← België

PLASTIC OMNIUM AUTO INERGY BELGIUM contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210412.3N.6 Rolnummer: S.20.0050.N Zaak: PLASTIC OMNIUM AUTO INERGY BELGIUM contra V. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2022-05-02 Raadplegingen: 1085 - laatst gezien 2026-06-18 20:36 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210412.3N.6 Fiche In geval van een ontslag om dringende redenen dat niet door de arbeidsrechtbank of het arbeidshof is aanvaard, is de in artikel 10 van de wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs bedoelde vergoeding verschuldigd indien de rechter vaststelt, ofwel, dat de redenen die de werkgever aanvoert voor het ontslag niet vreemd zijn aan de onafhankelijkheid van de preventieadviseur ofwel, indien als reden voor het ontslag de onbekwaamheid wordt aangevoerd van de preventieadviseur om zijn taken als preventieadviseur uit te oefenen, de werkgever die onbekwaamheid niet bewijst

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Ontslag om dringende reden Vrije woorden: Preventieadviseur - Beschermingsvergoeding Wettelijke bepalingen: Wet 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs - 20-12-2002 - Artt. 3, 4, 10, eerste lid, en 11 - 51 ELI link Pub nr 2002013513 Annotaties Publicaties: RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2021, nr. 12/13, p. 1130-
  1. - HERMAN, Jan; Noot'Een preventieadviseur aan de kant. Een werkgever bij in het zand' Tekst van de beslissing Nr. S.20.0050.N PLASTIC OMNIUM AUTO INERGY BELGIUM nv, met zetel te 2200 Herentals, Grensstraat 12, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0461.324.575, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen G. V. V., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 24 februari
  2. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 18 maart 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel (…) Tweede onderdeel
  3. Krachtens artikel 3 van de wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs (hierna Wet Bescherming Preventieadviseurs), kan de werkgever de overeenkomst met de preventieadviseur enkel beëindigen of hem uit zijn functie verwijderen om redenen die vreemd zijn aan zijn onafhankelijkheid of om redenen waaruit blijkt dat hij niet bekwaam is om zijn opdrachten uit te oefenen en voor zover de werkgever de procedures als bedoeld in deze wet naleeft. Krachtens artikel 4 Wet Bescherming Preventieadviseurs is de werkgever gehouden de procedures bepaald in de artikelen 5 tot 9 van die wet na te leven, behalve in geval van onder meer ontslag om dringende reden. Krachtens artikel 10, eerste lid, Wet Bescherming Preventieadviseurs is de werkgever in de volgende gevallen een vergoeding verschuldigd aan de preventieadviseur wiens overeenkomst wordt beëindigd: 1° wanneer de werkgever de krachtens deze wet voorgeschreven procedures niet volgt; 2° wanneer de arbeidsrechtbank of het arbeidshof, in het kader van de procedure als bepaald in artikel 6, tweede lid, erkent dat er afbreuk is gedaan aan de onafhankelijkheid van de preventieadviseur of dat de aangevoerde redenen betreffende de onbekwaamheid om zijn opdrachten uit te voeren niet bewezen zijn; 3° wanneer de werkgever de overeenkomst in strijd met de bepaling van artikel 9 beëindigt. Artikel 11 van die wet bepaalt dat de vergoeding als bedoeld in artikel 10 eveneens verschuldigd is wanneer het ontslag zonder opzegging van een preventieadviseur door hem bij de arbeidsrechtbank of het arbeidshof aanhangig is gemaakt en de rechtbank of het hof, na de aangevoerde dringende redenen niet te hebben aanvaard, erkend heeft dat deze redenen niet vreemd zijn aan de onafhankelijkheid of de aangevoerde redenen van onbekwaamheid om de opdrachten uit te oefenen niet bewezen zijn.
  4. Uit de samenhang van die wetsbepalingen volgt dat in geval van een ontslag om dringende redenen dat niet door de arbeidsrechtbank of het arbeidshof is aanvaard, de in artikel 10 Wet Bescherming Preventieadviseurs bedoelde vergoeding verschuldigd is indien de rechter vaststelt, ofwel, dat de redenen die de werkgever aanvoert voor het ontslag niet vreemd zijn aan de onafhankelijkheid van de preventieadviseur ofwel, indien als reden voor het ontslag de onbekwaamheid wordt aangevoerd van de preventieadviseur om zijn taken als preventieadviseur uit te oefenen, de werkgever die onbekwaamheid niet bewijst.
  5. Het arrest oordeelt dat er geen enkele tekortkoming aan de verweerder kan worden verweten en dat de eiseres niet het bewijs heeft geleverd van redenen waaruit de onbekwaamheid van de verweerder blijkt om zijn functie van preventieadviseur verder uit te oefenen. Aldus geeft het arrest te kennen dat de redenen waarom de verweerder werd ontslagen verband houden met de bekwaamheid om zijn functie van preventieadviseur verder uit te oefenen en dat die redenen niet zijn bewezen. Met die redenen is de beslissing naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 500,84 euro en op de som van 20 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Mireille Delange, en de raadsheren Antoine Lievens en Eric de Formanoir, en in openbare rechtszitting van 12 april 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210412.3N.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210412.3N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.