id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.14 Rolnummer: P.21.0412.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-04-16 Raadplegingen: 917 - laatst gezien 2026-06-19 23:36 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een door artikel 3, 4°,
- b)Interneringswet bedoelde inrichting tot bescherming van de maatschappij waar een geïnterneerde op grond van artikel 19 Interneringswet kan worden geplaatst of waarnaar hij kan worden overgeplaatst, is geen gevangenis. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Inrichting tot bescherming van de maatschappij - Begrip Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 3, 4°,
- b)- 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 19 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Fiche 2 De rechter oordeelt onaantastbaar over het bestaan van tegenaanwijzingen voor de toekenning van een uitvoeringsmodaliteit van de internering en over de geschiktheid van een inrichting ter realisering van de in artikel 2 Interneringswet omschreven doelstellingen van de internering ; hij is daarbij niet gebonden door de adviezen of verslagen van het openbaar ministerie, de psychiater of de justitie assistent
(1).
(1)Cass. 25 november 2020, AR P.20.1102.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201125.2F.7, AC 2020, nr. 725; Cass. 9 april 2019, AR P.19.0273.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.7, AC 2019, nr.
- Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Vrije woorden: Toekenning van een uitvoeringsmodaliteit - Tegenaanwijzingen - Adviezen of verslagen van het openbaar ministerie, de psychiater of de justitie-assistent - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 2 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Fiche 3 Uit de enkele omstandigheid dat de kamer voor de bescherming van de maatschappij bij de toekenning van de uitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht de geïnterneerde de gelegenheid heeft gegeven tegen een bepaalde datum bepaalde voorwaarden na te komen, volgt niet dat de kamer niet langer zou kunnen beslissen dat er tegenaanwijzingen zijn die zich verzetten tegen de toekenning van een uitvoeringsmodaliteit. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - UITVOERINGSMODALITEITEN INTERNERING Vrije woorden: Eerdere beslissing van een modaliteit met het nakomen van voorwaarden - Oordeel op een latere terechtzitting over tegenaanwijzingen die de modaliteit verhinderen - Gevolg Fiche 4 Uit de enkele omstandigheid dat de Belgische Staat werd veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan een geïnterneerde wegens het disfunctioneren van het interneringssysteem in het verleden, volgt niet noodzakelijk dat de plaatsing van die geïnterneerde in een afdeling tot bescherming van de maatschappij onrechtmatig is. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Vrije woorden: Veroordeling van de Belgische Staat wegens tekortkomingen bij de uitvoering van een eerdere interneringsbeslissing - Uitvoering van een modaliteit van de internering - Beslissing tot plaatsing van de geïnterneerde in een afdeling tot bescherming van de maatschappij - Regelmatigheid Tekst van de beslissing Nr. P.21.0412.N M. B., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Crépine Uwashema, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 15 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Uit artikel 78 Interneringswet volgt dat tegen de plaatsing van de eiser in de afdeling tot bescherming van de maatschappij te Antwerpen, alsook tegen zijn plaatsing op de wachtlijsten van de forensische psychiatrische centra (FPC) te Gent en te Antwerpen, geen cassatieberoep openstaat. In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 5.1 EVRM en artikel 2 Interneringswet: alle dossiergegevens in acht genomen is de drastische beslissing tot plaatsing van de eiser in de gevangenis waardoor alle geleverde inspanningen teniet worden gedaan en hij opnieuw wordt opgesloten in een setting die volgens de psychiater-gevangenisarts niet noodzakelijk is en waarvan de civiele rechter reeds heeft beslist dat dergelijke opsluiting de artikelen 3 en 5.1 EVRM en artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek schendt, een totaal disproportionele beschermingsmaatregel; de beslissing impliceert in die omstandigheden een onrechtmatige vrijheidsberoving en een mensonwaardige behandeling en miskent eisers recht op de nodige zorgen die zijn toestand vereisen en die hem in staat stellen een menswaardig leven te leiden; met de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij van 19 januari 2021 werd hem de mogelijkheid geboden tot 31 maart 2021 om woonst en werk te regelen; een vervroegde oproeping voor de kamer maakte dit echter onmogelijk.
- Een door artikel 3, 4°, b), Interneringswet bedoelde inrichting tot bescherming van de maatschappij waar een geïnterneerde op grond van artikel 19 Interneringswet kan worden geplaatst of waarnaar hij kan worden overgeplaatst, is geen gevangenis.
- De rechter oordeelt onaantastbaar over het bestaan van tegenaanwijzingen voor de toekenning van een uitvoeringsmodaliteit van de internering en over de geschiktheid van een inrichting ter realisering van de in artikel 2 Interneringswet omschreven doelstellingen van de internering. Hij is daarbij niet gebonden door de adviezen of verslagen van het openbaar ministerie, de psychiater of de justitieassistent.
- Uit de enkele omstandigheid dat de kamer voor de bescherming van de maatschappij bij de toekenning van de uitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht de geïnterneerde de gelegenheid heeft gegeven tegen een bepaalde datum bepaalde voorwaarden na te komen, volgt niet dat de kamer niet langer zou kunnen beslissen dat er tegenaanwijzingen zijn die zich verzetten tegen de toekenning van een uitvoeringsmodaliteit.
- Uit de enkele omstandigheid dat de Belgische Staat werd veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan een geïnterneerde wegens het disfunctioneren van het interneringssysteem in het verleden, volgt niet noodzakelijk dat de plaatsing van die geïnterneerde in een afdeling tot bescherming van de maatschappij onrechtmatig is.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Op grond van een geheel van redenen die het vonnis vermeldt en waarbij ook wordt verwezen naar de diverse verslagen en adviezen, oordeelt de kamer voor de bescherming van de maatschappij dat: - de aanwezige tegenindicaties te groot zijn om thans een uitvoeringsmodaliteit toe te kennen met ambulante omkadering; - in eerste instantie een residentiële behandeling met forensische insteek nodig is (met minimum medium security beveiliging) waarna de eiser, mogelijk reeds na korte termijn, stapsgewijs terug naar de maatschappij kan terugkeren; - aangezien op dit ogenblik een dergelijke behandeling niet voorhanden is, de eiser wordt geplaatst in een inrichting tot bescherming van de maatschappij; - de eiser tevens op de wachtlijsten van de FPC wordt geplaatst aangezien hij door zijn persoonlijkheidsproblematiek, zijn vluchtgevaarlijkheid en zijn weigerachtige houding ten aanzien van een residentieel traject in het verleden mogelijk uit de boot zal vallen in een medium security inrichting, terwijl de vermelde centra reeds eerdere successen in de behandeling van mensen met een gelijkaardig profiel kenden. Met die redenen oordeelt het vonnis dat in de actuele omstandigheden enkel de genomen maatregelen kunnen helpen om eisers verdere psychische destabilisatie en het plegen van nieuwe feiten te beletten en verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 13 april 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.7 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201125.2F.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div