id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021
Art. 32
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 62, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 62 Vrije woorden: Artikel 62, derde lid - Vaststelling van een verkeersovertreding door een automatisch werkend toestel - Geen vermelding in het proces-verbaal van het bemand of onbemand karakter van het toestel - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 32
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 62, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Wegverkeerswet - Artikel 62, derde lid - Vaststelling van een verkeersovertreding door een automatisch werkend toestel - Geen vermelding in het proces-verbaal van het bemand of onbemand karakter van het toestel - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 32
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 62, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Wegverkeerswet - Artikel 62, derde lid - Vaststelling van een verkeersovertreding door een automatisch werkend toestel - Geen vermelding in het proces-verbaal van het bemand of onbemand karakter van het toestel - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 32
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 62, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0030.N D. H. J., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jan De Groote, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 2 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 62, derde lid, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis stelt vast dat het aanvankelijk proces-verbaal niet uitdrukkelijk vermeldt dat de overtreding al dan niet werd vastgesteld door een onbemand automatisch werkend toestel; de loutere bevestiging door het openbaar ministerie dat het een onbemand automatisch werkend toestel betrof, zonder de elementen die deze bevestiging kunnen staven aan tegenspraak te onderwerpen, is niet voldoende; de vaststelling van de rechtbank dat het om een onbemande camera gaat, omdat een daartoe gevormde verbalisant overging tot controle is evenmin voldoende; het dossier laat niet toe na te gaan of het al dan niet om een onbemand automatisch werkend toestel ging; ten onrechte oordeelt het bestreden vonnis dat daardoor de betrouwbaarheid van het bewijs niet werd aangetast en dat eisers recht van verdediging niet werd miskend.
- In zoverre het middel opkomt tegen het oordeel van het bestreden vonnis dat het toestel waarmee de snelheidsovertreding werd vastgesteld niet bemand was, komt het op tegen de beoordeling van de feiten en is het niet ontvankelijk.
- Krachtens artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan enkel tot de nietigheid van onregelmatig verkregen bewijs en dus tot de uitsluiting ervan worden besloten indien de naleving van de betrokken vormvoorwaarden wordt voorgeschreven op straffe van nietigheid, de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast of het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces.
- Daaruit volgt dat de onregelmatigheid, voor zover de naleving ervan niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven, niet noodzakelijk leidt tot bewijsuitsluiting, maar de rechter concreet moet nagaan of zij de betrouwbaarheid van het bewijs aantast dan wel het gebruik van dat bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces, wat hij op grond van de gegevens van de zaak onaantastbaar beoordeelt.
- Uit de enkele omstandigheid dat een proces-verbaal dat werd opgesteld voor een verkeersovertreding niet vermeldt of het toestel dat voor die vaststelling werd gebruikt bemand of onbemand is gebruikt, volgt niet dat die onregelmatigheid, die door de wetgever niet is gesanctioneerd met nietigheid, noodzakelijk onbetrouwbaar bewijs oplevert of dat het gebruik ervan eisers recht op een eerlijk proces met inbegrip van zijn recht van verdediging noodzakelijk miskent.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Betreffende het criterium van de betrouwbaarheid van het bewijs oordeelt het bestreden vonnis dat: - het ontbreken ervan niet tot gevolg heeft dat de vaststelling zelf onregelmatig zou zijn, daar de vermelding een loutere bevestiging van een materiële toestand betreft; - de vaststelling immers precies door het automatisch werkend toestel wordt gedaan; - die vaststelling op een later tijdstip door een agent van politie wordt nagekeken; - het precies de chronologie van de vaststellingen is die de rechtbank ertoe leidt te besluiten dat het ontbreken van de vermelding dat het automatisch werkend toestel onbemand was, in dit geval niet leidt tot onbetrouwbaarheid van het bewijs; - op 7 november 2017 het automatisch werkend toestel een snelheidsmeting van het voertuig Volvo XC60 met nummerplaat ... registreerde en, naar blijkt uit het aanvankelijk proces-verbaal, deze registratie op 14 november 2017 werd vastgesteld door een agent van politie.
- Betreffende het criterium van de miskenning van het recht op een eerlijk proces, waarvan het recht van verdediging deel uitmaakt, oordeelt het bestreden vonnis dat: - uit het ijkingscertificaat van het automatisch werkend toestel dat in dit dossier overging tot registratie, blijkt dat het enkel geschikt is voor metingen op een vast traject, hetgeen, zelfs ingeval uit het mobiele karakter van een trajectsnelheidsmeter het bemand karakter ervan zou volgen, wat niet het geval is, tot gevolg heeft dat de betrokken trajectsnelheidsmeter dus niet mobiel was; - de precieze aard van het systeem van trajectsnelheidsmeters enerzijds, evenals verschillende andere vermeldingen in het strafdossier anderzijds, van die aard zijn dat het recht van verdediging van de eiser voldoende is gewaarborgd, zelfs bij ontstentenis van expliciete vermelding van het onbemand karakter van het automatisch werkend toestel dat is overgegaan tot registratie; - hiervoor wordt verwezen naar het feit dat de registratie door het automatisch toestel nadien werd vastgesteld door een agent van politie, waarvan uitdrukkelijk wordt vermeld dat deze de vorming heeft genoten voor het gebruikte apparaat; - het strafdossier bovendien het ijkingscertificaat van de betrokken trajectsnelheidsmeter bevat dat expliciet vermeldt dat het toestel is goedgekeurd voor gebruik in afwezigheid van de politie.
- Op grond van die redenen, die zijn gestoeld op aan tegenspraak onderworpen elementen, kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat de onregelmatigheid wegens de niet-vermelding van het bemand of onbemand karakter van de snelheidsmeter in het proces-verbaal van overtreding, niet leidt tot bewijsuitsluiting. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten: het bestreden vonnis oordeelt dat uit het ijkingscertificaat blijkt dat het toestel enkel geschikt is voor de meting op één enkel traject en dat de betrokken snelheidstrajectmeter daarom niet mobiel was; elke trajectcontrole is geschikt voor een vast traject, zodat hieruit niet kan worden afgeleid dat het om een bemand of onbemand toestel ging; het ijkingscertificaat vermeldt tevens dat elke overtreding zowel uit een automatische als uit de handmatige bak manueel moet worden nagekeken; uit de ijkingsakte kan geenszins blijken dat de camera enkel automatisch en onbemand kan worden gebruikt; het bestreden vonnis dat het tegendeel afleidt uit dit stuk, miskent de bewijskracht ervan.
- Het bestreden vonnis oordeelt niet dat het betrokken toestel enkel onbemand kan worden gebruikt. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis antwoordt niet op eisers verweer dat de camera ook handmatig kan worden gebruikt en dat de trajectsnelheidsmeter daarom bemand werd ingezet.
- Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel beantwoordt het bestreden vonnis het bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten: het bestreden vonnis oordeelt op grond van de feiten zoals weergegeven in het proces-verbaal dat het toestel uitsluitend een onbemand toestel is, terwijl dit niet kan worden afgeleid uit dit proces-verbaal, omdat elke overtreding ook die uit de handmatige bak, moet worden nagekeken en dus dezelfde chronologie volgt.
- Het bestreden vonnis oordeelt niet dat het betrokken toestel enkel onbemand kan worden gebruikt. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis oordeelt dat het om een onbemande camera gaat omdat achteraf een manuele controle werd uitgevoerd, terwijl uit het ijkingscertificaat blijkt dat een manuele controle noodzakelijk is bij zowel een bemand als een onbemand gebruik van de camera; het bestreden vonnis is dus tegenstrijdig gemotiveerd.
- Het Hof ontwaart de tegenstrijdigheid niet. Het middel mist feitelijke grondslag. Vierde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het bestreden vonnis oordeelt dat er wel degelijk sprake is van een onbemand automatisch toestel omdat dit eigen zou zijn aan de aard van de snelheidstrajectmeters; deze eigenheid heeft niet het voorwerp van het debat uitgemaakt; uit geen enkel element van het strafdossier blijkt deze eigenheid van de trajectsnelheidsmeters.
- Het bestreden vonnis oordeelt niet dat er wel degelijk sprake is van een onbemand automatisch toestel omdat dit eigen zou zijn aan de aard van de snelheidstrajectmeters. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 62 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis licht niet toe waaruit de eigenheid van de trajectsnelheidsmeters bestaat in het licht van de manuele ten opzichte van de automatische bediening en haalt daartoe geen rechtsgrond aan.
- Het onderdeel is afgeleid uit de onjuiste lezing van het bestreden vonnis, zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 20 april 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240625.2N.28 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div