id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.3 Rolnummer: P.20.1293.N Zaak: S. contra S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-04-16 Raadplegingen: 988 - laatst gezien 2026-06-19 23:36 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 De rechter oordeelt op onaantastbare wijze in feite of de beklaagde aan een polygraaftest moet worden onderworpen; de loutere omstandigheid dat de door de beklaagde voorgestelde polygraaftest door de rechter niet nodig wordt geacht om de waarheid te achterhalen, houdt geen miskenning in van het vermoeden van onschuld, noch van het recht van verdediging. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Polygraaftest - Noodzaak van de onderzoeksmaatregel voor de waarheidsvinding - Beoordeling Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Bewijs - Polygraaftest - Noodzaak van de onderzoeksmaatregel voor de waarheidsvinding - Toepassing Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Bewijs - Polygraaftest - Noodzaak van de onderzoeksmaatregel voor de waarheidsvinding - Beoordeling Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Bewijs - Polygraaftest - Noodzaak van de onderzoeksmaatregel voor de waarheidsvinding - Beoordeling Tekst van de beslissing Nr. P.20.1293.N V. O. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg, tegen
- A. S., burgerlijke partij,
- A. D., burgerlijke partij, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 25 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweersters, zoals vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen de beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweersters, is het cassatieberoep van de eiser niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het recht op een eerlijk proces: de appelrechters laten ten onrechte na om ambtshalve het al dan niet overschrijden van de redelijke termijn op te werpen; tussen het eerste verhoor van de eiser en het arrest verstreek immers een periode van twee jaar en negen maanden; bovendien werd de eiser in het beroepen vonnis veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar en formuleerde het openbaar ministerie als beroepsgrief dat de feiten onvoldoende beteugeld waren.
- De rechter oordeelt in beginsel onaantastbaar of de redelijke termijn van de strafvervolging is overschreden. Bij afwezigheid van een daartoe strekkende con¬clusie, dient de rechter de vraag naar de eventuele overschrijding van de redelijke termijn niet ambtshalve op te werpen. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM: met het oordeel dat er geen grond is om ten behoeve van de waarheidsvinding het openbaar ministerie te verzoeken om de eiser te onderwerpen aan de door hem voorgestelde polygraaftest met betrekking tot de telastleggingen A en B, miskent het arrest het vermoeden van onschuld en eisers recht van verdediging; de eiser werd tijdens het vooronderzoek onderworpen aan een polygraaftest met betrekking tot de telastleggingen C en D, die als resultaat "geen leugenachtige reacties" vermeldde, zodat hij ook de kans moet krijgen om door middel van een polygraaftest over de telastleggingen A en B zijn onschuld te bewijzen.
- De rechter oordeelt op een onaantastbare wijze in feite of de beklaagde aan een polygraaftest moet worden onderworpen. De loutere omstandigheid dat de door de beklaagde voorgestelde polygraaftest door de rechter niet nodig wordt geacht om de waarheid te achterhalen, houdt geen miskenning in van het vermoeden van onschuld, noch van het recht van verdediging. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten en is het niet ontvankelijk. Onmiddellijke aanhouding
- Ingevolge de verwerping van het cassatieberoep verkrijgt de beslissing op de strafvordering kracht van gewijsde. In zoverre eisers cassatieberoep ook gericht is tegen de beslissing over zijn onmiddellijke aanhouding, heeft het geen bestaansreden meer. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 13 april 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div