← België

PROCUREUR DES KONINGS TE TONGEREN contra G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021

Art. 203

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 205

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Politierechtbank - Instellen van hoger beroep door een parketjurist - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 162, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek

Art. 203

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 205

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Uitoefening van de strafvordering - Politierechtbank - Delegatie van bevoegdheden van de korpschef aan een parketjurist - Instellen van hoger beroep - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 162, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek

Art. 203

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 205

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Annotaties Publicaties: Juristenkrant-De Juristenkrant - 2021, nr. 428,p.

  1. - VASSEUR, Roeland; Noot'Parketjurist kan geen hoger beroep aantekenen in strafzaken' Tekst van de beslissing Nr. P.21.0006.N PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LIMBURG, afdeling Tongeren, eiser, tegen M. F. M. G., beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Tongeren, van 2 december
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 23 februari 2021 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht en de vermelde advocaat-generaal heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 12 Grondwet, artikel 162, § 2, derde en vierde lid, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 174, tweede lid, 202, 5°, en 203, § 1, Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis heeft ten onrechte het door een parketjurist ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de politierechtbank onontvankelijk verklaard; in het derde lid van artikel 162, § 2, Gerechtelijk Wetboek is bepaald dat de korpschef alle bevoegdheden van het openbaar ministerie kan toekennen aan de aangewezen vastbenoemde parketjuristen; het vierde lid expliciteert dat deze parketjuristen de strafvordering voor de politierechtbanken kunnen uitoefenen, behoudens wat betreft de inbreuken op artikel 419 Strafwetboek; in het vijfde lid worden uitdrukkelijk de bevoegdheden vermeld die worden uitgesloten; het aantekenen van hoger beroep overeenkomstig de artikelen 174, tweede lid, en 203, § 1, Wetboek van Strafvordering door het openbaar ministerie bij de politierechtbank valt onder het begrip het uitoefenen van de strafvordering voor de politierechtbank en is bovendien niet vermeld onder de uitgesloten bevoegdheden; enkel het hoger beroep ingesteld door het openbaar ministerie bij het appelgerecht overeenkomstig de artikelen 174, tweede lid, 202, 4°, en 205 Wetboek van Strafvordering valt onder de uitgesloten bevoegdheden.
  4. Artikel 162, § 2, derde, vierde en vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt: “Bij een met redenen omklede individuele beschikking en na positief advies van de bevoegde procureur-generaal, kan de korpschef de uitoefening van alle bevoegdheden van het openbaar ministerie delen met de bij het parket-generaal, het auditoraat-generaal, het federaal parket, het parket of het arbeidsauditoraat aangewezen vastbenoemde parketjuristen, voor zover deze over een anciënniteit van ten minste twee jaar als jurist binnen de rechterlijke orde beschikken. De in het derde lid bedoelde parketjuristen kunnen de strafvordering voor de politierechtbank uitoefenen, behoudens wat inbreuken op artikel 419, tweede lid, van het Strafwetboek betreft. Uitgesloten zijn: - de bevoegdheid van het uitoefenen van de strafvordering voor de hoven van assisen, voor de kamers voor correctionele zaken van de hoven van beroep en voor de correctionele rechtbanken; - de bevoegdheden van het openbaar ministerie in het kader van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis; - het vorderingsrecht tot het opleggen van maatregelen op grond van als misdrijf omschreven feiten voor de jeugdkamers van de hoven van beroep of de jeugdrechtbank.”
  5. Uit de tekst van dit artikel en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat de uitoefening van de strafvordering door een door de korpschef aangewezen parketmagistraat enkel is toegelaten voor de politierechtbank met uitsluiting van enig ander strafrechtscollege.
  6. Aangezien het hoger beroep tegen een beslissing van de politierechtbank ertoe strekt de strafvordering te laten beoordelen door het appelgerecht en de saisine van het appelgerecht wordt bepaald door de verklaring van hoger beroep en het appelverzoekschrift of appelgrievenformulier, valt het afleggen van een dergelijke verklaring en het indienen van een dergelijk verzoekschrift of grievenformulier niet onder het begrip uitoefening van de strafvordering voor de politierechtbank in de zin van artikel 162, § 2, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek.
  7. Het is daarbij zonder belang of het hoger beroep van het openbaar ministerie is ingesteld overeenkomstig artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering door het openbaar ministerie bij de politierechtbank dan wel door het openbaar ministerie bij het appelgerecht overeenkomstig artikel 205 Wetboek van Strafvordering. De gevolgen van beide hogere beroepen zijn immers identiek.
  8. Een door de korpschef bij toepassing van artikel 162, § 2, derde lid, Gerechtelijk Wetboek aangewezen parketjurist kan dan ook geen hoger beroep instellen tegen een vonnis van de politierechtbank of een appelverzoekschrift of grievenformulier indienen. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Laat de kosten ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten op 32,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 13 april 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210413.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.