← België

I. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Vrije woorden: Eendaadse samenloop - Opleggen van alleen de zwaarste straf voor het geheel van feiten in eerste aanleg - Opsplitsing van feiten door het rechtscollege in hoger beroep - Straftoemeting - Geen heropening van het debat - Recht op tegenspraak - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Eendaadse samenloop - Opleggen van alleen de zwaarste straf voor het geheel van feiten in eerste aanleg - Opsplitsing van feiten door het rechtscollege in hoger beroep - Straftoemeting - Geen heropening van het debat - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.

P.20.1301.N

  1. S. I., beklaagde,
  2. S. I., beklaagde,
  3. M. I., beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Walter Damen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2600 Antwerpen (Berchem), Elisabethlaan 122, waar de eisers woonplaats kiezen, de cassatieberoepen van de eisers 1 en 2 tegen
  4. F. V., burgerlijke partij,
  5. PAYOKE vzw, met zetel te 2000 Antwerpen, Leguit 4, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 27 november
  6. De eisers 1 en 2 voeren in afzonderlijke memories die aan dit arrest zijn gehecht, een gelijkluidend middel aan. De eiser 3 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de cassatieberoepen van de eisers 1 en 2 aan de verweerders zijn betekend. In zoverre ook gericht tegen de beslissing op de door de verweerders tegen hen ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen, zijn deze cassatieberoepen niet ontvankelijk. Middel van de eisers 1 en 2
  8. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en het recht op tegenspraak: anders dan de eerste rechter, oordelen de appelrechters dat de feiten van de telastlegging C met een ander oogmerk werden gepleegd dan de feiten van de telastleggingen A en B.1 en spreken zij een strafverzwaring uit door de eisers 1 en 2 elk te veroordelen tot een effectieve gevangenisstraf van vijf jaar voor de telastleggingen A en B.1 en een effectieve gevangenisstraf van twee jaar voor de telastlegging C; de eisers 1 en 2 werden door de appelrechters niet uitgenodigd om zich te verdedigen over het al dan niet aannemen van het bestaan van eenheid van opzet waardoor het oordeel van de appelrechters op dit punt voor hen niet voorzienbaar was.
  9. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van het recht op tegenspraak dat onderscheiden is van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. In zoverre het middel miskenning aanvoert van een algemeen rechtsbeginsel van het recht op tegenspraak, faalt het naar recht.
  10. Artikel 65, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat wanneer eenzelfde feit verscheidene misdrijven oplevert of wanneer verschillende misdrijven die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, gelijktijdig worden voorgelegd aan een zelfde feitenrechter, alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken.
  11. Deze bepaling betreft de straftoemeting en houdt geen verband met de wijziging van de omschrijving van de ten laste gelegde feiten. Noch uit artikel 6 EVRM noch uit de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging volgt dat een appelrechter die overweegt artikel 65, eerste lid, Strafwetboek op een andere wijze toe te passen dan de eerste rechter, het debat moet heropenen om de beklaagde toe te laten ter zake verweer te voeren. De toepassing van deze bepaling behoort noodzakelijkerwijze tot het debat over de straf en de beklaagde moet bij zijn verdediging ermee rekening houden, ook in hoger beroep. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Middel van de eiser 3
  12. Het middel voert miskenning aan van de motiveringsverplichting: het arrest laat na het effectief karakter van de straf en de zware strafmaat te motiveren; het laat ook in het ongewisse of er al dan niet alternatieve bestraffingsmodaliteiten in overweging zijn genomen en of er rekening is gehouden met de sociale toestand van de eiser 3, hoewel die ter zake in zijn conclusie en op de rechtszitting argumenten heeft aangevoerd.
  13. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser 3 concrete gegevens heeft aangevoerd betreffende zijn sociale toestand. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  14. Artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek bepaalt dat de rechter die weigert een door een beklaagde gevraagde werkstraf uit te spreken zijn beslissing met redenen moet omkleden. De weigering een werkstraf op te leggen, kan met redenen omkleed zijn door opgave van de redenen om een andere straf of andere straffen dan de werkstraf op te leggen.
  15. Uit artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter de beslissing die (probatie-)uitstel van tenuitvoerlegging weigert nauwkeurig moet motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn. De rechter kan aan deze motiveringsverplichting ook voldoen door het opleggen van een effectieve straf en die straf te motiveren in overeenstemming met de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering, dit wil zeggen dat de keuze voor die straf en haar maat, als de wetgever die aan de vrije beoordeling van de rechter heeft overgelaten, nauwkeurig wordt gemotiveerd, zij het dat die motivering beknopt mag zijn.
  16. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  17. Het arrest veroordeelt de eiser 3 voor de vermengde feiten van de telastleggingen B.2 en D tot een effectieve hoofdgevangenisstraf en een effectieve geldboete. Het oordeelt op de volgende gronden dat een effectieve bestraffing gepast en geboden is om de eiser 3 tot inkeer te laten komen: de eiser 3 bevindt zich in een toestand van wettelijke herhaling, hij schafte zich op kosten van het slachtoffer een dure smartphone aan, hij liet de verkeersboetes en de minnelijke schikking wegens een drugdelict dat hij beging schaamteloos betalen door het slachtoffer en hij bedreigde zijn 74-jarige buurvrouw die een journaliste te woord stond. Met die redenen is niet alleen de beslissing tot het opleggen van een effectieve bestraffing regelmatig met redenen omkleed, maar ook de niet-inwilliging van het verzoek van de eiser 3 tot het opleggen van een werkstraf en een straf met probatie-uitstel. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten op 51,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 13 april 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211221.2N.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980513.12 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.16 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.