← België

D. contra ORDE DER ARTSEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210423.1N.4 Rolnummer: D.20.0006.N Zaak: D. contra ORDE DER ARTSEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-05-06 Raadplegingen: 897 - laatst gezien 2026-06-19 23:35 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210423.1N.4 Fiches 1 - 2 Het hoger beroep wordt gestuurd aan de voorzitter van de provinciale raad die de beslissing heeft gewezen, zodat een hoger beroep dat niet is verstuurd aan de voorzitter van de provinciale raad die de beslissing heeft gewezen, niet voldoet aan die voorwaarde, ook al heeft de voorzitter van de provinciale raad kennis gekregen van het hoger beroep

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - TUCHTZAKEN Vrije woorden: Arts - Hoger beroep - Te richten aan de voorzitter van de provinciale raad - Niet naleving van deze vereiste - Gevolg Wettelijke bepalingen: KB 6 februari 1970 tot regeling van de organisatie en de werking der raden van de Orde der geneesheren - 06-02-1970 - Art. 29 - 32 ELI link Pub nr 1970020608 Thesaurus CAS: ARTS Vrije woorden: Tuchtzaken - Hoger beroep - Te richten aan de voorzitter van de provinciale raad - Niet naleving van deze vereiste - Gevolg Wettelijke bepalingen: KB 6 februari 1970 tot regeling van de organisatie en de werking der raden van de Orde der geneesheren - 06-02-1970 - Art. 29 - 32 ELI link Pub nr 1970020608 Fiches 3 - 4 Er is geen onwettige beperking van het recht op toegang tot de rechter, dat deel uitmaakt van het recht op een gerecht of een rechter in de zin van artikel 6.1 EVRM, wanneer een hoger beroep niet wordt toegelaten op basis van een voorzienbare ontvankelijkheidsregel die de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient en die de appellant op een hem toerekenbare wijze niet heeft nageleefd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op toegang tot de rechter - Tuchtzaken - Hoger beroep - Ontvankelijkheidsregel - Beperking van het recht op toegang tot de rechter - Toepassing Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - TUCHTZAKEN Vrije woorden: Ontvankelijkheidsregel - Recht op toegang tot de rechter - Beperking - Toepassing Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. D.20.0006.N K. D. M., eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiser woonplaats kiest, tegen ORDE DER ARTSEN, met zetel te 1030 Schaarbeek, de Jamblinne de Meuxplein 34, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0218.023.930, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de Raad van beroep van de Orde der artsen, met het Nederlands als voertaal, van 13 januari
  1. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 11 februari 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling (...) Tweede onderdeel
  2. Krachtens artikel 29 van het koninklijk besluit van 6 februari 1970 tot regeling van de organisatie en de werking der raden van de Orde der geneesheren, hierna KB van 6 februari 1970, wordt het hoger beroep bij een ter post aangetekende brief gestuurd aan de voorzitter van de provinciale raad die de beslissing heeft gewezen.
  3. Deze bepaling vereist dat het hoger beroep wordt gestuurd aan de voorzitter van de provinciale raad die de beslissing heeft gewezen. Een hoger beroep dat niet is verstuurd aan de voorzitter van de provinciale raad die de beslissing heeft gewezen, voldoet niet aan die voorwaarde, ook al heeft de voorzitter van de provinciale raad kennis gekregen van het hoger beroep. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Derde onderdeel
  4. Krachtens artikel 6.1 EVRM heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. Het recht op toegang tot de rechter maakt deel uit van het recht op een gerecht of een rechter in de zin van artikel 6.1 EVRM. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat er geen onwettige beperking is van het recht op toegang tot de rechter wanneer een hoger beroep niet wordt toegelaten op basis van een voorzienbare ontvankelijkheidsregel die de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient en die de appellant op een hem toerekenbare wijze niet heeft nageleefd.
  5. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de eiser in een aangetekende brief, aan de post toevertrouwd op 6 maart 2019, meldde hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van 7 februari 2019 van de provinciale raad van de Orde der artsen van Vlaams-Brabant en Brussel waarbij hij werd veroordeeld tot de tuchtsanctie van schorsing van het recht de geneeskunde uit te oefenen gedurende zes maanden; - voormelde brief zowel in de hoofding als in het bewijs van aangetekende zending is gericht aan de voorzitter van de Orde der artsen, nationale raad, de Jamblinne de Meuxplein 34-35, 1030 Brussel; - artikel 29 van het KB van 6 februari 1970 bepaalt dat het beroep per aangetekende post wordt verstuurd aan de voorzitter van de provinciale raad die de beslissing heeft gewezen; - het naleven van deze bepaling een voorwaarde is voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep; - de artikelen 860 tot en met 867 van het Gerechtelijk Wetboek, die betrekking hebben op de nietigheid van proceshandelingen, niets bepalen omtrent de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van rechtsmiddelen; - het samen lezen van voormeld artikel 29 van het KB van 6 februari 1970 en van artikel 27, § 1, van het KB nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde van Artsen (hierna: Artsenwet) duidelijk maakt dat het voor een normaal verloop van de rechtspleging en voor de handhaving van de naleving van de door de provinciale raden opgelegde schorsingen en voor het toezicht daarop, nodig is streng de hand te houden aan de regel dat alleen de per post in te stellen beroepen gestuurd aan de voorzitter van de provinciale raden als ontvankelijk kunnen worden aanvaard; - artikel 27, § 1, Artsenwet immers bepaalt dat de tenuitvoerlegging van een definitief geworden tuchtstraf ingaat bij het verstrijken van een termijn van dertig vrije dagen, vanaf de kennisgeving aan de arts van die beslissing; - het, doordat na de kennisgeving aan de arts van de beslissing van de provinciale raad, enkel bij aangetekend schrijven aan de voorzitter van de provinciale raad een ontvankelijk hoger beroep kan worden ingesteld, bij ontvangst van het aangetekend schrijven over het hoger beroep voor de provinciale raad onmiddellijk duidelijk zal zijn of en wanneer een schorsing of een schrapping definitief is geworden; - bij de aangetekende zending van 14 februari 2019, waarbij de beslissing van 7 februari 2019 van de provinciale raad betekend werd aan de eiser, een "verklarende nota bij de kennisgeving van disciplinaire sanctie" was gevoegd waarin expliciet werd vermeld tot wanneer en op welke wijze hoger beroep kan worden ingesteld en aan wie het moet zijn gericht; - uit het gegeven dat de eiser de brief van 6 maart 2019 blijkbaar zelf opstelde en hierin niet werd bijgestaan door een advocaat niets kan worden afgeleid; - de eiser zonder enige twijfel over de feitelijke mogelijkheden beschikte om, wanneer hij dit wenste, een raadsman te contacteren; - er in onderhavig geval geen excessief formalisme is aangezien artikel 29 van het KB van 6 februari 1970 duidelijk en eenvoudig is in zijn redactie en zijn inhoud; - om het betreffende artikel na te leven zelfs geen juridische vorming of kennis is vereist, te meer daar de begeleidende brief bij de kennisgeving van de beslissing van de provinciale raad expliciet vermeldt aan wie de beroepsakte dient te worden gericht; - het feit dat er briefwisseling is geweest met de voorzitter van de provinciale raad daar niets aan afdoet.
  6. De appelrechters die het hoger beroep van de eiser niet-ontvankelijk verklaren op grond van een voorzienbare ontvankelijkheidsregel die de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient en die de eiser op een hem toerekenbare wijze niet heeft nageleefd, verantwoorden zodoende hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 201,92 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 23 april 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210423.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210423.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.