← België

C. contra Gemeente Nijlen

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.15 Rolnummer: P.20.1327.N Zaak: C. contra Gemeente Nijlen Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-27 Raadplegingen: 422 - laatst gezien 2026-06-19 23:37 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het tussentijds opslaan van afvalstoffen heeft niet alleen betrekking op de actieve opslag ervan maar ook op het verzuim om afvalstoffen te verwijderen die zich bevinden op een onroerend goed waarover men zeggenschap heeft. Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: Materialendecreet - Afvalstoffen - Beheren van afvalstoffen - Tussentijds opslaan - Begrip - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Decr. Vl. Overheid 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen - 23-12-2011 - Artt. 3, § 1, 7°, 12, §§ 1 en 3, eerste lid - 33 ELI link Pub nr 2012035118 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1327.N

  1. A. M. L. C., beklaagde,
  2. L. L. C., beklaagde,
  3. M. A. C., beklaagde,
  4. W. P. T. C., beklaagde, eisers, allen met als raadsman mr. Yves Mondelaers, advocaat bij de balie Leuven, tegen GEMEENTE NIJLEN, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 2560 Nijlen, Kerkstraat 4, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Len Augustyns, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 2 december
  5. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord
  6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de verweerster haar memorie van antwoord ter kennis heeft gebracht van de eisers, zoals vereist door artikel 429, vierde lid, Wetboek van Strafvordering. De memorie van antwoord is niet ontvankelijk. Middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 12, § 1, en § 3, Materialendecreet en artikel 16.6.4 DABM: met het oordeel dat de eisers als onverdeelde mede-eigenaars van het terrein en de afgebrande loods allen moeten worden beschouwd als beheerders van de astbesthoudende afvalstoffen op dit terrein en derhalve verplicht zijn tot verwijdering van die afvalstoffen, verantwoorden de appelrechters de beslissing niet naar recht; uit de stukken van het dossier blijkt duidelijk dat het onroerend goed in het vermogen van L.C. was overgegaan; die overeenkomst, die door de eisers werd gesloten zonder opschortende of ontbindende voorwaarde, was voor de eisers een juridische realiteit in afwachting van een definitieve uitspraak over de eigendomsdiscussie betreffende het onroerend goed, dat bovendien nog werd geëxploiteerd door derden; hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de vermeldingen op het registratiekantoor, noch door de omstandigheid dat de eisers subjectieve rechten op het onroerend goed lieten gelden.
  8. In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest, is het niet ontvankelijk.
  9. Artikel 12, § 1, Materialendecreet bepaalt: "Het is verboden afvalstoffen achter te laten of te beheren in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan." Artikel 12, § 3, eerste lid, Materialendecreet bepaalt: "De natuurlijke persoon of rechtspersoon die afvalstoffen beheert, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden genomen om gevaar voor de gezondheid van de mens of voor het milieu, meer bepaald risico voor water, lucht, bodem, fauna en flora, geluids- of geurhinder, schade aan natuur- en landschapsschoon te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken." Volgens artikel 3, § 1, 7°, Materialendecreet moet onder het beheren van afvalstoffen worden verstaan: "het inzamelen, het tussentijds opslaan en overslaan, het vervoeren, het nuttig toepassen en het verwijderen van afvalstoffen, met inbegrip van het houden van toezicht op die handelingen en het uitvoeren van de nazorg voor de stortplaatsen na sluiting, en met inbegrip van activiteiten van afvalstoffenhandelaars of -makelaars".
  10. Het tussentijds opslaan van afvalstoffen heeft niet alleen betrekking op de actieve opslag ervan maar ook op het verzuim om afvalstoffen te verwijderen die zich bevinden op een onroerend goed waarover men zeggenschap heeft.
  11. De rechter oordeelt onaantastbaar of er sprake is van beheer van afvalstoffen in de zin van de voormelde bepalingen. Het Hof gaat wel na of de rechter zijn desbetreffende beslissing wettig heeft kunnen afleiden uit de feiten die hij heeft vastgesteld.
  12. Met eigen redenen en met de gedeeltelijke overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 5-8), oordeelt het arrest als volgt (p. 14-18): - ingevolge de brand in de loods op het terrein kwam asbesthoudend materiaal vrij, afkomstig van de golfplaten op het dak, waarbij deze asbestrestanten moeten worden beschouwd als asbesthoudend afval; - gelet op de voorliggende elementen, waaronder de gegevens van de Algemene Administratie Patrimoniumdocumentatie, dienen de eisers te worden beschouwd als de onverdeelde mede-eigenaars van het terrein en de loods en dus als beheerders van de afvalstoffen; - de eisers namen kennis van het besluit van 28 april 2015 van de burgemeester van de verweerster waarbij zij werden omschreven als saneringsplichtigen en waarbij hen onder meer werd opgelegd om de asbestrestanten te doen saneren en te verwijderen door een erkend asbestverwijderaar; - de eisers richtten in het kader van hun burgerrechtelijke procedure tegen L.C. op 23 september 2015 een verzoek tot de voorzitter van het hof van beroep om de toestand voorlopig te regelen door het opleggen van voorlopige maatregelen, waarbij zij zich expliciet als mede-eigenaars van het perceel ma-nifesteerden en verzochten dat zou worden gezegd voor recht dat de bevolen maatregelen moesten worden uitgevoerd door alle mede-eigenaars, in afwachting van een definitieve uitspraak over het eigendomsrecht; - bij tussenarrest van 4 januari 2016 verklaarde het hof van beroep het verzoek van de eisers gegrond en zegde voor recht dat de door de burgemeester op 28 april 2015 bevolen maatregelen dienden te worden uitgevoerd door alle mede-eigenaars, aangeduid in dit besluit; - uit de verhoren van de tweede, de derde en de vierde eisers blijkt dat er nadien initiatieven werden genomen om tot een opruiming te komen, maar dat deze niet werden voortgezet omwille van de eigendomsbetwisting; - in die omstandigheden hadden de eisers wel degelijk juridisch zeggenschap over het betrokken goed en dus ook over de afvalstoffen die ervan verwijderd dienden te worden; - de eisers manifesteerden zich uitdrukkelijk als mede-eigenaars en lieten subjectieve rechten gelden op het betrokken terrein en de loods, maar niettegenstaande hen door de burgemeester was opgelegd om de afvalstoffen te verwijderen en zij daartoe ook nog eens uitdrukkelijk en op eigen verzoek door de rechter werden gemachtigd, bleven zij zich toch gedurende de volledige incriminatieperiode verschuilen achter de hangende eigendomsbetwisting om passief te blijven. Met die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eisers moeten worden beschouwd als beheerders van de astbesthoudende afvalstoffen op het terrein en derhalve verplicht zijn tot verwijdering ervan. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 51,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 20 april 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.