← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.10 Rolnummer: P.21.0108.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-04-16 Raadplegingen: 1205 - laatst gezien 2026-06-19 23:36 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het verzet van de bij verstek veroordeelde aan wie het verstekvonnis niet in persoon is betekend is laattijdig indien vaststaat dat de verzetdoende partij meer dan vijftien dagen vóór het aantekenen van verzet kennis had van de betekening van het verstekvonnis; de rechter oordeelt onaantastbaar over de kennisname meer dan vijftien dagen vóór het verzet

(1)en kan daarbij alle feitelijke gegevens die hij nuttig acht in aanmerking nemen, vermoedens inbegrepen
(2); niet vereist is dat de rechter de precieze datum van de kennisname vaststelt
(3).
(1)Cass. 9 maart 2016, AR P.15.1679.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160309.3, AC 2016, nr. 168. Zie R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1419; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1669-1670.
(2)Cass. 24 oktober 2017, AR P.17.0666.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171024.6, AC 2017, nr. 587; Cass. 9 maart 2016, AR P.15.1679.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160309.3, AC 2016, nr. 168; Cass. 13 september 2011, AR P.11.1030.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110913.4, AC 2011, nr. 464; Cass. 9 maart 2010, AR P.09.1729.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100309.4, AC 2010, nr. 164, p. 701; Cass. 21 februari 1984, AR 8537, AC 1983, 784. Zie R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 1419; S. VAN OVERBEKE, “Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie”, RW 2015-16, 1409; V. VEREECKE, “Het onderscheid tussen kennisname van de betekening en kennisname van de dagvaarding bij verzet in strafzaken”, RABG 2018, 59; K. VEECKMANS, “Buitengewoon verzet: een adequaat rechtsmiddel?”, N.C. 2019, 17; B. DE SMET, Verstek en verzet in strafzaken, Larcier, 2020, 104.
(3)Cass. 24 oktober 2017, AR P.17.0666.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171024.6, AC 2017, nr. 587; Cass. 19 december 1972, AC 1972,
  1. Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Strafzaken - Buitengewone termijn - Beginpunt - Kennisname van de betekening van het verstekvonnis op het verblijfsadres van de beklaagde - Bewijs van de kennisname - Redenen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Verzet - Buitengewone termijn - Beginpunt - Kennisname van de betekening van het verstekvonnis op het verblijfsadres van de beklaagde - Bewijs van de kennisname Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Annotaties Publicaties: T.Strafr.-Tijdschrift voor strafrecht: jurisprudentie, nieuwe wetgeving en doctrine voor de praktijk - 2021, nr. 6, p. 375-
  2. - VANDEUREN, Jacques; Noot'Het bewijs van kennisname van de betekening van een verstekvonnis en de naleving van de informatieplicht' Tekst van de beslissing Nr. P.21.0108.N A. Ch. C. D. W., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Nicolas De Mot, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 15 december
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 187, § 5, Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis leidt uit het gegeven dat het verstekvonnis werd betekend aan de woonplaats van de eiser en meer bepaald aan zijn moeder ten onrechte af dat de eiser kennis heeft genomen van de betekening; het oordeel dat zijn verzet laattijdig is, is dan ook niet naar recht verantwoord; uit het enkele feit van een betekening aan de woonplaats kan die kennis niet wettig worden afgeleid; het bestreden vonnis maakt gevolgtrekkingen die het niet kon maken; bovendien blijkt uit het strafdossier dat de eiser vooral bij zijn vriendin verbleef; dat in een normale relatie de betekening van een verstekvonnis wordt gemeld, is slechts een op zichzelf staand vermoeden; er is dan ook geen sprake van ernstige en overeenstemmende vermoedens; er wordt volledig voorbijgegaan aan de problematische relatie tussen de eiser en zijn moeder en zijn precaire situatie op het ogenblik van de betekening, toen hij dakloos was en ronddoolde; de appelrechters steunen hun oordeel op speculatie; aangezien er twijfel is over het tijdstip van de kennisname door de eiser van de betekening had het bestreden vonnis het verzet ontvankelijk moeten verklaren; er wordt overigens niet vastgesteld of en wanneer de eiser kennis heeft genomen van de betekening.
  5. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  6. Volgens artikel 187, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering kan een bij verstek veroordeelde indien de betekening van het vonnis niet aan hem in persoon is gedaan, wat de veroordeling tot straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij kennis heeft gekregen van de betekening. Een verzet is laattijdig indien vaststaat dat de verzetdoende partij meer dan vijftien dagen vóór het aantekenen van het verzet kennis had van de betekening van het verstekvonnis.
  7. De rechter oordeelt onaantastbaar of de verzetdoende partij meer dan vijftien dagen vóór het aantekenen van het verzet kennis had van de betekening van het verstekvonnis. Hij kan daarbij alle feitelijke gegevens die hij nuttig acht in aanmerking nemen, vermoedens inbegrepen. Niet is vereist dat de rechter de precieze datum van de kennisname vaststelt.
  8. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
  9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - de verstandhouding tussen de eiser en zijn moeder was van aard om vast te stellen dat er kennis was van de betekening van het verstekvonnis; - er moet worden verwezen naar de vermeldingen in het proces-verbaal van de rechtszitting van 26 november 2019 voor de eerste rechter; - volgens dat proces-verbaal heeft de eiser verklaard: “Ik had geen kennis van het verstekvonnis. Ik woonde bij mijn vriendin en ging op en af. Soms bij mijn moeder, soms bij mijn vriendin. Leeft niet in onmin met de moeder, woont vooral bij zijn vriendin. Verzoekt om probatie”; - de eiser geeft aan dit stuk een te beperkte lezing indien hij stelt dat daaruit blijkt dat hij bij zijn vriendin verbleef, aangezien hij wel degelijk verklaarde dat hij soms bij zijn moeder verbleef; - in de concrete omstandigheden wordt ervan uitgegaan dat het feit van de betekening van het verstekvonnis de eiser niet onbekend kon zijn; - binnen een normale relatie moeder-zoon mag worden verwacht dat een moeder haar zoon op de hoogte brengt van de betekening van een vonnis waarbij hij tot gevangenisstraf wordt veroordeeld; - tussen het ogenblik van betekening van het verstekvonnis en het verzet door de eiser liggen quasi zes maanden; - zelfs indien de eiser verklaarde dat hij “op en af” ging tussen zijn moeder en zijn vriendin, kan worden vermoed dat er zich tussen het moment van de kennisname van de betekening en het effectief aantekenen van het verzet meer dan vijftien dagen situeren. Uit die vaststellingen, waaruit niet blijkt dat het oordeel over de kennisname van de betekening louter is gesteund op de betekening aan de woonst, kan het bestreden vonnis wettig afleiden dat de eiser meer dan vijftien dagen vóór zijn verzet kennis had van de betekening van het verstekvonnis en dat zijn verzet bijgevolg onontvankelijk is wegens laattijdigheid. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 13 april 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.13 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241217.2N.18 precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100309.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110913.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160309.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171024.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.