id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.4 Rolnummer: P.20.1307.N Zaak: K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht - Unierecht Invoerdatum: 2021-04-27 Raadplegingen: 1086 - laatst gezien 2026-06-20 03:08 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit artikel 425, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat indien in eenzelfde zaak een partij tegelijkertijd cassatieberoep instelt tegen een eindbeslissing en tegen een of meer voorbereidende beslissingen en beslissingen van onderzoek, gewezen door andere gerechten dan het gerecht dat de eindbeslissing nam, de verklaringen van cassatieberoep worden gedaan op de griffie van het laatste gerecht. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen Vrije woorden: Cassatieberoep tegen een tussen- en een eindbeslissing van verschillende rechtsmachten in dezelfde zaak - Verklaring op de griffie van het gerecht dat de eindbeslissing nam - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 425, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 2 - 3 Het staat aan het openbaar ministerie om de griffier die bij toepassing van artikel 127, § 2, Wetboek van Strafvordering de inverdenkinggestelde in kennis moet stellen van plaats, dag en uur van de behandeling door de raadkamer van de vordering tot regeling van de rechtspleging, de nodige gegevens te bezorgen en deze kennisgeving moet, zo de betrokkene geen gekozen woonplaats heeft of niet kan worden bereikt per faxpost, worden toegestuurd aan de woon- of verblijfplaats van de inverdenkinggestelde zoals die is gekend door het openbaar ministerie of had moeten zijn gekend, waarbij die kennis van het openbaar ministerie moet worden beoordeeld op basis van de gegevens waarover het openbaar ministerie op het ogenblik van het versturen van de oproeping beschikte of kon beschikken zodat indien op basis van de gegevens die ter beschikking staan van het openbaar ministerie niet de woon- of verblijfplaats van de inverdenkinggestelde kan worden achterhaald, op het openbaar ministerie niet de verplichting rust om daar actief op zoek naar te gaan; zo volgt uit het enkele feit dat een inverdenkinggestelde zich tijdens het gerechtelijk onderzoek in het buitenland bevindt of heeft bevonden of is of was opgesloten in een buitenlandse gevangenis niet noodzakelijk de verplichting om bij de buitenlandse overheid navraag te doen naar de woon- of verblijfplaats van de inverdenkinggestelde en die informatie is overigens niet noodzakelijk dienstig om de woon- of verblijfplaats te kennen van de inverdenkinggestelde op het tijdstip van de oproeping
(1).
(1)Cass. 7 april 2020, AR P.20.0077.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200407.1, AC 2020, nr.
- Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Vrije woorden: Kennisgeving van plaats, dag en uur van de behandeling aan de inverdenkinggestelde - Gegevens te verschaffen door het openbaar ministerie - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 127, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Regeling van de rechtspleging - Kennisgeving van plaats, dag en uur van de behandeling aan de inverdenkinggestelde - Gegevens te verschaffen door het openbaar ministerie - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 127, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 5 Uit artikel 6.1 EVRM en het door die bepaling gewaarborgde recht op een eerlijk proces volgt voor de rechter de verplichting om, zelfs bij afwezigheid van conclusie, de voornaamste redenen te vermelden voor zijn beslissing op de strafvordering, zodat de partijen en de samenleving kunnen begrijpen op welke gronden de rechter tot die beslissing is gekomen; de uit deze verdragsbepaling voortvloeiende verplichting moet op een redelijke manier worden ingevuld en de rechter is niet verplicht te antwoorden op elk feitelijk gegeven dat een partij heeft aangevoerd tot staving van het verweer betreffende de schuld en hij moet niet op elk argument van partijen een gedetailleerd antwoord verstrekken. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Beslissing over de strafvordering - Motivering - Vermoeden van onschuld - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Vermoeden van onschuld - Beslissing over de strafvordering - Motivering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 6 - 8 Uit artikel 149 Grondwet volgt voor de rechter die een beklaagde schuldig verklaart aan een misdrijf in de bewoordingen van de strafwet, voor wat betreft de motivering van de beslissing over de schuld, enkel de verplichting om te antwoorden op een in een regelmatig ingediende conclusie ontwikkelde eis, verweer of exceptie waaruit een rechtsgevolg wordt getrokken voor de door de rechter te nemen beslissing, maar daaruit volgt niet dat de rechter de redenen van zijn redenen moet geven zodat hij het verweer dient te beantwoorden zonder dat hij moet antwoorden op elk argument dat tot staving van dit verweer wordt aangevoerd zonder een afzonderlijk verweer te vormen; noch uit die grondwetsbepaling noch uit de Richtlijn (EU) 2016/343 van 9 maart 2016 kan voor de rechter voor wat betreft de schuldbeoordeling een verdergaande motiveringsplicht worden afgeleid en indien door een partij in een conclusie een alternatief scenario voor de schuld als plausibel wordt aangevoerd, kan de rechter dit verweer beantwoorden en verwerpen met opgave van de redenen waaruit de schuld van de beklaagde volgens de rechter aan het hem ten laste gelegde blijkt en de daaruit voortvloeiende ongeloofwaardigheid van het door de beklaagde aangevoerde scenario. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Beslissing over de schuld - Motivering - Vermoeden van onschuld - Alternatief scenario voor de schuld - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn - 09-03-2016 - Art. 3 Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn - 09-03-2016 - Art. 6.2 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Vrije woorden: Motivering van vonnissen en arresten - Beslissing over de schuld - Motivering - Vermoeden van onschuld - Alternatief scenario voor de schuld - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn - 09-03-2016 - Art. 3 Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn - 09-03-2016 - Art. 6.2 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Richtlijn (EU) 2016/343 van 9 maart 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn - Artikelen 3 en 6.2 - Motivering van vonnissen en arresten - Beslissing over de schuld - Motivering - Vermoeden van onschuld - Alternatief scenario voor de schuld - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn - 09-03-2016 - Art. 3 Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn - 09-03-2016 - Art. 6.2 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1307.N I en II T. S. K., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Christian Clement, advocaat bij de balie Antwerpen. III P. G. D. R., beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Kris Luyckx en mr. Nathalie Goedertier, beiden advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 28 maart 2017 (hierna de beschikking van de raadkamer). De cassatieberoepen II en III zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 25 november 2020 (hierna het arrest). De eiser I voert in een eerste memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Hij voert bovendien in een tweede memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan waarbij het eerste middel identiek is als het enig middel van zijn eerste memorie. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I
- Artikel 425, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat indien in eenzelfde zaak een partij tegelijkertijd cassatieberoep instelt tegen een eindbeslissing en tegen een of meer voorbereidende beslissingen en beslissingen van onderzoek, gewezen door andere gerechten dan het gerecht dat de eindbeslissing nam, de verklaringen van cassatieberoep worden gedaan op de griffie van het laatste gerecht.
- De eiser I heeft op 3 december 2020 zowel cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer als tegen het arrest. Hij heeft in strijd met artikel 425, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering zijn verklaring van cassatieberoep tegen de beschikking van de raadkamer gedaan ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen en niet ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen. Het cassatieberoep I is bijgevolg niet ontvankelijk. Middelen van de eiser I Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 127 Wetboek van Strafvordering: vooraleer de procureur des Konings mag aannemen dat een inverdenkinggestelde geen gekende woon- of verblijfplaats heeft, dient hij actief op zoek te gaan naar de woon- of verblijfplaats van de inverdenkinggestelde opdat de oproeping voor de raadkamer kan worden toegestuurd aan dit adres; de procureur des Konings heeft zonder enig onderzoek beslist dat de woon- of verblijfplaats van de eiser I onbekend was, terwijl uit het strafonderzoek blijkt dat hij in Nederland werd verhoord op vraag van de Belgische autoriteiten, hij daar in hechtenis is geweest en er contacten zijn geweest tussen de procureur des Konings en Nederlandse gerechtelijke overheden onder meer over de terugkeergarantie; de procureur des Konings had dus het adres van de eiser I kunnen kennen; daardoor is de eiser I het recht ontnomen om bijkomend onderzoek te vragen, kon hij niet tijdig kennis nemen van de inhoud van het onderzoek zodat hij in zijn verdediging werd beperkt, is hem de mogelijkheid ontnomen om de verwijzingsbeslissing te laten toetsen door de kamer van inbeschuldigingstelling en is het beginsel van de wapengelijkheid miskend doordat andere partijen wel om bijkomend onderzoek konden verzoeken.
- Het staat aan het openbaar ministerie om de griffier die bij toepassing van artikel 127, § 2, Wetboek van Strafvordering de inverdenkinggestelde in kennis moet stellen van plaats, dag en uur van de behandeling door de raadkamer van de vordering tot regeling van de rechtspleging, de nodige gegevens te bezorgen.
- Deze kennisgeving moet, zo de betrokkene geen gekozen woonplaats heeft of niet kan worden bereikt per faxpost, worden toegestuurd aan de woon- of verblijfplaats van de inverdenkinggestelde zoals die is gekend door het openbaar ministerie of had moeten zijn gekend. Of het openbaar ministerie kennis had of had moeten hebben van die woon- of verblijfplaats moet worden beoordeeld op basis van de gegevens waarover het openbaar ministerie op het ogenblik van het versturen van de oproeping beschikte of kon beschikken.
- Indien op basis van de gegevens die ter beschikking staan van het openbaar ministerie niet de woon- of verblijfplaats van de inverdenkinggestelde kan worden achterhaald, rust op het openbaar ministerie niet de verplichting om daar actief op zoek naar te gaan. Zo volgt uit het enkele feit dat een inverdenkkinggestelde zich tijdens het gerechtelijk onderzoek in het buitenland bevindt of heeft bevonden of is of was opgesloten in een buitenlandse gevangenis niet noodzakelijk de verplichting om bij de buitenlandse overheid navraag te doen naar de woon- of verblijfplaats van de inverdenkinggestelde. Die informatie is overigens niet noodzakelijk dienstig om de woon- of verblijfplaats te kennen van de inverdenkinggestelde op het tijdstip van de oproeping.
- Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of het openbaar ministerie op het ogenblik van de oproeping van een inverdenkinggestelde voor de raadkamer met het oog op de regeling van de rechtspleging kennis had of moest hebben van zijn woon- of verblijfplaats.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt op grond van een onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak dat de eiser I zich op het ogenblik van de oproepingen van de zaak voor de raadkamer niet in het buitenland in hechtenis bevond en dat er voor hem op dat ogenblik geen sprake was van een gekende woon- of verblijfplaats. In zoverre het middel, dat zelf niet aangeeft welke de woon- of verblijfplaats was van de eiser I op het ogenblik van die oproepingen, verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, of opkomt tegen het onaantastbaar oordeel door de appelrechters, is het niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 3 en 6.2 Richtlijn (EU) 2016/343 van 9 mei 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn en artikel 149 Grondwet: het arrest beperkt zich ertoe om het schuldscenario zoals aangereikt door het openbaar ministerie te toetsen, maar laat na het in de appelconclusie van de eiser I naar voorgeschoven en onderbouwde plausibel alternatief scenario te toetsen aan het strafdossier; minstens laat het na op gemotiveerde wijze uiteen te zetten waarom dit scenario moet worden afgewezen; het negeert op uiterst summiere en ongemotiveerde wijze de door de eiser I aangevoerde argumenten.
- Uit artikel 6.1 EVRM en het door die bepaling gewaarborgde recht op een eerlijk proces volgt voor de rechter de verplichting om, zelfs bij afwezigheid van conclusie, de voornaamste redenen te vermelden voor zijn beslissing op de strafvordering, zodat de partijen en de samenleving kunnen begrijpen op welke gronden de rechter tot die beslissing is gekomen. De uit deze verdragsbepaling voortvloeiende verplichting moet op een redelijke manier worden ingevuld: de rechter is niet verplicht te antwoorden op elk feitelijk gegeven dat een partij heeft aangevoerd tot staving van het verweer betreffende de schuld en hij moet niet op elk argument van partijen een gedetailleerd antwoord verstrekken.
- Uit artikel 149 Grondwet volgt voor de rechter die een beklaagde schuldig verklaart aan een misdrijf in de bewoordingen van de strafwet, voor wat betreft de motivering van de beslissing over de schuld, enkel de verplichting om te antwoorden op een in een regelmatig ingediende conclusie ontwikkelde eis, verweer of exceptie waaruit een rechtsgevolg wordt getrokken voor de door de rechter te nemen beslissing. Uit die grondwetsbepaling volgt niet dat de rechter de redenen van zijn redenen moet geven: hij dient het verweer te beantwoorden, zonder dat hij moet antwoorden op elk argument dat tot staving van dit verweer wordt aangevoerd, zonder een afzonderlijk verweer te vormen.
- Uit de in het middel vermelde bepalingen kan voor de rechter voor wat betreft de schuldbeoordeling geen verdergaande motiveringsplicht worden afgeleid. Uit die bepalingen volgt niet dat de rechter, tenzij bij daartoe strekkende conclusie, uitdrukkelijk moet antwoorden op een door een partij als plausibel aangevoerd alternatief scenario voor de schuld aan de aan een beklaagde verweten feiten. Indien een dergelijk scenario in een conclusie wordt aangevoerd, kan de rechter dit verweer beantwoorden en verwerpen met opgave van de redenen waaruit de schuld van de beklaagde volgens de rechter aan het hem ten laste gelegde blijkt en de daaruit voortvloeiende ongeloofwaardigheid van het door de beklaagde aangevoerde scenario.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Met het geheel van redenen die het arrest (p. 14-21) bevat, doen de appel-rechters opgave van de voornaamste redenen op grond waarvan zij beslissen tot de schuld van de eiser I aan het hem ten laste gelegde. Met die redenen beantwoorden en verwerpen ze ook het in de appelconclusie van de eiser I gevoerde verweer betreffende zijn schuld, zonder dat ze nader dienden in te gaan op elk feitelijk geven dat tot staving van dit verweer werd aangevoerd zonder evenwel een zelfstandig verweer te vormen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middelen van de eiser II Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest dat aanneemt dat de redelijketermijnvereiste is miskend, motiveert niet concreet hoe er bij de bepaling van de strafmaat met die overschrijding rekening is gehouden.
- Na te hebben vastgesteld dat er in hoger beroep een niet verantwoorde vertraging in de vervolging heeft plaatsgevonden waardoor de redelijketermijnvereiste beperkt is overschreden, oordeelt het arrest (p. 24-25) dat ter compensatie van die overschrijding en de onzekerheid en morele last die dit met zich voor de eiser II heeft meegebracht, daarmee bij de straftoemeting rekening zal worden gehouden. Het vermeldt bij de bepaling van de aan de eiser II opgelegde hoofdgevangenisstraf dat hem, ware de redelijke termijn niet overschreden, een hoofdgevangenisstraf van tien jaar zou zijn opgelegd (arrest, p. 27). Aldus vermeldt het arrest wel degelijk op welke wijze bij de bepaling van de strafmaat met de miskenning van de redelijketermijnvereiste is rekening gehouden. Het middel dat berust op een onvolledige lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest motiveert niet op nauwkeurige wijze waarom aan de eiser II geen uitstel of probatie-uitstel kan worden verleend; het bevestigt bovendien zonder meer de aan de eiser II opgelegde straf, zonder te motiveren waarom deze straf het meest gepaste is.
- De rechter dient ingevolge artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat overeenkomstig artikel 211 Wetboek van Strafvordering van toepassing is op de hoven van beroep, de keuze voor de straffen en maatregelen alsmede hun maat, die de wet aan zijn vrije beoordeling laat, nauwkeurig te motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn.
- De appelrechters dienen niet te motiveren waarom ze anders straffen dan de eerste rechter, maar enkel de door hen zelf opgelegde bestraffing regelmatig met redenen te omkleden.
- Uit de samenlezing van artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat indien een beklaagde de rechter verzoekt om uitstel of probatie-uitstel van tenuitvoerlegging in een geval dat die maatregel wettelijk mogelijk is, de rechter de weigering het uitstel of het probatie-uitstel te verlenen nauwkeurig moet motiveren, maar dat die motivering beknopt mag zijn.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 25-27) verwijst bij de motivering van de aan de eiser II opgelegde bestraffing naar de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de rol van de eiser II in die feiten, het streefdoel naar bijzonder grof en gemakkelijk geldgewin, het bijzonder professioneel georganiseerde, grootschalige en internationale karakter van de feiten en het strafrechtelijk verleden van de eiser II, waarbij het die elementen concreet toelicht. Het verwijst ook naar de leeftijd, de persoonlijke en sociale toestand en de persoonlijkheid van de eiser II, zoals die uit het strafdossier, de behandeling ter rechtszitting en de neergelegde stukken zijn gebleken (arrest, p. 27). Het vermeldt ten slotte ook dat het opleggen van een straf met uitstel een onvoldoende maatschappelijk signaal zou inhouden op de bewezen verklaarde feiten en de eiser II onvoldoende zou wijzen op het ontoelaatbare van zijn handelen (arrest, p. 27). Aldus vermeldt het arrest op nauwkeurige wijze de keuze en de maat voor de aan de eiser II opgelegde bestraffing en de redenen waarom voor de aan de eiser II opgelegde geldboete geen uitstel of probatie-uitstel van tenuitvoerlegging wordt verleend. Voor wat betreft de aan de eiser II opgelegde hoofdgevangenisstraf diende het arrest het niet-verlenen van uitstel of probatie-uitstel niet bijzonder te motiveren, aangezien de opgelegde straf de toekenning van die modaliteit onmogelijk maakt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Onmiddellijke aanhouding
- Ingevolge de hierna uit te spreken verwerping van de cassatieberoepen II en III, verkrijgen de beslissingen op de strafvordering kracht van gewijsde. In zoverre ook gericht tegen de beslissingen waarbij de onmiddellijke aanhouding van de eisers I en II wordt bevolen, hebben die cassatieberoepen geen bestaansreden meer. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoepen. Bepaalt de kosten in het geheel op 134,82 euro, waarvan op de cassatieberoepen van Thomas Kuis 90,98 euro is verschuldigd en op het cassatieberoep van Petrus Ridder 43,84 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 20 april 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230207.2N.9 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.16 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230509.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231219.2N.10 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251021.2N.3 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251217.2F.30 precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200407.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250325.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div