id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210427.2N.15 Rolnummer: P.21.0185.N Zaak: R. contra T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-05-03 Raadplegingen: 726 - laatst gezien 2026-06-20 01:35 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 De bepalingen van artikel 6.3.d EVRM, dat bijzondere toepassingsmodaliteiten bevat van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, kennen aan een beklaagde geen absoluut of onbeperkt recht toe om getuigen à décharge op de rechtszitting als getuige te horen; het komt aan de beklaagde toe aan te tonen en te motiveren dat het horen van een getuige à décharge noodzakelijk is voor de waarheidsvinding en het staat dan aan de rechter om daarover te oordelen, waarbij hij erover dient te waken dat het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet in het gedrang wordt gebracht. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Horen van een getuige à décharge op de rechtszitting - Aanvoering - Noodzakelijkheid voor de waarheidsvinding - Beoordeling - Recht op een eerlijk proces - Draagwijdte Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Horen van een getuige à décharge op de rechtszitting - Aanvoering - Noodzakelijkheid voor de waarheidsvinding - Beoordeling - Recht op een eerlijk proces - Draagwijdte Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Horen van een getuige à décharge op de rechtszitting - Aanvoering - Noodzakelijkheid voor de waarheidsvinding - Beoordeling - Recht op een eerlijk proces - Draagwijdte Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Getuigen - Rechter ten gronde - Horen van een getuige à décharge op de rechtszitting - Aanvoering - Noodzakelijkheid voor de waarheidsvinding - Beoordeling - Recht op een eerlijk proces - Draagwijdte Fiches 5 - 8 De rechter moet zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à décharge steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst; daarbij kan de rechter onder meer rekening houden met de betrouwbaarheid van de af te leggen verklaring gelet op de relatie van de getuige met de betrokken partijen en met het nut van diens verklaring voor de waarheidsvinding in verhouding tot de gewichtigheid van de reeds voorliggende bewijselementen. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à décharge op de rechtszitting - Beoordeling - Criteria - Wijze Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à décharge op de rechtszitting - Beoordeling - Criteria - Wijze Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à décharge op de rechtszitting - Beoordeling - Criteria - Wijze Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Getuigen - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à décharge op de rechtszitting - Beoordeling - Criteria - Wijze Tekst van de beslissing Nr. P.21.0185.N J. I. H. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Walter Damen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2600 Antwerpen (Berchem), Elisabethlaan 122, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- L. T., burgerlijke partij,
- S. D. C., burgerlijke partij, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 13 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest verleent akte aan het openbaar ministerie van de afstand van zijn hoger beroep tegen de vrijspraak van de eiser voor de telastlegging A en oordeelt dat die vrijspraak definitief is. In zoverre tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat van bij de aanvang van het onderzoek een tunnelvisie is ontwikkeld waarvan gedurende de ganse rechtspleging niet meer is afgeweken; meermaals zijn onderzoekshandelingen niet uitgevoerd; de appelrechters gaan uit van de schuld van de eiser, interpreteren het ganse strafdossier in zijn nadeel en maken subjectieve veronderstellingen; de eerste rechter en de appelrechters besteden geen aandacht aan de elementen à décharge in het strafdossier; aldus is eisers zaak niet objectief, onafhankelijk en onpartijdig beoordeeld.
- In zoverre het onderdeel niet gericht is tegen het arrest, maar tegen het gevoerde strafonderzoek en het beroepen vonnis, is het niet ontvankelijk.
- In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het evenmin ontvankelijk.
- De appelrechters leiden de schuld van de eiser aan de hem ten laste gelegde feiten van voyeurisme af uit een geheel van gegevens geput uit de resultaten van het gerechtelijk onderzoek. Uit niets blijkt dat zij bij die beoordeling niet objectief, onafhankelijk of onpartijdig zouden zijn geweest. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat de appelrechters ten onrechte eisers verzoek verwerpen om I.S. als getuige à décharge ter rechtszitting te horen, terwijl zij eisers verweer dat zijn stiefzoon mogelijks achter de geheime opnames van zijn stiefdochter zit, ongeloofwaardig achten; het arrest verduidelijkt niet waarom de gevraagde onderzoekshandelingen niet dienstig zijn voor de waarheidsvinding.
- Volgens artikel 6.3.d EVRM, dat bijzondere toepassingsmodaliteiten bevat van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd ook het recht getuigen à décharge te ondervragen of te doen ondervragen.
- Die bepalingen kennen aan een beklaagde evenwel geen absoluut of onbeperkt recht toe om getuigen à décharge op de rechtszitting als getuige te horen. Het komt aan de beklaagde toe aan te tonen en te motiveren dat het horen van een getuige à décharge noodzakelijk is voor de waarheidsvinding. Het staat dan aan de rechter om daarover te oordelen, waarbij hij erover dient te waken dat het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet in het gedrang wordt gebracht.
- De rechter moet zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à décharge steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. Daarbij kan de rechter onder meer rekening houden met de betrouwbaarheid van de af te leggen verklaring gelet op de relatie van de getuige met de betrokken partijen en met het nut van diens verklaring voor de waarheidsvinding in verhouding tot de gewichtigheid van de reeds voorliggende bewijselementen.
- Het arrest verwerpt eisers verzoek om I.S. als getuige à décharge te horen op grond van de volgende redenen: - I.S. kan over de aan de eiser ten laste gelegde feiten geen nuttige verklaring afleggen omdat zij daarbij niet aanwezig was; - het problematische gedrag van de stiefzoon, waarvan I.S. op de hoogte is, staat niet ter discussie; - de getuigenis van I.S., als grootmoeder van de stiefzoon, zou hoe dan ook met de nodige omzichtigheid moeten worden benaderd; - de getuigenis van I.S. is niet nodig voor de waarheidsvinding omdat uit de verder opgesomde bewijselementen blijkt dat niet de stiefzoon maar wel de eiser de dader van de feiten is en aan die oordeelsvorming van de appelrechters geen afbreuk zou worden gedaan door een hoe dan ook fragmentaire verklaring van I.S., die de feiten zelf niet heeft geobserveerd. Uit die redenen volgt dat de appelrechters eisers verzoek hebben beoordeeld op grond van relevante criteria en rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Het onderdeel preciseert niet welke andere onderzoekshandelingen het arrest weigert uit te voeren of hoe de eiser door die weigering kan zijn gegriefd. In zoverre is het onderdeel onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert miskenning aan van de motiveringsverplichting: het arrest motiveert niet waarom het de gevraagde onderzoekshandelingen afwijst; het gaat niet in op eisers verweer à décharge of op de door hem bijgebrachte stukken en weerlegt zijn verweer niet; het oordeelt dat de sociale toestand van de eiser ter rechtszitting werd toegelicht, maar gaat er niet op in en legt bijgevolg aan de eiser een nauwelijks gemotiveerde straf op.
- In zoverre het middel is afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde onwettigheden, is het niet ontvankelijk.
- De rechter moet niet antwoorden op stukken, maar enkel op een in een conclusie gevoerd verweer. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Onder de hoofdingen "4.5 Verhoor getuige" en "4.
- Beoordeling van de schuld" vermeldt het arrest omstandig de bewijselementen die de appelrechters overtuigen van de schuld van de eiser, oordeelt het dat de waarheidsvinding gelet op die bewijselementen geen verdere onderzoekshandelingen meer vereist en legt het uit waarom het gevraagde getuigenverhoor wordt geweigerd. Daarmee weerlegt en beantwoordt het arrest het andersluidend verweer van de eiser en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed, zonder dat de appelrechters nog verder in detail moesten ingaan op het bedoelde verweer. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat overeenkomstig artikel 211 Wetboek van Strafvordering van toepassing is op de hoven van beroep, verplicht de rechter om de keuze voor straffen of maatregelen die de wet aan zijn vrije beoordeling laat, alsook de maat ervan, nauwkeurig te motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn.
- Die bepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel vereist dat de rechter de ter rechtszitting toegelichte sociale toestand van een beklaagde inhoudelijk bespreekt. In zoverre faalt het middel eveneens naar recht.
- Met de redenen vermeld onder de hoofding "4.7 Beoordeling van de strafmaat" motiveert het arrest de aan de eiser opgelegde straffen en de maat ervan aan de hand van de aard en de ernst van de feiten, de strafrechtelijke antecedenten van de eiser en zijn persoonlijkheid zoals toegelicht door een gerechtsdeskundige. Die beslissing is regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 27 april 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210427.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230425.2N.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div