← België

I.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.15 Vervangt nummer: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210330.2N.7 Rolnummer: P.20.1346.N Zaak: I. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Constitutioneel recht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-04-16 Raadplegingen: 1482 - laatst gezien 2026-06-19 23:39 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit de bepalingen van artikel 22, eerste en zesde lid, Taalwet Gerechtszaken volgt dat een beklaagde in hoger beroep een vertaling niet kan vragen indien hij dit reeds in eerste aanleg heeft gevraagd of kon vragen; er kan geen miskenning van het recht van verdediging worden afgeleid uit het feit dat het appelgerecht geen kennis kan nemen van de grief van een beklaagde tegen de in eerste aanleg besliste weigering stukken te laten vertalen omdat die beklaagde tegen dit tussenvonnis geen hoger beroep heeft ingesteld; de afwezigheid van saisine voor het appelgerecht is louter een gevolg van het niet aanwenden van een rechtsmiddel door de beklaagde, die daarvoor de verantwoordelijkheid draagt. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In hoger beroep - Strafzaken Vrije woorden: Verzoek tot vertaling van stukken - Ontvankelijkheid - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 22, eerste en zesde lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Verzoek tot vertaling van stukken - Tussenvonnis - Afwijzing - Afwezigheid van hoger beroep - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 22, eerste en zesde lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Fiches 3 - 4 Uit de samenlezing van de bepalingen van artikel 5, § 1, 6° en 7°, artikel 7 en artikel 8, COVID II–Machtigingswet van 27 maart 2020 en artikel 3, 1°, COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020, volgt dat er schorsing is van de verjaring van de strafvordering in de zin van artikel 24, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering tijdens de in de artikelen 1 en 3, 1°, COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 bedoelde periode; aangezien de wetgever op grond van artikel 5, § 1, 6°, en 7°, COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020 de Koning heeft gemachtigd tot het invoeren van een schorsingsgrond voor de verjaring van de strafvordering en de Koning met de artikelen 1 en 3, 1°, COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 van die machtiging heeft gebruik gemaakt, moet dit koninklijk besluit worden beschouwd als een wet in de zin van artikel 24, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALGEMEEN Vrije woorden: COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020 - COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 - Strafzaken - Schorsing van de verjaringstermijnen - Bevoegdheid van de Koning - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wet 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) - 27-03-2020 - Art. 5, § 1, 6° en 7° - 02 ELI link Pub nr 2020040938 Wet 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) - 27-03-2020 - Art. 7 - 02 ELI link Pub nr 2020040938 Wet 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) - 27-03-2020 - Art. 8 - 02 ELI link Pub nr 2020040938 KB nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure en uitvoering van straffen en maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 - 3 - 09-04-2020 - Art. 1 - 02 ELI link Pub nr 2020030582 KB nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure en uitvoering van straffen en maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 - 3 - 09-04-2020 - Art. 3, 1° - 02 ELI link Pub nr 2020030582 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 24 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Schorsing Vrije woorden: COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020 - COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 - Bevoegdheid van de Koning - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wet 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) - 27-03-2020 - Art. 5, § 1, 6° en 7° - 02 ELI link Pub nr 2020040938 Wet 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) - 27-03-2020 - Art. 7 - 02 ELI link Pub nr 2020040938 Wet 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) - 27-03-2020 - Art. 8 - 02 ELI link Pub nr 2020040938 KB nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure en uitvoering van straffen en maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 - 3 - 09-04-2020 - Art. 1 - 02 ELI link Pub nr 2020030582 KB nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure en uitvoering van straffen en maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 - 3 - 09-04-2020 - Art. 3, 1° - 02 ELI link Pub nr 2020030582 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 24 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 5 - 6 De omstandigheid dat de wetgever in de COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020 heeft bepaald dat hij de op grond ervan uitgevaardigde koninklijke besluiten moet bekrachtigen binnen het jaar na hun inwerkingtreding en dat zij ingeval van niet-bekrachtiging worden geacht nooit uitwerking te hebben gehad, belet niet dat de rechter deze koninklijke besluiten vanaf hun inwerkingtreding moet toepassen, behoudens artikel 159 Grondwet zich daartegen zou verzetten; oordelen dat de rechter deze besluiten slechts zou mogen toepassen vanaf hun bekrachtiging door de wetgever, zou aan het stelsel van een machtigingswet zijn zin ontnemen. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020 - COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 - Bekrachtiging - Strafzaken - Schorsing van de verjaringstermijnen - Toepassing - Uitwerking Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Schorsing Vrije woorden: COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020 - COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 - Bekrachtiging - Schorsing van de verjaringstermijnen - Toepassing - Uitwerking Fiches 7 - 8 De wetgever kan in omstandigheden die het beroep op bijzondere machten rechtvaardigen de regeling van een aan de wetgever voorbehouden aangelegenheid aan de Koning opdragen; daartoe is in ieder geval vereist dat de wetgever die machtiging uitdrukkelijk verleent en dat de met toepassing van die machtiging genomen besluiten binnen een redelijke termijn ter bekrachtiging worden voorgelegd aan de wetgever. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WETTIGHEID VAN BESLUITEN EN VERORDENINGEN Vrije woorden: Bijzondere machten - Bevoegdheden van de Koning - Voorwaarden Thesaurus CAS: MACHTEN - MACHTSOVERDRACHT Vrije woorden: Wetgevende macht - Wetten inzake bijzondere machten - Bevoegdheden van de Koning - Voorwaarden Fiches 9 - 11 Het legaliteitsbeginsel in strafzaken vervat in artikel 12, tweede lid, Grondwet, is een grondrecht dat op geheel of gedeeltelijk analoge wijze wordt gewaarborgd door de artikelen 7.1 EVRM en artikel 15.1 IVBPR, maar dit beginsel in strafzaken gaat niet zover dat het de wetgever ertoe zou verplichten elk aspect van de vervolging zelf te regelen; vereist is evenwel dat de bijzondere eisen ter zake van nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid waaraan de strafwetten moeten voldoen, niet worden miskend. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 12 Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel - Strafzaken - Grondrecht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 7 Vrije woorden: Artikel 7.1 - Legaliteitsbeginsel - Strafzaken - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 15.1 - Legaliteitsbeginsel - Strafzaken - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Fiches 12 - 13 De machtiging verleend bij de COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020 aan de Koning om maatregelen te nemen om de bij of krachtens de wet bepaalde termijnen te schorsen of te verlengen, is voldoende duidelijk en nauwkeurig en voldoet aan de vereiste dat de uitvoeringsbesluiten ervan binnen een vastgestelde redelijke termijn worden bekrachtigd; ze schendt dan ook klaarblijkelijk artikel 12 Grondwet niet. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WETTIGHEID VAN BESLUITEN EN VERORDENINGEN Vrije woorden: COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020 - COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 - Bevoegdheden van de Koning - Strafzaken - Schorsing of verlenging van verjaringstermijnen - Legaliteitsbeginsel - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1831 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 12 Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel - Strafzaken - COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020 - COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 - Bevoegdheden van de Koning - Schorsing of verlenging van verjaringstermijnen - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 14 - 15 De met artikelen 1, eerste lid en 3, 1°, COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 ingevoerde schorsingsregeling van de verjaring van de strafvordering valt binnen de door de wetgever verleende machtiging aan de Koning en is in beginsel van toepassing op alle strafvorderingen die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze bepalingen nog niet waren vervallen; een dergelijke regeling miskent het rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel niet. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WETTIGHEID VAN BESLUITEN EN VERORDENINGEN Vrije woorden: COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020 - COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 - Bevoegdheden van de Koning - Schorsing of verlenging van verjaringstermijnen in strafzaken - Toepasselijkheid op alle strafvorderingen - Rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: KB nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure en uitvoering van straffen en maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 - 3 - 09-04-2020 - Art. 1, eerste lid - 02 ELI link Pub nr 2020030582 KB nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure en uitvoering van straffen en maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 - 3 - 09-04-2020 - Art. 3, 1° - 02 ELI link Pub nr 2020030582 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Rechtzekerheidsbeginsel - Gelijkheidsbeginsel - COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020 - COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 - Bevoegdheden van de Koning - Schorsing of verlenging van verjaringstermijnen in strafzaken - Toepasselijkheid op alle strafvorderingen - Rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: KB nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure en uitvoering van straffen en maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 - 3 - 09-04-2020 - Art. 1, eerste lid - 02 ELI link Pub nr 2020030582 KB nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure en uitvoering van straffen en maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 - 3 - 09-04-2020 - Art. 3, 1° - 02 ELI link Pub nr 2020030582 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1346.N I L. I., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Marijn Van Nooten, advocaat bij de balie Brussel. II H. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. III W. M. H., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pascal Quadflieg, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 1 december 2020 (hierna arrest III). De cassatieberoepen II en III zijn gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 19 oktober 2015 (hierna arrest I) en van 25 september 2017 (hierna arrest II) en tegen het arrest III. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. De raadsman van de eiser II heeft op 7 april 2021 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eiser I Eerste middel

  1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 22, zesde lid, Taalwet Gerechtszaken, alsmede miskenning van het recht van verdediging: het arrest III oordeelt ten onrechte dat het geen rechtsmacht heeft om eisers verzoek tot vertaling van stukken te beoordelen omdat hetzelfde verzoek bij tussenvonnis van 8 januari 2014 is afgewezen en tegen dat vonnis geen hoger beroep is ingesteld.
  2. Het middel preciseert niet hoe en waarom het arrest artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  3. Krachtens artikel 22, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken kan de beklaagde die de taal van de procedure niet verstaat het openbaar ministerie verzoeken om de vertaling naar een taal die hij of zij verstaat van andere documenten dan deze waarvan reeds in de vertaling wordt voorzien in het Wetboek van Strafvordering. Krachtens artikel 22, zesde lid, Taalwet Gerechtszaken wordt hetzelfde recht toegekend voor de rechtscolleges in hoger beroep voor stukken waar nog geen vertaling voor werd gevraagd.
  4. Uit deze wetsbepalingen volgt dat een beklaagde in hoger beroep een vertaling niet kan vragen indien hij dit reeds in eerste aanleg heeft gevraagd of kon vragen.
  5. Geen miskenning van het recht van verdediging kan worden afgeleid uit het feit dat het appelgerecht geen kennis kan nemen van de grief van een beklaagde tegen de in eerste aanleg besliste weigering stukken te laten vertalen omdat die beklaagde tegen dit tussenvonnis geen hoger beroep heeft ingesteld. De afwezigheid van saisine voor het appelgerecht is louter een gevolg van het niet aanwenden van een rechtsmiddel door de beklaagde, die daarvoor de verantwoordelijkheid draagt.
  6. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 21 en 24, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 7 van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) (hierna COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020): door te oordelen dat de verjaring van de strafvordering niet is ingetreden vanaf 19 oktober 2020, miskent het arrest III de schorsingsregels inzake de verjaring; het arrest past ten onrechte de in het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure en uitvoering van straffen en maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (hierna COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020) bepaalde schorsingsgrond toe; enkel een wet kan een schorsingsgrond bepalen; zolang een ter uitvoering van de COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020 uitgevaardigd koninklijk besluit niet bij wet is bekrachtigd, kan het geen grond opleveren om de verjaring van de strafvordering te schorsen; de motivering van het arrest III op dit punt voldoet niet en is tegenstrijdig. Er wordt gevraagd aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Schendt artikel 5, § 1, 6° jo, 7° van de wet van 27 maart 2020 dat machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus Covid-19 de beginselen van behoorlijke regelgeving en meer bepaald het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel in samenhang gelezen met de artikelen 12, lid 2 en 105 van de Grondwet in die zin dat middels desbetreffende wetsbepaling een dermate ruime bevoegdheid wordt verleend aan de Koning om aanpassingen door te voeren in de strafrechtspleging terwijl de toegekende machten nauwkeurig omschreven dienen te zijn, zowel wat betreft de doeleinden en de oogmerken als de aangelegenheden waarin maatregelen getroffen kunnen worden en aldus een aanpassing aan de strafprocedure onnauwkeurig de toegekende machten omschrijft?"
  8. Artikel 7 COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020 bepaalt: "De machtiging aan de Koning verleend door deze wet, vervalt drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet. De in artikel 5, § 1, 1° tot 8°, bedoelde besluiten worden bij wet bekrachtigd binnen een termijn van een jaar vanaf hun inwerkingtreding. De in artikel 5, § 1, 1° tot 8°, bedoelde koninklijke besluiten worden geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien ze niet worden bekrachtigd binnen de termijn bedoeld in het tweede lid." Artikel 8 COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020 bepaalt dat deze wet in werking treedt de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Hij werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 30 maart
  9. Artikel 5, § 1, 6°, en 7°, COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020 bepaalt dat de Koning met het oog op de in artikel 2, eerste lid, bedoelde doelstellingen, maatregelen kan nemen om: 6° de bij of krachtens de wet bepaalde termijnen te schorsen of te verlengen volgens de door de Koning bepaalde termijnen; 7° met naleving van de fundamentele beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht en met inachtneming van de rechten van verdediging van de rechtszoekenden, de goede werking van de rechterlijke instanties en in het bijzonder de continuïteit van de rechtsbedeling te verzekeren door voor zowel burgerlijke als strafzaken: - de organisatie aan te passen van de hoven en rechtbanken en andere rechterlijke instanties, met inbegrip van het openbaar ministerie, de andere organen van de rechterlijke macht, de gerechtsdeurwaarders, de gerechtsdeskundigen, de vertalers, tolken, vertalers-tolken, de notarissen en gerechtsmandatarissen; - de organisatie van de bevoegdheid en de rechtspleging aan te passen, met inbegrip van de bij de wet bepaalde termijnen; - de regels aan te passen inzake de procedure en de nadere regels voor de voorlopige hechtenis en voor de uitvoering van straffen en maatregelen.
  10. Artikel 3, 1°, COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 bepaalt dat voor een termijn gelijk aan de in artikel 1, eerste en derde lid, bedoelde periode, aangevuld met een maand, de verjaringstermijnen van de strafvordering voorzien voor de misdrijven van het Strafwetboek en voor de misdrijven van de bijzondere wetten worden geschorst. Volgens artikel 1, eerste lid, COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 zijn de in dit besluit voorziene maatregelen van toepassing gedurende de periode van 18 maart 2020 tot en met 17 juni
  11. Artikel 23 COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 bepaalt dat het besluit in werking treedt op de dag van publicatie ervan. Het besluit werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 9 april
  12. Uit de samenlezing van deze bepalingen volgt dat er schorsing is van de verjaring van de strafvordering in de zin van artikel 24, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering tijdens de in de artikelen 1 en 3, 1°, COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 bedoelde periode. Aangezien de wetgever op grond van artikel 5, § 1, 6°, en 7°, COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020 de Koning heeft gemachtigd tot het invoeren van een schorsingsgrond voor de verjaring van de strafvordering en de Koning met de artikelen 1 en 3, 1°, COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 van die machtiging heeft gebruik gemaakt, moet dit koninklijk besluit worden beschouwd als een wet in de zin van artikel 24, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.
  13. De omstandigheid dat de wetgever in de COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020 heeft bepaald dat hij de op grond ervan uitgevaardigde koninklijke besluiten moet bekrachtigen binnen het jaar na hun inwerkingtreding en dat zij ingeval van niet-bekrachtiging worden geacht nooit uitwerking te hebben gehad, belet niet dat de rechter deze koninklijke besluiten vanaf hun inwerkingtreding moet toepassen, behoudens artikel 159 Grondwet zich daartegen zou verzetten. Oordelen dat de rechter deze besluiten slechts zou mogen toepassen vanaf hun bekrachtiging door de wetgever, zou aan het stelsel van een machtigingswet zijn zin ontnemen.
  14. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  15. Het aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheden. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  16. Het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag is voor het Hof slechts ontvankelijk indien de vraag verband houdt met een grief die wordt aangevoerd tegen de bestreden beslissing. De voorgestelde prejudiciële vraag houdt geen verband met de middels het tweede middel van de eiser I aangevoerde grief dat er slechts schorsing van de verjaring van de strafvordering kan zijn in de zin van artikel 24, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering op het ogenblik dat het COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 bij wet is bekrachtigd, maar heeft betrekking op de grief dat de met de COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020 aan de Koning verleende machtiging strijdig is met de Grondwet. De prejudiciële vraag wordt niet gesteld. Derde middel
  17. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: de motivering van het arrest III is tegenstrijdig, minstens onvolledig; enerzijds oordeelt het dat de telefoniegegevens geen bewijsmiddelen uitmaken waarop de beslissing over de schuld of onschuld is gesteund; anderzijds verwijst het voor de schuldigverklaring van de eiser I naar afgeluisterde gesprekken.
  18. Het is niet tegenstrijdig te oordelen, eensdeels, dat de telefoniegegevens op zich geen bewijsmiddelen uitmaken waarop het hof van beroep zijn oordeel over de schuld of onschuld van de beklaagden steunt, maar dat deze gegevens de onderzoekers op het spoor van de beklaagden hebben gebracht, waarna zij andere bewijsmiddelen tegen de beklaagden hebben ingezameld, en, anderdeels, dat uit de afgeluisterde gesprekken op de dag van het lossen van de container te Meldert, blijkt dat de eiser I telefonisch instructies gaf aan de eiser III over de betaling van de transporteur. Uit het geheel van de redenen van het arrest III blijkt immers dat met de telefoniegegevens niet de afgeluisterde telefoongesprekken zijn bedoeld, maar de telecomgegevens die bij de telecomoperatoren zijn verkregen en die het mogelijk hebben gemaakt om de telefoongesprekken af te luisteren. Het middel mist feitelijke grondslag. Vierde middel
  19. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest III beantwoordt niet of onvolledig het in de appelconclusie van de eiser I gevoerde verweer met betrekking tot het intentioneel element vereist voor de telastlegging A, namelijk dat hij aanvankelijk geen kennis had van de inhoud van de container en dat hij, eens hij die wel had, verschillende instanties daarover heeft geïnformeerd.
  20. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser I de verschillende in het middel bedoelde argumenten voor de appelrechters heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn verweer dat hij de feiten van de telastlegging A niet heeft gepleegd en hij geen kennis had van de misdrijven die door de andere beklaagden werden gepleegd.
  21. Het arrest oordeelt als volgt: - de eiser I betwist niet dat hij bij het binnensmokkelen van de container betrokken was, maar voert aan dat hij aanvankelijk niet wist dat het om een partij cocaïne ging en dat hij, zodra hij dat vernam, er niet meer wilde aan deelnemen, zelf naar de politie is gestapt en enkel nog het spel heeft meegespeeld met de andere beklaagden, om geen argwaan te wekken; - de eiser I blijft volhouden dat hij niet op de hoogte was van de aard van de gesmokkelde waren en dat hij, toen hij door had dat het om cocaïne ging, zelf naar de rederij heeft gefaxt dat de lading zou worden geweigerd; - dat verweer kan niet worden aangenomen; - uit de afgeluisterde gesprekken op de dag van het lossen van de container te Meldert, blijkt dat de eiser I telefonisch instructies gaf aan de eiser III over de betaling van de transporteur; - het is ook de eiser I die, samen met de eiser II, kort voor de aankomst van de containers P.V. was gaan opzoeken om erop aan te dringen dat hij zijn contacten in de haven zou aanspreken om de container te kunnen uithalen; - dit blijkt uit de verklaringen en de confrontatie tussen de eiser I en P.V.; - bij de huiszoeking in de woning van de eiser I zijn verschillende documenten in verband met het drugtransport gevonden, zoals het e-mailadres van de bestemmeling in Nederland van de container en een document van de Amerikaanse douane, waarin wordt gewaarschuwd dat de Panamese firma die de opdracht voor het transport van de containers had gegeven gekend is voor drugtransport; - het is volstrekt ongeloofwaardig dat de eiser I dergelijke positie in de vereniging innam - waarbij hij instructies gaf voor betalingen die moesten verricht worden de documenten bezat in verband met zowel de opdrachtgever van het transport in Panama als de eindbestemmeling in Nederland - zonder te weten welke illegale goederen in de containers zouden worden gesmokkeld. Met die redenen beantwoordt en verwerpt het arrest III het in het middel bedoelde verweer in zijn geheel. Het middel mist feitelijke grondslag. Vijfde middel
  22. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: door niet in te gaan op het verzoek van de eiser I het volledige dossier van het Franse gerecht te voegen bij het voorliggend dossier, wordt de eiser I de mogelijkheid ontnomen de bewijsvergaring in Frankrijk te toetsen aan het Franse recht en wordt zijn recht op een eerlijk proces miskend; bovendien heeft de getuige P.V. ter rechtszitting verklaard opdracht te hebben gekregen en in opdracht te hebben gehandeld, waardoor de eventuele mogelijkheid van het bestaan van onregelmatigheden voldoende aannemelijk wordt gemaakt.
  23. Indien elementen uit een buitenlands strafdossier zijn gevoegd bij een Belgisch strafdossier en een beklaagde voorhoudt dat hij de regelmatigheid wil onderzoeken van de bewijsgaring in het buitenlands strafdossier en dat daartoe de integrale voeging noodzakelijk is van dit buitenlands strafdossier, staat het aan de rechter te oordelen of in het licht van de omstandigheden van de zaak die integrale voeging noodzakelijk is ter vrijwaring van het recht op een eerlijk proces van die beklaagde in zijn geheel beschouwd.
  24. Bij die beoordeling kan de rechter ermee rekening houden dat de beklaagde zijn aanvoering dat de bewijsgaring in het buitenlands strafdossier niet regelmatig is verlopen niet enigszins aannemelijk maakt en dat de informatie uit het buitenlands strafdossier door de Belgische rechter niet wordt aangewend als autonome bewijsgegevens, maar enkel als inlichtingen die hebben toegelaten het onderzoek in een bepaalde richting te oriënteren. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  25. Het arrest III oordeelt als volgt: - de enkele omstandigheid dat een buitenlandse politiedienst aan de Belgische gerechtelijke autoriteiten gegevens uit een buitenlands strafonderzoek ter kennis brengt die in België worden aangewend als inlichting om een strafonderzoek op te starten en binnen dat kader autonome bewijzen te verzamelen, verleent aan de eiser I niet het recht het buitenlandse strafonderzoek aan een regelmatigheidscontrole te onderwerpen; - in deze hebben de door de Franse autoriteiten verstrekte inlichtingen ertoe geleid dat in België een gerechtelijk onderzoek is ingesteld, waarbij autonome bewijzen zijn ingezameld, waarop de appelrechters hun oordeel over de schuld van de beklaagden steunen; - de beklaagden maken overigens niet aannemelijk dat de ter kennis gebrachte gegevens in Frankrijk op een onregelmatige wijze zouden zijn verkregen; - er is bij de vaststelling van de douane in de haven van Le Havre geen sprake van een burgerinfiltrant die de informatie aan de Franse douane of politie zou hebben doorgespeeld; - ook in de weergave door de Belgische politie van de inlichtingen die zij hebben ontvangen middels de stukken uit het Franse dossier die werden overgemaakt en in de officiële aangifte van het Franse openbaar ministerie aan België is er geen aanwijzing dat er informatie over de lading drugs werd verkregen van een burgerinfiltrant; - het feit dat de getuige P.V., beklaagde in eerste aanleg, maar vrijgesproken, voor het hof van beroep onder eed heeft verklaard dat hij werkte voor de Franse douane, doet daaraan niets af; - zoals blijkt uit wat hieronder wordt uiteengezet, mist de getuigenis van P.V. op dit punt elke geloofwaardigheid; - het is ook niet dienstig om na te gaan welk gevolg werd gegeven aan het Franse dossier. Op grond van die redenen kan het arrest III wettig oordelen dat het recht op een eerlijk proces van de eiser I niet de voeging vereist van het integrale Franse strafdossier. In zoverre kan middel niet worden aangenomen. Middelen van de eiser II Eerste middel Eerste onderdeel
  26. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 22 Taalwet Gerechtszaken: het strafdossier bevat verschillende stukken die in de Franse taal zijn gesteld; het arrest III oordeelt ten onrechte dat over de vraag van de eiser I om de vertaling naar het Nederlands te bevelen van die stukken die zijn opgesteld door de Franse douanediensten geen uitspraak kan worden gedaan omdat het niet tot de saisine van het appelgerecht behoort nu daartegen geen hoger beroep is ingesteld; krachtens artikel 22 Taalwet Gerechtszaken kan immers ook in hoger beroep om de vertaling van stukken worden gevraagd; artikel 6 EVRM vereist niet dat hoger beroep is ingesteld tegen een afwijzende beslissing op een vraag tot vertaling van stukken.
  27. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser II voor het appelgerecht om de vertaling van stukken heeft gevraagd. Een miskenning van de uitoefening van dit recht, dat verband houdt met de taalkennis van een partij en dus persoonsgebonden is, kan niet voor het eerst voor het Hof worden aangevoerd. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  28. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 11 en 40 Taalwet Gerechtszaken: hoewel daartoe krachtens artikel 40 Taalwet Gerechtszaken verplicht, stelt het arrest III niet vast dat artikel 11 Taalwet Gerechtszaken is geschonden doordat de processen-verbaal van het Franse dossier waarop het arrest zich baseert in de Franse taal zijn gesteld.
  29. Artikel 11 Taalwet Gerechtszaken is niet van toepassing op processen-verbaal opgesteld door buitenlandse opsporingsambtenaren. Het onderdeel dat geheel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
  30. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, alsmede miskenning van het non bis in idem-beginsel: het arrest III keert de bewijslast betreffende dit beginsel om; de eiser II verzocht om de voeging van het Franse strafdossier teneinde na te gaan of hij niet reeds werd veroordeeld voor dezelfde feiten zonder zijn medeweten; het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser II zelf het best is geplaatst om te weten of er al dan niet een dergelijke beslissing met kracht van gewijsde bestaat; door dan verder te oordelen dat geen van de beklaagden een aanwijzing in die zin bijbrengt, keert het arrest de bewijslast onwettig om.
  31. Uit de in het middel vermelde verdragsbepalingen en het vermelde algemeen rechtsbeginsel volgt niet dat de rechter verplicht is in te gaan op het verzoek van een beklaagde tot voeging van een buitenlands strafdossier omdat daaruit een definitieve buitenlandse veroordeling zou kunnen blijken wegens dezelfde feiten als die waarmee de rechter is gelast. De rechter mag van een beklaagde verlangen dat hij zijn bewering op dit punt enigszins aannemelijk maakt en een verzoek tot voeging dat is gesteund op een loutere bewering verwerpen. Dit levert geen onwettige omkering van de bewijslast op. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  32. Het arrest verwerpt de voeging van het Franse strafdossier onder meer op grond van de volgende redenen: - het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem strekt ertoe te vermijden dat een persoon twee straffen van dezelfde aard krijgt voor dezelfde gedraging; - de eiser II is het best geplaatst om te weten of hij al dan niet door een beslissing van een strafrechter in Frankrijk, die kracht van gewijsde heeft, werd veroordeeld wegens drugtrafiek die het voorwerp is van de strafvervolging in België; - de eiser II brengt geen aanwijzing in die richting bij. Met die redenen verantwoordt het arrest III de afwijzing van het verzoek van de eiser II tot voeging van het Franse strafdossier naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  33. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 30 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het arrest III neemt geen standpunt in betreffende de aangevoerde provocatie bestaande in het inschakelen door de Franse douane van P.V. om contact te leggen met de eiser III, meer bepaald om hem duidelijk te maken dat hij een manier had om containers ongecontroleerd te laten passeren in de haven; het beantwoordt dit verweer ook niet.
  34. Het arrest III oordeelt als volgt: - het verweer dat de feiten aan het licht zijn gekomen door het gebruik van een burgerinfiltrant kan niet worden aangenomen; - ook het verweer dat P.V. zelf het initiatief zou hebben genomen en de drugsmokkel zou hebben uitgelokt, mist geloofwaardigheid en wordt verworpen. Met die redenen neemt het arrest III betreffende het door het middel bedoelde verweer wel standpunt in en beantwoordt en verwerpt het dit verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Vierde middel
  35. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting en het persoonlijk karakter van de straf: alhoewel enkel de eiser II de overschrijding van de redelijke termijn heeft aangevoerd en daarom heeft gevraagd hem slechts eenvoudig schuldig te verklaren, oordeelt het arrest III op collectieve wijze, zonder motivering, dat de overschrijding van de redelijke termijn voor geen van de beklaagden kan leiden tot een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring; het arrest III beantwoordt aldus niet eisers argumenten die hem persoonlijk betreffen. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 21ter, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het arrest III beantwoordt niet eisers verweer dat zijn eenvoudige schuldigverklaring is verantwoord doordat een veroordeling gevolgen heeft voor zijn actueel strafuitvoeringstraject.
  36. Of de redelijke termijn is overschreden moet in elke zaak afzonderlijk worden beoordeeld volgens de feitelijke gegevens eigen aan de zaak zelf en volgens de criteria van de complexiteit van de zaak, de houding van de gerechtelijke overheden, de houding van de betrokkene en het belang dat de zaak heeft voor die betrokkene.
  37. De omstandigheid dat slechts een van de beklaagden aanvoert dat de redelijke termijn van de strafvordering is overschreden en op grond daarvan vraagt hem eenvoudig schuldig te verklaren, belet de rechter niet om die overschrijding en de gevolgen ervan voor alle beklaagden te beoordelen aan de hand van elementen die op hen allen van toepassing zijn en daarmee bij de straftoemeting rekening te houden. Dit houdt geen miskenning in van het persoonlijk karakter van de straf.
  38. De rechter dient niet elk argument te beantwoorden dat een beklaagde heeft aangevoerd om ter remediëring van de overschrijving van de redelijke termijn hem slechts eenvoudig schuldig te verklaren. Bij de verwerping van dit verzoek kunnen ook de redenen worden betrokken die de rechter, welke een redelijketermijnoverschrijding heeft vastgesteld, vermeldt betreffende de straftoemeting.
  39. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  40. Het arrest III (p. 27) oordeelt dat, na te hebben vastgesteld dat de eiser II de overschrijding van de redelijke termijn heeft aangevoerd en na met redenen te hebben vastgesteld dat door de duurtijd van de procedure in hoger beroep van zesenhalf jaar de redelijke termijn is miskend, bij het bepalen van de strafmaat in het voordeel van de beklaagden rekening wordt gehouden met die overschrijding. Het oordeelt verder (p. 29) dat zonder de overschrijding van de redelijke termijn de door de eerste rechter uitgesproken gevangenisstraffen, gelet op de rol die elk van de beklaagden had in de feiten en de staat van herhaling van de eisers II en III, wettig en gepast zijn, de geldboeten gepast en noodzakelijk zijn om de drang naar illegaal geldgewin van de beklaagden te beteugelen en de overschrijding van de redelijke termijn voor geen van de beklaagden van die aard is dat enkel een eenvoudige schuldigverklaring kan worden uitgesproken. Aldus beantwoordt het arrest III het door het middel in zijn beide onderdelen bedoelde verweer, zonder dat het diende te antwoorden op elk argument dat tot staving van dit verweer werd aangevoerd, maar zelf geen afzonderlijk verweer vormde. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vijfde middel Eerste onderdeel
  41. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het arrest III beantwoordt niet eisers verweer dat de in het COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 bepaalde schorsingsgrond van de verjaring van de strafvordering niet kan worden toegepast omdat dit koninklijk besluit geen wet is in de zin van artikel 24, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.
  42. Met het oordeel (arrest p. 13) dat het COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 zijn rechtsgrond vindt in de COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020 beantwoordt en verwerpt het arrest III ook het in het onderdeel vermelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  43. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, de artikelen 21 en 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 7 COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020: het arrest III maakt toepassing van de in het COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 bepaalde schorsingsgrond van de verjaring van de strafvordering, vooraleer dat koninklijk besluit is bekrachtigd bij wet, overeenkomstig artikel 7 COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020; op het ogenblik van het indienen van de memorie is het COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 nog steeds niet bij wet bekrachtigd; het arrest weigert in te gaan op het verzoek van de eiser II de strafprocedure op te schorten tot hierover duidelijkheid is; door vast te stellen dat de eiser II verzocht de toepassing van COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 op te schorten, terwijl hij de opschorting van de strafprocedure heeft gevraagd, miskent het arrest de bewijskracht van eisers aanvullende conclusie van 26 oktober
  44. Met het oordeel "In tegenstelling tot wat [de eiser II] lijkt aan te nemen, is de inwerkingtreding van het KB evenwel niet geschorst in afwachting van zijn bekrachtiging bij wet. Het is precies om snel en effectief te reageren op de COVID-19-pandemie en om de gevolgen ervan op te vangen, dat de wet de Koning heeft gemachtigd de maatregelen te nemen. Elke doeltreffendheid zou aan deze maatregelen worden ontnomen indien deze zouden worden geschorst tot aan de bekrachtiging bij wet", schrijft het arrest III aan de appelconclusie van de eiser II geen verklaringen toe welke die conclusie niet bevat, maar beoordeelt het wel de gevolgen van het in die conclusie ontwikkelde standpunt van de eiser II. Dit houdt geen miskenning in van de bewijskracht van die conclusie. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  45. Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het tweede middel van de eiser I en is het om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen te verwerpen. Derde onderdeel
  46. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 21 en 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 7 COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020: het arrest III beslist ten onrechte om de bekrachtiging van het COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 niet af te wachten, aangezien het vaststelt dat de strafvordering verjaard zou zijn op 18 oktober 2020 indien de in het COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 bepaalde schorsingsgrond niet zou worden toegepast; door de bekrachtiging van dat koninklijk besluit niet af te wachten schendt het arrest artikel 7 COVID II- Machtigingswet van 27 maart 2020; door deze schorsing ook toe te passen op de voorliggende zaak terwijl de procedure voor het appelgerecht geen invloed heeft ondervonden van de coronacrisis, miskent het arrest III het rechtszekerheids- en het gelijkheidsbeginsel; het arrest laat verder ten onrechte na aan het Grondwettelijk Hof de voorgestelde prejudiciële vraag te stellen betreffende de ruime bevoegdheid die de wetgever aan de Koning heeft gegeven. Aan het Grondwettelijk Hof dient de volgende prejudiciële vraag te worden gesteld "Schenden artikel 5, § 1, 6° en, 7° van de wet van 26 maart 2020 dat machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus Covid-19 de beginselen van behoorlijke regelgeving en meer bepaald het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel in samenhang gelezen met de artikelen 12, lid 2 en 105 van de Grondwet in die zin dat middels desbetreffende wetsbepaling een dermate ruime bevoegdheid wordt verleend aan de Koning om aanpassingen door te voeren in de strafrechtspleging terwijl de toegekende machten nauwkeurig omschreven dienen te zijn, zowel wat betreft de doeleinden en de oogmerken als de aangelegenheden waarin maatregelen getroffen kunnen worden en aldus een aanpassing aan de strafprocedure onnauwkeurig de toegekende machten omschrijft?"
  47. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het tweede middel van de eiser I moet het om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen worden verworpen.
  48. Artikel 12, tweede lid, Grondwet bepaalt dat niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft.
  49. Het legaliteitsbeginsel in strafzaken dat in deze grondwetsbepaling is vervat, is een grondrecht dat op geheel of gedeeltelijk analoge wijze wordt gewaarborgd door de artikelen 7.1 EVRM en artikel 15.1 IVBPR.
  50. De wetgever kan in omstandigheden die het beroep op bijzondere machten rechtvaardigen de regeling van een aan de wetgever voorbehouden aangelegenheid aan de Koning opdragen. Daartoe is in ieder geval vereist dat de wetgever die machtiging uitdrukkelijk verleent en dat de met toepassing van die machtiging genomen besluiten binnen een redelijke termijn ter bekrachtiging worden voorgelegd aan de wetgever.
  51. Het legaliteitsbeginsel gaat in strafzaken niet zover dat het de wetgever ertoe zou verplichten elk aspect van de vervolging zelf te regelen. Vereist is evenwel dat de bijzondere eisen ter zake van nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid waaraan de strafwetten moeten voldoen, niet worden miskend.
  52. In het antwoord op het tweede middel van de eiser I is uiteengezet onder welke voorwaarden de wetgever de Koning heeft gemachtigd maatregelen te nemen om de bij of krachtens de wet bepaalde termijnen te schorsen of te verlengen. Die machtiging is voldoende duidelijk en nauwkeurig en voldoet aan de vereiste dat de uitvoeringsbesluiten ervan binnen een vastgestelde redelijke termijn worden bekrachtigd. Ze schendt dan ook klaarblijkelijk artikel 12 Grondwet niet.
  53. De met artikelen 1, eerste lid en 3, 1°, COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 ingevoerde schorsingsregeling van de verjaring van de strafvordering valt binnen de door de wetgever verleende machtiging aan de Koning. Zij is in beginsel van toepassing op alle strafvorderingen die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze bepalingen nog niet waren vervallen. Een dergelijke regeling miskent het rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel niet.
  54. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  55. Met de redenen die het arrest III (p. 14-15) bevat, verantwoordt het naar recht de beslissing om de voorgestelde prejudiciële vraag niet te stellen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  56. Gelet op de op het onderdeel gegeven antwoorden, moet de voorgestelde prejudiciële vraag niet worden gesteld. Zesde middel
  57. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: de motivering van het arrest III is tegenstrijdig, enerzijds oordeelt het dat de telefoniegegevens geen bewijsmiddelen uitmaken waarop de beslissing over de schuld of onschuld is gesteund, anderzijds verwijst het voor de schuldigverklaring van de eiser II naar het voortdurend telefonisch contact tussen de eisers II en III.
  58. Het middel heeft dezelfde strekking als het derde middel van de eiser I en is om de in het antwoord op dat middel gegeven redenen te verwerpen. Zevende middel
  59. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 187 Wetboek van Strafvordering en artikel 2bis, § 3, b), Drugwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het arrest III laat na de verzwarende omstandigheid dat het misdrijf de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid is van een vereniging te motiveren; het motiveert niet waarom die omstandigheid voor de eiser II is bewezen; de rechter dient daartoe minstens de voornaamste redenen op te geven; het arrest kan niet verwijzen naar het verstekvonnis omdat dat verstekvonnis door het ontvankelijk verklaren van het verzet onbestaande is.
  60. Uit artikel 149 Grondwet volgt voor de rechter wat betreft de beslissing over de schuld enkel de verplichting de schuld van een beklaagde aan de hem ten laste gelegde feiten vast te stellen en te antwoorden op regelmatig voor hem genomen conclusies. Uit die grondwetsbepaling volgt niet dat de rechter de voornaamste redenen voor de schuldigverklaring moet opgeven. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  61. De omstandigheidheid dat een verstekvonnis door de ontvankelijkverklaring van het er tegen gerichte verzet voor niet-bestaande wordt gehouden, belet niet dat de rechter in hoger beroep de redenen van dat vonnis kan overnemen en in zijn oordeel betrekken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  62. De appelrechters sluiten zich aan bij de redenen op de pagina's 19-20 onder de titel "C. Gegrondheid van de strafvordering" van het verstekvonnis van 2 april 2014 en specifiek wat de eiser II betreft bij de redenen op pagina 4 van het vonnis op verzet van 26 juni 2014 en maken die redenen tot de hunne (arrest III, p. 26-27). Aldus oordelen de appelrechters dat zeer duidelijk is dat de eisers I, II en III een centrale voortrekkersrol speelden, er niet kan worden betwist dat zij een goed georganiseerde vereniging vormden die erop gericht was de druginvoer te realiseren, dat de eiser II van bij aanvang betrokken was bij het drugtransport en hij een leidende coördinerende rol had inzake de operatie, wat onder meer blijkt uit de afgeluisterde telefoongesprekken en zijn contacten met Panama. Met die redenen stelt het arrest III de bedoelde verzwarende omstandigheid vast en vermeldt het de voornaamste redenen voor de bewezenverklaring ervan. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middelen van de eiser III Eerste middel
  63. Het middel voert schending aan van de artikelen 21 en 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 7 COVID II-Machtigingswet van 27 maart 2020: de appelrechters stellen ten onrechte de verjaring van de strafvordering niet vast; het arrest III neemt daarbij ten onrechte de in het COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 bepaalde schorsingsgrond van de verjaring in aanmerking; dit koninklijk besluit is geen wet en is ook niet bekrachtigd overeenkomstig de COVID II-Machtigingswet van 27 maart
  64. Er wordt gevraagd aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Schendt het artikel 5, § 1, 7° van de wet van 26 maart 2020 dat machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus Covid-19 de beginselen van behoorlijke regelgeving en meer bepaald het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel in samenhang gelezen met de artikelen 12, lid 2 en 105 van de Grondwet in die zin dat middels desbetreffende wetsbepaling een dermate ruime bevoegdheid wordt verleend aan de Koning om aanpassingen door te voeren in de strafrechtspleging terwijl de toegekende machten nauwkeurig omschreven dienen te zijn, zowel wat betreft de doeleinden en de oogmerken als de aangelegenheden waarin maatregelen getroffen kunnen worden en aldus een aanpassing aan de strafprocedure onnauwkeurig de toegekende machten omschrijft?"
  65. Het middel heeft dezelfde strekking als het vijfde middel van de eiser II en moet om de in het antwoord op dat middel gegeven redenen worden verworpen.
  66. De prejudiciële vraag wordt om de daar vermelde redenen niet gesteld. Tweede middel
  67. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het recht op een eerlijk proces: het arrest gaat ten onrechte niet in op het verzoek van de eiser III het volledige Franse strafdossier bij te brengen; dat verzoek is ingediend om na te gaan of het bewijs waarop ook het arrest is gesteund, regelmatig is verkregen.
  68. Het middel heeft dezelfde strekking als het vijfde middel van de eiser I en moet om de in het antwoord op dat middel gegeven redenen worden verworpen. Derde middel
  69. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 189ter Wetboek van Strafvordering: het arrest weigert in te gaan op het verzoek van de eiser III om de zaak te verzenden naar de kamer van inbeschuldigingstelling voor een BOM-controle; een getuige heeft onder eed verklaard dat hij een burgerinfiltrant is en de vervolging van de eiser III voor de Belgische hoven en rechtbanken vindt haar grondslag in een Frans onderzoek; de motivering van het arrest III is wat betreft de beide beslissingen waardeloos en laat het Hof niet toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen; de appelrechters die de inhoud niet kennen van het Frans strafdossier kunnen immers niet vaststellen of de getuige een burgerinfiltrant was, noch of op basis van diens handelen de zaak aanhangig werd gemaakt in België; het arrest III is tegenstrijdig gemotiveerd door enerzijds voor te houden dat de BOM-controle niet dient te worden uitgevoerd omdat die handelt over een buitenlands onderzoek, waarin een burgerinfiltrant van Belgische nationaliteit betrokken is, maar anderzijds vaststelt dat het niet zeker is dat er gebruik is gemaakt van een burgerinfiltrant, waardoor de appelrechters zich indirect uitspreken over de inhoud van een Frans dossier waarvan zij de inhoud niet kennen.
  70. Het arrest III (p. 15-16) oordeelt als volgt: - de kamer van inbeschuldigingstelling heeft in deze op vordering van het openbaar ministerie de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethoden onderzocht en met zijn arrest van 17 oktober 2011 vastgesteld dat de aangewende bijzondere opsporingsmethoden door geen enkele onregelmatigheid aangetast zijn; - er is geen enkele reden om aan te nemen dat het openbaar ministerie bij de controle die het voor de regeling van de rechtspleging heeft gelast, gegevens zou hebben achtergehouden, die niet aan de kamer van inbeschuldigingstelling zouden zijn voorgelegd; - er zijn na die controle ook geen concrete gegevens aan het licht gekomen, die het hof van beroep ertoe zouden nopen om thans overeenkomstig artikel 189ter Wetboek van Strafvordering een nieuwe controle door de kamer van inbeschuldigingstelling te gelasten; - in zoverre de eisers bedoelen dat hetgeen de getuige P.V. voor het hof van beroep heeft verklaard, namelijk dat hij als burgerinfiltrant zou hebben gewerkt voor de Franse douane, toch dergelijk nieuw gegeven zou opleveren, merkt het hof van beroep op dat dit hoe dan ook geen aanleiding kan geven tot een controle door de kamer van inbeschuldigingstelling; - de controle overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering heeft immers enkel betrekking op de daarin opgesomde bijzondere opsporingsmethoden, die in een Belgisch strafonderzoek door de Belgische autoriteiten zijn aangewend; - de kamer van inbeschuldigingstelling is niet bevoegd om in het kader van die controle ook de regelmatigheid te controleren van opsporingshandelingen die in een ander strafdossier in het buitenland door het buitenlands gerecht of de buitenlandse administratie zijn aangewend; - verder is de getuigenis van P.V. voor het hof van beroep volstrekt ongeloofwaardig en is het niet aannemelijk dat in deze zaak gebruik werd gemaakt van een burgerinfiltrant. Die redenen, waarmee het arrest III het in het middel bedoelde verzoek afwijst, laten de eiser III toe die beslissing te begrijpen en laten het Hof toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  71. De in het middel vermelde redenen zijn niet tegenstrijdig. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Vierde middel
  72. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 22 Taalwet Gerechtszaken: het arrest beantwoordt niet eisers verzoek om bepaalde stukken van het strafdossier te vertalen, maar oordeelt enkel dat het hof van beroep geen rechtsmacht heeft om over dat verzoek te oordelen.
  73. Het arrest oordeelt als volgt: - de eiser I vraagt dat het hof van beroep de vertaling naar het Nederlands zou bevelen van de in het Frans gestelde stukken van het strafdossier; - dat verzoek is in eerste aanleg afgewezen met het tussenvonnis van 8 januari 2014; - tegen dit tussenvonnis is geen hoger beroep ingesteld, zodat het hof van beroep geen rechtsmacht heeft om opnieuw het verzoek tot vertaling van stukken te beoordelen. Met die redenen beantwoordt het arrest ook het in het middel bedoelde verzoek van de eiser III. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  74. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoepen. Bepaalt de kosten in het geheel op 286,62 euro, waarvan de eiser I 79,04 euro is verschuldigd en de eiser II en III elk 103,79 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 13 april 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211019.2N.12 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.