← België

D. contra DEGILA BVBA

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210423.1N.2 Rolnummer: C.20.0297.N Zaak: D. contra DEGILA BVBA Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-08-20 Raadplegingen: 802 - laatst gezien 2026-06-16 04:17 Versie(s): Vertaling FR Fiche Wanneer van de rechterlijke beschikking tot bepaling van het tijdsverloop van de rechtspleging regelmatig aan de partijen kennis is gegeven, verloopt de rechtspleging op tegenspraak en mag de rechter, bij gebrek aan een hem te kennen gegeven betwisting, ervan uitgaan dat de conclusies die regelmatig zijn neergelegd, ook tegelijk regelmatig tussen de partijen zijn meegedeeld; de omstandigheid dat een partij zelf geen conclusie heeft genomen en op de haar ter kennis gegeven rechtsdag niet is verschenen, doet daaraan niet af. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Beschikking tot bepaling van het tijdsverloop van de rechtspleging - Regelmatige kennisgeving aan partijen - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 742, 745, 746 en 747, §§ 1, 2 en 4 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.20.0297.N L. D. S., eiser, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de eiser woonplaats kiest, tegen

  1. DEGILA bv, met zetel te 2550 Kontich, Herman De Nayerstraat 4, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0427.200.371, eerste verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eerste verweerster woonplaats kiest,
  2. A. D. B., tweede verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 17 februari
  3. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  4. In zoverre het middel aanvoert dat de eiser noch van de verweersters, noch van hun advocaten appelconclusies heeft ontvangen, vraagt het van het Hof een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is. In zoverre is het middel is niet ontvankelijk.
  5. Krachtens artikel 742 Gerechtelijk Wetboek leggen de partijen hun conclusies neer ter griffie samen met een inventaris van de medegedeelde stukken. Krachtens artikel 745 Gerechtelijk Wetboek worden alle conclusies aan de tegenpartij of aan haar advocaat gezonden terzelfdertijd als zij ter griffie worden neergelegd. Krachtens artikel 746 Gerechtelijk Wetboek geldt de neerlegging van de conclusie ter griffie als betekening.
  6. Krachtens artikel 747, § 1, Gerechtelijk Wetboek kunnen de partijen in onderlinge overeenstemming en in samenspraak met de rechter met het oog op het tijdsverloop van de rechtspleging een agenda bepalen met conclusietermijnen en een rechtsdag. De griffier brengt de rechterlijke beschikking tot bepaling van het tijdsverloop van de rechtspleging bij gewone brief ter kennis van de partijen en, in voorkomend geval, van hun advocaten. Krachtens artikel 747, § 2, Gerechtelijk Wetboek bepaalt de rechter, bij gebrek aan een minnelijk bepaalde agenda, met inachtneming van de eventuele opmerkingen van de partijen, zelf het tijdsverloop van de rechtspleging. De griffier brengt de rechterlijke beschikking tot bepaling van het tijdsverloop van de rechtspleging bij gewone brief ter kennis van de partijen en, in voorkomend geval, van hun advocaten, en bij gerechtsbrief van de niet verschenen partij. Krachtens artikel 747, § 4, Gerechtelijk Wetboek worden, onverminderd de toepassing van de in artikel 748, § 1 en § 2, bedoelde uitzonderingen of van de mogelijkheid van de partijen om in onderlinge overeenstemming van het overeengekomen of door de rechter bepaalde tijdsverloop af te wijken, de conclusies die na het verstrijken van de termijnen ter griffie worden neergelegd of aan de tegenpartij gezonden, ambtshalve uit het debat geweerd en kan op de rechtsdag de meest gerede partij een vonnis vorderen, dat in ieder geval op tegenspraak wordt gewezen.
  7. Uit het geheel van deze wetsbepalingen volgt dat, wanneer van de rechterlijke beschikking tot bepaling van het tijdsverloop van de rechtspleging regelmatig aan de partijen kennis is gegeven, de rechtspleging op tegenspraak verloopt en de rechter, bij gebrek aan een hem te kennen gegeven betwisting, ervan mag uitgaan dat de conclusies die regelmatig zijn neergelegd, ook tegelijk regelmatig tussen de partijen zijn meegedeeld. De omstandigheid dat een partij zelf geen conclusie heeft genomen en op de haar ter kennis gegeven rechtsdag niet is verschenen, doet daaraan niet af.
  8. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de rechter ten behoeve van een niet verschenen partij aan wie van de door de rechter bepaalde agenda met conclusietermijnen en een rechtsdag bij gerechtsbrief kennis is gegeven, zodat de procedure op tegenspraak verloopt, ambtshalve moet nagaan niet enkel of de conclusies regelmatig zijn neergelegd maar bovendien, zonder een hem te kennen gegeven betwisting, of de conclusies tegelijk aan de niet verschenen partij zijn meegedeeld, berust het op een onjuiste rechtsopvatting en faalt het bijgevolg naar recht.
  9. Het algemeen rechtsbeginsel tot eerbiediging van het recht van verdediging zoals neergelegd in artikel 6.1 EVRM stelt geen verdergaande eisen. In zoverre faalt het middel eveneens naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 762,96 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 23 april 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210423.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.