← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210427.2N.14 Rolnummer: P.21.0459.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-05-03 Raadplegingen: 422 - laatst gezien 2026-06-19 23:38 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de bepalingen van artikel 24 dat de voorwaardelijke invrijheidstelling definieert en artikel 64, 3°, Wet Strafuitvoering, volgt dat het niet aan de voorwaardelijk in vrijheid gestelde veroordeelde toekomt te bepalen op welke wijze hij de opgelegde voorwaarden moet nakomen in functie van de met de opgelegde voorwaarden beoogde doelstellingen maar hij moet de hem door de strafuitvoeringsrechtbank opgelegde voorwaarden nakomen en beschikt niet over de vrijheid om deze op een andere wijze uit te voeren, ook als eventueel op die andere wijze de beoogde doelstellingen zouden kunnen worden bereikt; de strafuitvoeringsrechtbank is bij niet-naleving van de door haar opgelegde voorwaarden gerechtigd de modaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Voorwaardelijke invrijheidstelling - Doelstelling van de opgelegde voorwaarden - Herroeping wegens niet-naleving van de opgelegde voorwaarden - Keuzevrijheid van de voorwaardelijk in vrijheid gestelde veroordeelde - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 24 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 64, 3° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0459.N B. P. T. D., veroordeelde tot een vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. David Thoeng, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 24 maart

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Derde onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: eisers recht van verdediging werd miskend doordat hem de kans werd ontnomen om de wil van de strafuitvoeringsrechtbank tot een langdurige residentiële opname te trachten te verzoenen met een gedwongen dan wel vrijwillige verlenging van zijn opname in ‘Le chêne aux Haies', wat had kunnen worden gerealiseerd middels een heropening van het debat; na het vonnis is overigens gebleken dat de eiser ook na afloop van de inobservatiestelling wel degelijk ook op vrijwillige basis verder kan worden behandeld op de afdeling verslavingszorg van het psychiatrische centrum ‘Le chêne aux Haies'; er wordt gesproken over een behandelingstermijn van zes maanden, waarmee dus aan de initiële voorwaarde van een langdurige residentiële behandeling opgenomen in het vonnis van 17 februari 2021 tot voorwaardelijke invrijheidstelling, tegemoet wordt gekomen.
  3. Artikel 6 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging zijn vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  4. Artikel 24 Wet Strafuitvoering definieert de voorwaardelijke invrijheidstelling als een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf waardoor de veroordeelde zijn straf ondergaat buiten de gevangenis, mits naleving van de voorwaarden die hem gedurende een bepaalde proeftijd worden opgelegd. Krachtens artikel 64, 3°, Wet Strafuitvoering kan het openbaar ministerie met het oog op de herroeping van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteiten de zaak bij de strafuitvoeringsrechtbank aanhangig maken wanneer de opgelegde bijzondere voorwaarden niet worden nageleefd.
  5. Uit deze bepalingen volgt dat het niet aan de voorwaardelijk in vrijheid gestelde veroordeelde toekomt te bepalen op welke wijze hij de opgelegde voorwaarden moet nakomen in functie van de met de opgelegde voorwaarden beoogde doelstellingen. Hij moet de hem door de strafuitvoeringsrechtbank opgelegde voorwaarden nakomen en beschikt niet over de vrijheid om deze op een andere wijze uit te voeren, ook als eventueel op die andere wijze de beoogde doelstellingen zouden kunnen worden bereikt. De strafuitvoeringsrechtbank is bij niet-naleving van de door haar opgelegde voorwaarden gerechtigd de modaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Eerste onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 24 tot en met 28 Gerechtelijk Wetboek en miskenning van het gezag van gewijsde: met het oordeel dat de strafuitvoeringsrechtbank geen kennis heeft van het feit dat de eiser op het moment van de rechtszitting leed aan een geestesziekte en door de eerder toegekende voorlopige invrijheidstelling te herroepen omdat de eiser niet werd opgenomen in Trempoline voor een langdurige begeleiding, zoals bij vonnis van 17 februari 2021 werd bevolen, miskent het vonnis het gezag en de kracht van gewijsde van het vonnis van de vrederechter van La Louvière van 9 maart 2021, waarin de staat van de geestesstoornis werd beoordeeld; de medische toestand van de eiser werd duidelijk geattesteerd in een medisch attest waarop de vrederechter zich heeft gebaseerd; het is immers maar 40 dagen na het vonnis waarin tot inobservatiename is besloten dat de vrederechter zich opnieuw dient te buigen over de vraag of is voldaan aan de voorwaarden voor een gedwongen opname.
  7. De strafuitvoeringsrechtbank die een strafuitvoeringsmodaliteit herroept bij toepassing van artikel 64, 3°, Wet Strafuitvoering omdat de veroordeelde geen gevolg heeft gegeven aan de voorwaarde zich tegen een bepaald tijdstip te laten opnemen in een met name aangewezen voorziening voor een residentiële behandeling, miskent niet het gezag van gewijsde van de beslissing van de vrederechter waarbij die op grond van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke de opneming ter observatie heeft bevolen van de veroordeelde in een door hem aangewezen instelling. De beide beslissingen hebben immers een ander voorwerp. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis dat louter vaststelt dat de eiser zijn voorwaarden tot opname in Trempoline niet heeft nageleefd, terwijl hij toch was opgenomen in een instelling voor de bestrijding van zijn alcoholproblematiek en daarmee gepaard gaande andere stoornissen, is niet afdoende gemotiveerd; zowel de opname in Trempoline als de andere gedwongen opname hadden immers tot doel om te werken aan zijn verslavingsproblematiek; de strafuitvoeringsrechtbank had op uitdrukkelijke vraag van eisers raadsman het debat moeten heropenen kort voor de afloop van de periode van verplichte inobservatiename om na te gaan of de eiser nog verder gedwongen in de betrokken instelling zou moeten verblijven.
  9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser om een heropening van het debat heeft verzocht. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  10. Voor het overige komt het onderdeel, dat een motiveringsgebrek aanvoert, in werkelijkheid op tegen de beoordeling van de feiten door de rechter of verplicht het tot een onderzoek van de feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,67 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 27 april 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210427.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.