id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210423.1N.3 Rolnummer: C.20.0122.N Zaak: G. contra S. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-08-20 Raadplegingen: 1244 - laatst gezien 2026-06-19 04:36 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich uit tot wat de rechter over een geschilpunt heeft beslist en tot wat, gelet op het geschil dat voor de rechter is gebracht en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke of impliciete grondslag van zijn beslissing vormt
(1).
(1)Zie Cass. 9 januari 2020, AR C.19.0188.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.3, AC 2020, nr. 26. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Vrije woorden: Gezag van het rechterlijk gewijsde - Omvang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 Uit het feit dat het voorwerp en de oorzaak van een vordering waarover definitief is beslist niet dezelfde zijn als die van een latere vordering tussen dezelfde partijen, volgt niet noodzakelijk dat geen enkele aanspraak of betwisting die een partij in een van beide gedingen opwerpt identiek kan zijn en evenmin dat de rechter een aanspraak kan aannemen waarvan de grondslag onverenigbaar is met het eerdere gewijsde
(1).
(1)Zie Cass. 9 januari 2020, AR C.19.0188.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.3, AC 2020, nr.
- Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Vrije woorden: Gezag van het rechterlijk gewijsde - Vordering waarover definitief werd beslist - Latere vordering tussen dezelfde partijen - Niet-identieke oorzaak en voorwerp - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 25 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.20.0122.N M. G., eiser, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- J. S.,
- J. S.,
- SEGO bv, met zetel te 2520 Ranst (Broechem), Oelegemsesteenweg 31 A, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0445.577.616, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 14 oktober 2019, op verwijzing gewezen na arrest van het Hof van 19 november
- Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich uit tot wat de rechter over een geschilpunt heeft beslist en tot wat, gelet op het geschil dat voor de rechter is gebracht en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke of impliciete grondslag van zijn beslissing vormt. Uit het feit dat het voorwerp en de oorzaak van een vordering waarover definitief is beslist niet dezelfde zijn als die van een latere vordering tussen dezelfde partijen, volgt niet noodzakelijk dat geen enkele aanspraak of betwisting die een partij in een van beide gedingen opwerpt identiek kan zijn en evenmin dat de rechter een aanspraak kan aannemen waarvan de grondslag onverenigbaar is met het eerdere gewijsde.
- Uit de stukken waarop het Hof kan acht slaan, blijkt dat: - de rechtbank van koophandel te Antwerpen bij niet-beroepen vonnissen van 5 juni 1997 en 17 juni 1999 zoals in kort geding uitspraak doet over een vordering tot gedwongen aandelenoverdracht gelet op een geschil tussen enerzijds de eiser en anderzijds de eerste en tweede verweerders als vennoten van de derde verweerster; - de rechtbank bij vonnis van 5 juni 1997 een deskundigenonderzoek beveelt omtrent de beweerdelijk onmogelijk geworden samenwerking tussen de vennoten met schending van het vennootschapsbelang; - de rechtbank bij vonnis van 17 juni 1999 onder meer vaststelt dat uit het deskundigenverslag blijkt dat de vennootschap aan de eiser nog belangrijke vergoedingen moet betalen en meer precies bedragen van 3.721.022 BEF en 199.500 BEF, met voorbehoud voor een bijkomend bedrag van 176.396 BEF; - de rechtbank bij vonnis van 17 juni 1999 verder overweegt dat het gebrek aan een eerlijke vergoeding van de eiser sinds maart 1995 en de niet-aflatende onbewezen ernstige beschuldigingen ten laste van de eiser door de eerste en tweede verweerders gegronde redenen uitmaken om deze laatsten te verplichten om de aandelen van de eiser over te nemen; - de rechtbank in die optiek de eerste en tweede verweerders beveelt om de aandelen van de eiser in de derde verweerster over te nemen tegen een provisioneel bedrag van 2.500.000 BEF op een middels nader deskundigenonderzoek te bepalen totaalprijs; - de rechtbank van koophandel te Antwerpen in het beroepen vonnis van 8 oktober 2001 de eerste en tweede verweerders veroordeelt tot betaling aan de eiser van een totaalprijs van 369.317,97 euro onder aftrek van het provisioneel bedrag van 61.973,38 euro; - het hof van beroep te Antwerpen bij arrest van 30 januari 2003 de totaalprijs vermindert tot 347.782,50 euro; - het hof van beroep daarbij overweegt dat de eiser die aanvoert dat bij de waardebepaling van de aandelen geen rekening mag worden gehouden met de aan hem nog verschuldigde vergoedingen aangezien ze worden betwist en nog niet zijn betaald, zichzelf tegenspreekt en bovendien ingaat tegen het gewijsde van het vonnis van 17 juni 1999 waarin de niet-betaling van de vergoeding, zoals vastgesteld in het deskundigenverslag, als bewezen is aangenomen bij de inwilliging van de vordering tot gedwongen aandelenoverdracht; - het hof van beroep daarbij verder overweegt dat in het kader van de procedure tot gedwongen aandelenoverdracht ervan moet worden uitgegaan dat de vennootschap nog een schuld heeft ten aanzien van de eiser; - de eiser zich in die procedure beroept op het gezag van het rechterlijk gewijsde van het vonnis van 17 juni 1999 en het arrest van 30 januari 2003 met het oog op inwilliging van een vordering tegen de derde verweerster tot betaling van vergoedingen ten bedrage van 101.559,95 euro min het reeds toegekende bedrag van 4.945,48 euro.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - het beweerde recht op betaling van managementsvergoedingen ten bedrage van 101.559,95 euro noch uit voormeld vonnis van 17 juni 1999 noch uit voormeld arrest van 30 januari 2003 blijkt; - het vonnis van 17 juni 1999 en het arrest van 30 januari 2003 betrekking hebben op de procedure tot gedwongen aandelenoverdracht, terwijl daarin geen motivering is aangenomen of uitspraak is gedaan met gezag van gewijsde in die zin dat de eiser definitief en ontegensprekelijk een opeisbaar recht zou hebben op managementsvergoedingen ten bedrage van 101.559,95 euro; - in het vonnis van 17 juni 1999 niets staat omtrent de beweerde achterstallige managementsvergoedingen die de eiser thans vordert; - de appelrechters in het arrest van 30 januari 2003 zelf uitdrukkelijk de draagwijdte van hun overwegingen omtrent de achterstallige vergoedingen beperken tot de procedure tot gedwongen aandelenoverdracht; - in het vonnis van 17 juni 1999 en het arrest van 30 januari 2003 enkel uitspraak wordt gedaan over de al dan niet aanwezigheid van gegronde redenen tot verplichting van de eerste en tweede verweerders om de aandelen van de eiser over te nemen; - de derde verweerster in de procedure tot gedwongen aandelenoverdracht slechts formeel partij was en geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd bij de discussie tussen de vennoten, waarbij de vennootschap overigens geen belang heeft; - de procedure waarin een zaakvoerder tegen een vennootschap achterstallige managementsvergoedingen vordert, moet worden onderscheiden van de procedure tot gedwongen aandelenoverdracht tussen de eiser enerzijds en de eerste en tweede verweerders anderzijds als vennoten van de derde verweerster; - de eiser bij beslissing van de algemene vergadering van 29 april 1995 is ontslagen als zaakvoerder van de derde verweerster; - de eiser niet aantoont op welke rechtsgrond hij thans aanspraak maakt op ‘managementsvergoedingen', terwijl hij nooit fungeerde als ‘manager' van de derde verweerster; - een gerechtsdeskundige die een fictieve berekening maakt van een beweerde gelijke vergoeding van de zaakvoerders van een vennootschap met het oog op waardering van de aandelen van die vennootschap en nadien de fictieve vergoeding zelf omschrijft als een soort ‘managementsvergoeding', de zaakvoerder niet effectief maakt tot ‘manager' met een effectief recht op dergelijke managementsvergoedingen; - het niet is omdat, naar de mening van een gerechtsdeskundige, aangewezen met het oog op waardering van de aandelen van een vennootschap, een zaakvoerder een onrechtmatige verloning zou hebben gekregen, wat wordt betwist, dat die zaakvoerder een verworven recht zou hebben op de uitbetaling van die vergoeding, terwijl noch de algemene vergadering noch de raad van bestuur ooit een beslissing in die zin heeft genomen en de bedoelde zaakvoerder nooit een initiatief heeft genomen om hem dergelijke vergoedingen toe te kennen; - het gezag van het rechterlijk gewijsde van het vonnis van 17 juni 1999 en het arrest van 30 januari 2003 voor de eiser geen definitief, effectief en opeisbaar recht inhoudt op achterstallige managementsvergoedingen ten bedrage van 101.559,95 euro, gelet op
(1)het fundamenteel verschil van het voorwerp van de vorderingen (overdracht van aandelen versus invordering van managementsvergoedingen),
(2)het verschil van de oorzaken (gegronde redenen tussen vennoten versus vordering van een zaakvoerder) en
(3)het gebrek aan identiteit en hoedanigheid van de partijen (vennoten onderling versus een zaakvoerder tegen een vennootschap). 4. De appelrechters die met voormelde redenen de vordering van de eiser tegen de derde verweerster tot betaling van vergoedingen ten bedrage van 101.559,95 euro min het reeds toegekende bedrag van 4.945,48 euro afwijzen, terwijl het recht van de eiser tot betaling van de vergoedingen noodzakelijk blijkt uit voormeld vonnis van 17 juni 1999 en voormeld arrest van 30 januari 2003, miskennen zodoende het gezag van het rechterlijk gewijsde van dit vonnis en dat arrest. Het middel is gegrond. (...) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 23 april 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210423.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250131.1N.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220905.3N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div