← België

BELGISCHE STAAT c. ANTWERPS BEVRACHTINGS- EXPEDITIE EN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210412.3N.4 Rolnummer: S.19.0022.N Zaak: BELGISCHE STAAT c. ANTWERPS BEVRACHTINGS- EXPEDITIE EN Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2021-08-19 Raadplegingen: 924 - laatst gezien 2026-06-16 04:16 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210412.3N.4 Fiche 1 De Belgische Staat staat in voor de instelling en goede werking van de paritaire comités en subcomités en de verzoeningsbureaus binnen die comités, maar het zijn de vertegenwoordigers van de in die organen vertegenwoordigde werknemers- en werkgeversorganisaties die in de schoot van die organen de beslissingen nemen, zodat die niet aan de Belgische Staat kunnen worden toegerekend

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: PARITAIR COMITE Vrije woorden: Instelling - Werking - Beslissingen - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités - 05-12-1968 - Artt. 35, 37, 38, eerste lid, 2°, 39, 40, 44, 46, 47 en 49 - 01 ELI link Pub nr 1968120503 KB 6 november 1969 tot vaststelling van de algemene regels voor de werking van de paritaire comités en paritaire subcomités - 06-11-1969 - Artt. 19 en 20 - 01 ELI link Pub nr 1969110606 Fiche 2 De Belgische Staat heeft niet de vereiste hoedanigheid om als verweerder op te treden in vorderingen gericht tegen beslissingen van de paritaire comités, subcomités en de organen opgericht in de schoot van die comités en subcomités
(1).
(1)Zie conl. OM. Thesaurus CAS: PARITAIR COMITE Vrije woorden: Verzoeningsbureau - Vertegenwoordiging in rechte - Belgische Staat Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 17 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités - 05-12-1968 - Artt. 35, 37, 38, eerste lid, 2°, 39, 40, 44, 46, 47 en 49 - 01 ELI link Pub nr 1968120503 KB 6 november 1969 tot vaststelling van de algemene regels voor de werking van de paritaire comités en paritaire subcomités - 06-11-1969 - Artt. 19 en 20 - 01 ELI link Pub nr 1969110606 Tekst van de beslissing Nr. S.19.0022.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Werk, met kabinet te 1000 Brussel, Hertogstraat 61, in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van het Bestendig Bureau, deel uitmakend van het Nationaal Paritair Comité der Haven van Antwerpen, deel uitmakend van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 124, bus 76, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen ANTWERPS BEVRACHTINGS-, EXPEDITIE EN STOUWERIJBEDRIJF nv, met zetel te 2030 Antwerpen, Zwarteweg 6, Kaai 347, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0416.267.085, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Gent, van 5 november
  1. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 3 maart 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Krachtens artikel 17 Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen. Op dezelfde wijze moet de rechtsvordering worden ingesteld tegen diegene die hoedanigheid heeft om ze te beantwoorden.
  3. Krachtens artikel 35 CAO-wet kan de Koning op eigen initiatief of op verzoek van één of meer organisaties paritaire comités van werkgevers en werknemers oprichten. Hij bepaalt welke personen, welke bedrijfstak of ondernemingen en welk gebied tot het ressort van elk comité behoren. Krachtens artikel 37 CAO-wet kan de Koning op verzoek van een paritair comité een of meer paritaire subcomités oprichten. Krachtens artikel 38, eerste lid, 2°, CAO-wet hebben de paritaire comités en subcomités als opdracht geschillen tussen werkgevers en werknemers te voorkomen of bij te leggen. Krachtens artikel 39 CAO-wet zijn de paritaire comités en subcomités samengesteld uit een voorzitter en een ondervoorzitter, een gelijk aantal vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties en van werknemersorganisaties en twee of meer secretarissen. Krachtens artikel 40 CAO-wet benoemt de Koning de voorzitters en ondervoorzitters onder de personen die bevoegd zijn in sociale aangelegenheden en onafhankelijk staan tegenover de belangen waarmee het paritair comité of subcomité te maken heeft. In de uitoefening van hun opdracht staan de voorzitter en de ondervoorzitter onder het gezag van de Minister tot wiens bevoegdheid de arbeid behoort. Krachtens artikel 44 CAO-wet benoemt de Minister de secretarissen. Krachtens artikel 46 CAO-wet bepaalt de Koning de toekenningsvoorwaarden en het bedrag van de vergoedingen die worden toegekend aan de voorzitters, ondervoorzitters, leden en secretarissen van de paritaire comités en subcomités. Krachtens artikel 47 CAO-wet hebben alleen de vertegenwoordigers van de werkgeversorganisaties en van de werknemersorganisaties een beslissende stem. Krachtens artikel 49 CAO-wet bepaalt de Koning de werkwijze van de paritaire comités en subcomités. De Minister tot wiens bevoegdheid de arbeid behoort houdt toezicht op de werking van de paritaire comités en subcomités. Krachtens artikel 19 van het Koninklijk besluit van 6 november 1969 tot vaststelling van de algemene regels voor de werking van de paritaire comités en de paritaire subcomités (hierna: KB van 6 november 1969) kan in het comité een verzoeningsbureau worden opgericht om alle geschillen tussen werkgevers en werknemers te voorkomen of bij te leggen. Krachtens artikel 20 KB van 6 november 1969 is het verzoeningsbureau samengesteld uit de voorzitter, een secretaris en leden die worden aangewezen, voor de helft onder de leden die de werkgeversorganisaties vertegenwoordigen en voor de helft onder de leden die de werknemersorganisaties vertegenwoordigen.
  4. Uit deze bepalingen volgt dat de Belgische Staat instaat voor de instelling en goede werking van de paritaire comités en subcomités en de verzoeningsbureaus binnen die comités, maar dat het de vertegenwoordigers van de in die organen vertegenwoordigde werknemers- en werkgeversorganisaties zijn die in de schoot van die organen de beslissingen nemen, zodat die niet aan de Belgische Staat kunnen worden toegerekend. Bijgevolg heeft de Belgische Staat niet de vereiste hoedanigheid om als verweerder op te treden in vorderingen gericht tegen beslissingen van de paritaire comités, subcomités en de organen opgericht in de schoot van die comités en subcomités. Het arrest dat anders oordeelt schendt de in het middel vermelde wetsbepalingen. Het middel is gegrond. Overige grieven
  5. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Mireille Delange, en de raadsheren Antoine Lievens en Eric de Formanoir, en in openbare terechtzitting van 12 april 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210412.3N.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210412.3N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.