1165 Oud Burgerlijk Wetboek brengen overeenkomsten alleen gevolgen teweeg tussen de contracterende partijen. Zij brengen aan derden geen nadeel toe en strekken hun slechts tot voordeel in het geval bepaald bij artikel 1121. Krachtens artikel 1122 Oud Burgerlijk Wetboek wordt men geacht te hebben bedongen voor zichzelf en voor zijn erfgenamen en rechtverkrijgenden, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk bepaald is of uit de aard van de overeenkomst voortvloeit. Uit het geheel van voormelde bepalingen volgt dat de brandverzekering die een mede-eigenaar van een onverdeeld goed in eigen naam heeft gesloten, in de regel slechts zijn aandeel in de eigendom dekt en niet strekt tot voordeel van de overige mede-eigenaars, tenzij uit de verzekering blijkt dat de verzekeringnemer voor hun rekening heeft gehandeld. 2. Krachtens artikel 1135 Oud Burgerlijk Wetboek verbinden overeenkomsten niet alleen tot hetgeen daarin uitdrukkelijk bepaald is, maar ook tot alle gevolgen die door de billijkheid, het gebruik of de wet aan de verbintenis, volgens de aard ervan, worden toegekend. 3. Uit de omstandigheid dat een mede-eigenaar van een onverdeeld onroerend goed in het kader van een in zijn eigen naam afgesloten brandverzekeringsovereenkomst met betrekking tot het geheel van dit goed, premies betaalt die berekend zijn op de volledige waarde van dit goed, volgt dat de partijen niet alleen dekking voor deze mede-eigenaar hebben bedongen maar ook voor de andere mede-eigenaars. 4. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - A. D., F. A. en de eisers de eigenaars zijn van de woning X; - dit gebouw op 21 oktober 2010 gedeeltelijk is ingestort; - de verweerster de brandverzekeraar is van A. D. en F. A.; - de verzekeringsovereenkomst werd onderschreven door A. D. en F. A. in hun hoedanigheid van eigenaars van het verzekerde gebouw; - A. D. en F. A. aan de verzekeraar niet hebben gemeld dat zij niet de enige eigenaars waren van het te verzekeren goed; - zij de volledige waarde van het gebouw hebben laten verzekeren en de daarmee corresponderende premie hebben betaald; - zij, wetende dat zij ingevolge de toepassing van artikel 39 Wet Landverzekeringsovereenkomst geen grotere vergoeding konden verkrijgen dan de waarde van hun aandeel in het onroerend goed, door het volledige gebouw te verzekeren geen andere bedoeling kunnen hebben gehad dan ook de andere mede-eigenaars, de eisers, van het voordeel van de verzekering te laten genieten, er valt geen andere zinnige uitleg te bedenken voor de wijze waarop ze gecontracteerd hebben; - die wil niet alleen duidelijk en ondubbelzinnig moet bestaan aan de zijde van de verzekerden, de bedingers, maar ook aan de zijde van de verzekeraar, de belover; - opdat de verweerster, in afwijking van die schriftelijke overeenkomst, stilzwijgend zou hebben ingestemd met de derde begunstiging moet zij minstens weet hebben gehad van het feit dat A. D. en F. A. niet de enige eigenaars waren van het te verzekeren gebouw; - er echter niets is dat daarop wijst zodat de verweerster niet geacht kan worden daarmee op het ogenblik van het afsluiten van de polis te hebben ingestemd; - het feit dat zij een premie heeft aangerekend ter verzekering van het volledige gebouw en de daarmee gepaard gaande risico's, aan deze vaststelling geen afbreuk doet. 5. De appelrechters die op deze gronden oordelen dat "vermits A. D. en F. A. slechts voor de helft eigenaar zijn van het verzekerde gebouw en de eisers geen aanspraak kunnen maken op een vergoeding vanwege de verweerster de door de eerste rechter toegekende hoofdsom naar de helft moet worden herleid", verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven 6. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Antoine Lievens, Bart Wylleman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 12 april 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210412.3N.1 Gerelateerde publicatie(
  2. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210412.3N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251103.3F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.