id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210423.1N.7 Rolnummer: C.20.0238.N Zaak: L. contra STAD GENK Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-08-20 Raadplegingen: 817 - laatst gezien 2026-06-16 07:25 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210423.1N.7 Fiche 1 De verjaringstermijn van de vordering tot wederoverdracht begint slechts te lopen vanaf het ogenblik dat de onteigenaar heeft erkend, hetzij door middel van een uitdrukkelijke beslissing hetzij door handelingen die redelijkerwijze een dergelijke erkenning inhouden, dat het onteigende goed niet zal worden aangewend voor de realisatie van het onteigeningsdoel
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Vrije woorden: Onteigende goed - Vordering tot wederoverdracht - Verjaringstermijn - Aanvang Wettelijke bepalingen: Wet 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte - 17-04-1835 - Art. 23, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1835041750 Fiche 2 De rechter oordeelt in feite of de handelingen van de onteigenaar redelijkerwijze een erkenning inhouden dat het onteigende goed niet zal worden aangewend voor de realisatie van het onteigeningsdoel en kan bij de beoordeling hiervan rekening houden met de specifieke aard en de omvang van dat doel, de concrete omstandigheden van de zaak en het gebrek aan begin van realisatie van het onteigeningsdoel binnen een bepaalde termijn
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE Vrije woorden: Onteigende goed - Geen aanwending voor de realisatie van het onteigeningsdoel - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Wet 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte - 17-04-1835 - Art. 23, eerste en tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1835041750 Tekst van de beslissing Nr. C.20.0238.N M. L., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
- STAD GENK, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met zetel te 3600 Genk, Stadsplein 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.201.797,
- NIEUW DAK cv, met zetel te 3600 Genk, Grotestraat 65, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0401.334.035, verweersters, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweersters woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 4 maart
- Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 4 maart 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 23, eerste lid, Onteigeningswet 1835, zoals hier van toepassing, zal, indien de voor werken van algemeen nut verworven gronden die bestemming niet krijgen, middels een bericht overeenkomstig artikel 3 van de wet van 27 mei 1870 houdende vereenvoudiging van de administratieve formaliteiten inzake onteigening te algemenen nutte, worden bekend gemaakt welke gronden het bestuur wenst terug te verkopen. Binnen drie maanden na die bekendmaking zijn de vorige eigenaars die de bedoelde gronden willen terugkopen, ertoe gehouden dit te verklaren, op straffe van verval. Krachtens artikel 23, tweede lid, Onteigeningswet 1835 kunnen de vorige eigenaars of hun rechthebbenden de teruggave van die gronden vragen ingeval het bestuur niet tot voormelde bekendmaking overgaat. Die teruggave zal in rechte worden bevolen op de verklaring van het bestuur dat de gronden niet meer bestemd zijn om te dienen voor de werken waarvoor ze werden aangekocht.
- De verjaringstermijn van de vordering tot wederoverdracht begint slechts te lopen vanaf het ogenblik dat de onteigenaar heeft erkend, hetzij door middel van een uitdrukkelijke beslissing hetzij door handelingen die redelijkerwijze een dergelijke erkenning inhouden, dat het onteigende goed niet zal worden aangewend voor de realisatie van het onteigeningsdoel. De rechter kan bij de beoordeling of handelingen van de onteigenaar redelijkerwijze een erkenning inhouden dat het onteigende goed niet zal worden aangewend voor de realisatie van het onteigeningsdoel, rekening houden met de specifieke aard en de omvang van dat doel, de concrete omstandigheden van de zaak en het gebrek aan begin van realisatie van het onteigeningsdoel binnen een bepaalde termijn.
- De rechter oordeelt in feite of de handelingen van de onteigenaar redelijkerwijze een erkenning inhouden dat het onteigende goed niet zal worden aangewend voor de realisatie van het onteigeningsdoel. Het Hof kan evenwel nagaan of de rechter uit de door hem vastgestelde feitelijke elementen naar recht dergelijke erkenning van de onteigenaar heeft kunnen afleiden.
- De appelrechters stellen vast dat de tweede verweerster als onteigenaar: - in dit geval van onteigening met het oog op de bouw van een sociale woonwijk gedurende twintig jaar niet is overgegaan tot de beoogde bouw; - zelfs geen concrete voorbereidingen heeft getroffen voor deze bouw, bijvoorbeeld door het opstarten van procedures voor het verkrijgen van bouwvergunningen of milieuvergunningen of door het voeren van procedures tegen tegenstanders van het bouwproject; - ondertussen elders is overgegaan tot de bouw van andere sociale woonwijken.
- De appelrechters die op grond van deze vaststellingen oordelen dat: - de tweede verweerster als onteigenaar redelijkerwijze heeft erkend dat het onteigende goed niet zal worden gebruikt worden voor de realisatie van het onteigeningsdoel; - de verjaringstermijn van de vordering tot wederoverdracht van de eiseres is aangevangen op 12 mei 1985 en meer precies twintig jaar na de datum van de notariële akte tot eigendomsoverdracht van het onteigende goed aan de tweede verweerster als onteigenaar, zodat de meer dan dertig jaar later bij dagvaarding van 7 maart 2016 ingestelde zakenrechtelijke vordering van de eiseres is verjaard, verantwoorden hun beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 598,22 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 23 april 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210423.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210423.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div