← België

D. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021

Art. 4

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 26

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Regeling van de rechtspleging - Verwijzingsbeschikking - Verjaring van de strafvordering - Gevolg voor de burgerlijke rechtsvordering Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 4

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 26

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Burgerlijke vordering voor de strafrechter Vrije woorden: Klacht met burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter - Verjaring van de strafvordering op moment van de inleidende akte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 4

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 26- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr.

P.20.1020.N

  1. A. D.,
  2. C. D.,
  3. P. D., burgerlijke partijen, eisers, met als raadsman mr. Gerard Soete, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8400 Oostende, Kerkstraat 8, bus 1, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen M. P. D. D., beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 9 september 2020, gewezen op verwijzing bij arrest van het Hof van 14 maart
  4. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  5. Het middel voert schending aan van artikel 63 Wetboek van Strafvordering, artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het contradictoir karakter van de regeling van de rechtspleging voor de onderzoeksgerechten: met het oordeel dat de op de telastlegging A gebaseerde burgerlijke rechtsvorderingen van de eisers niet ontvankelijk zijn omdat de strafzaak aanhangig werd gemaakt bij de vonnisrechter door de verwijzingsbeschikking van de raadkamer van 24 september 2013 terwijl het in de telastlegging A bedoelde misdrijf van valse eed bij een boedelbeschrijving in elk geval verjaard was op 9 oktober 2012, dit is vóór de verwijzingsbeschikking van de raadkamer, verantwoordt het arrest de beslissing niet naar recht; de eisers hebben zich tijdig burgerlijke partij gesteld voor de onderzoeksrechter; de strafrechter diende ingevolge de tijdige stelling als burgerlijke partij voor de onderzoeksrechter hoe dan ook uitspraak te doen over de burgerlijke rechtsvordering, zelfs als het misdrijf op het ogenblik van de verwijzing reeds was verjaard; een latere verjaring van de strafvordering doet immers geen afbreuk aan de tijdig gestelde burgerlijke rechtsvordering; met de verwijzingsbeschikking van 24 september 2013 heeft de raadkamer meerdere feiten naar de correctionele rechtbank verwezen die op dat ogenblik nog niet waren verjaard, zodat de strafrechter ertoe gehouden is uitspraak te doen over de burgerlijke rechtsvorderingen van de eisers, die recht hebben op een integrale vergoeding van hun schade.
  6. Er bestaat in strafzaken geen algemeen rechtsbeginsel van tegenspraak te onderscheiden van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. In zoverre faalt het middel het naar recht.
  7. Artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt onder meer dat de burgerlijke rechtsvordering tezelfdertijd en voor dezelfde rechters kan worden vervolgd als de strafvordering. Volgens artikel 26 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering verjaart de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van schade. Zij kan echter niet verjaren vóór de strafvordering.
  8. Uit die bepalingen volgt dat: - de burgerlijke rechtsvordering slechts samen met een ontvankelijke strafvordering bij de strafrechter aanhangig mag worden gemaakt; - een op een misdrijf gebaseerde burgerlijke rechtsvordering die bij het vonnisgerecht aanhangig wordt gemaakt op een ogenblik dat de strafvordering met betrekking tot dat misdrijf nog niet is verjaard, niet verjaart totdat hierover definitief uitspraak is gedaan, ook al is tijdens de procedure voor het vonnisgerecht de verjaring van de strafvordering ingetreden; - wanneer het vonnisgerecht oordeelt dat de strafvordering op het ogenblik van de verwijzing door het onderzoeksgerecht reeds vervallen was door verjaring, het geen rechtsmacht meer heeft om te oordelen over de burgerlijke rechtsvordering, ook al dateert de burgerlijkepartijstelling van vóór het verval van de strafvordering.
  9. De omstandigheid dat de verjaring van de strafvordering op het ogenblik van de verwijzingsbeschikking van het onderzoeksgerecht door dat laatste gerecht niet werd of nog niet kon worden vastgesteld maar slechts ingevolge de beslissing van het vonnisgerecht is komen vast te staan, doet aan het bovenstaande geen afbreuk.
  10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  11. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eisers op 21 maart 2005 tegen de verweerder klacht met bur-gerlijkepartijstelling bij de onderzoeksrechter hebben ingediend wegens beweerde misdrijven met betrekking tot de vereffening en verdeling van de nalatenschap; - de raadkamer bij beschikking van 24 september 2013 de verweerder naar de correctionele rechtbank heeft verwezen wegens A. meineed bij boedelbeschrijving, gepleegd op 11 oktober 2002, B. valsheid in geschriften, gepleegd op 11 oktober 2002 en C. gebruik van valse stukken, gepleegd in de periode vanaf 11 oktober 2002 tot en met 2 april 2013; - de verweerder bij arrest van 5 juni 2015 door het hof van beroep te Gent werd vrijgesproken voor de telastleggingen A, B en C; - het Hof bij arrest P.15.0915.N van 14 maart 2017 op de cassatieberoepen van de eisers het arrest van 5 juni 2015 heeft vernietigd in zoverre het uitspraak doet over de feiten van de telastlegging A, de cassatieberoepen voor het overige heeft verworpen en de aldus beperkte zaak heeft verwezen naar het hof van beroep te Brussel; - het bestreden arrest op verwijzing oordeelt dat:  enkel moet worden geoordeeld over de burgerlijke rechtsvorderingen van de eisers in zoverre deze zijn gesteund op de in de telastlegging A als misdrijf omschreven feiten;  de feiten van de telastlegging A zich hebben voorgedaan op 11 oktober 2002 en de verjaring van de strafvordering, gelet op de definitieve vrijspraak van de verweerder voor de telastleggingen B en C, vanaf die datum is beginnen te lopen;  er zich geen schorsingsgronden van de verjaring hebben voorgedaan;  de verjaring ten laatste kon worden gestuit op 10 oktober 2007 en de strafvordering in dat geval bereikt was op 9 oktober 2012;  de strafvordering van de telastlegging A reeds verjaard was wanneer zij op 24 september 2013 bij de strafrechter aanhangig werd gemaakt, zodat de bur¬gerlijke rechtsvorderingen van de eisers, die op het feit van de telastlegging A zijn gesteund, niet ontvankelijk zijn.
  12. Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht het oordeel dat de op de telastlegging A gebaseerde burgerlijke rechtsvorderingen van de eisers niet ontvankelijk zijn. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 39,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 13 april 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230117.2N.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950307.14 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071113.1 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100928.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160323.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160907.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260317.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.