← België

E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210427.2N.3 Rolnummer: P.21.0255.N Zaak: E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-05-03 Raadplegingen: 971 - laatst gezien 2026-06-19 23:38 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De omstandigheid dat de beslissing over de onmiddellijke aanhouding samengaat met een strafrechtelijke veroordeling en daarmee voor wat betreft het instellen van rechtsmiddelen één geheel vormt

(1), belet niet dat de beslissing over die strafrechtelijke veroordeling en de bijkomende navolgende beslissing over de onmiddellijke aanhouding twee afzonderlijke beslissingen zijn.
(1)Zie Cass. 25 april 2000, AR P.00.0608.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000425.8, AC 2000, nr.
  1. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Veroordelend vonnis of arrest - Beslissing over de onmiddellijke aanhouding - Eén geheel - Afzonderlijke beslissingen - Draagwijdte Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - ONMIDDELLIJKE AANHOUDING Vrije woorden: Veroordelend vonnis of arrest - Beslissing over de onmiddellijke aanhouding - Eén geheel - Afzonderlijke beslissingen - Draagwijdte Fiches 3 - 5 De bepalingen van de artikelen 782 en 782bis, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek zijn ook van toepassing op een veroordelende beslissing in strafzaken die aanleiding kan geven tot het bevelen van een onmiddellijke aanhouding overeenkomstig artikel 33, § 2, Voorlopige Hechteniswet; derhalve is voor een dergelijke veroordelende beslissing niet vereist dat de rechters die de beslissing hebben gewezen aanwezig zijn bij de uitspraak. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN Vrije woorden: Veroordelend vonnis of arrest dat aanleiding kan geven tot onmiddellijke aanhouding - Samenstelling van de zetel - Toepasselijke wetsbepalingen - Uitspraak - Wijze Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 782 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 782bis, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 33, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Veroordelend vonnis of arrest dat aanleiding kan geven tot onmiddellijke aanhouding - Samenstelling van de zetel - Toepasselijke wetsbepalingen - Uitspraak - Wijze Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 782 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 782bis, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 33, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - ONMIDDELLIJKE AANHOUDING Vrije woorden: Veroordelend vonnis of arrest dat aanleiding kan geven tot onmiddellijke aanhouding - Samenstelling van de zetel - Toepasselijke wetsbepalingen - Uitspraak - Wijze Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 782 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 782bis, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 33, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 6 - 7 Ingevolge de verwerping van een cassatieberoep tegen een veroordelend arrest, verkrijgt het arrest wat betreft de beslissingen op de strafvordering kracht van gewijsde zodat het cassatieberoep, in zoverre ook gericht is tegen de beslissing waarbij de onmiddellijke aanhouding wordt bevolen, geen bestaansreden meer heeft. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Gemis aan belang of bestaansreden Vrije woorden: Veroordelend arrest - Beslissing over de onmiddellijke aanhouding - Verwerping - Gevolgen Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - ONMIDDELLIJKE AANHOUDING Vrije woorden: Veroordelend vonnis of arrest - Beslissing over de onmiddellijke aanhouding - Cassatieberoep - Verwerping - Gevolgen Tekst van de beslissing Nr. P.21.0255.N
  2. D. E., beklaagde,
  3. M. E., beklaagde, eisers, beiden met als raadsman mr. Mathias De Daele, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Van Eycklei 5, waar de eisers woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 22 januari
  4. De eisers 1 en 2 voeren in memories die aan dit arrest zijn gehecht, elk drie gelijkluidende middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 779 Gerechtelijk Wetboek: bij de uitspraak werd raadsheer De Troy die aanwezig was bij de behandeling van de zaak en die heeft deelgenomen aan de beraadslaging, vervangen door raadsheer De Gryse, die mee heeft beslist over het bevelen van de onmiddellijke aanhouding van de eisers; er wordt evenwel niet vermeld dat raadsheer De Troy zich in de onmogelijkheid bevond om de uitspraak over de zaak bij te wonen, terwijl het arrest de wettelijke verhindering van raadsheer De Troy had moeten vermelden; de beslissing over de onmiddellijke aanhouding vormt één geheel met de veroordelende beslissing zelf.
  6. De omstandigheid dat de beslissing over de onmiddellijke aanhouding samengaat met een strafrechtelijke veroordeling en daarmee voor wat betreft het instellen van rechtsmiddelen één geheel vormt, belet niet dat de beslissing over die strafrechtelijke veroordeling en de bijkomende navolgende beslissing over de onmiddellijke aanhouding twee afzonderlijke beslissingen zijn.
  7. Artikel 782 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis voor de uitspraak wordt ondertekend door de rechters die het hebben gewezen. Artikel 782bis, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis wordt uitgesproken door de voorzitter van de kamer die het heeft gewezen, zelfs in afwezigheid van de andere rechters. Die bepalingen zijn ook van toepassing op een veroordelende beslissing in strafzaken die aanleiding kan geven tot het bevelen van een onmiddellijke aanhouding overeenkomstig artikel 33, § 2, Voorlopige Hechteniswet. Derhalve is voor een dergelijke veroordelende beslissing niet vereist dat de rechters die de beslissing hebben gewezen aanwezig zijn bij de uitspraak.
  8. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het arrest werd ondertekend door de raadsheren Van Impe, Storme en De Troy en het werd uitgesproken door de voorzitter Van Impe. Het arrest werd bijgevolg uitgesproken overeenkomstig de artikelen 782 en 782bis Gerechtelijk Wetboek. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters miskennen de in deze bepalingen vervatte motiveringsverplichting door enerzijds te oordelen dat het strafonderzoek geen normale voortgang heeft gekend en anderzijds hieraan geen gevolgen te verbinden maar integendeel te oordelen dat de duur van de procedure geen reden is om de aan de eisers 1 en 2 opgelegde straffen te verminderen; dit komt neer op een tegenstrijdige motivering en het levert een onduidelijke en dubbelzinnige motivering op.
  11. In zoverre het middel een dubbelzinnigheid in de motivering aanvoert, zonder te preciseren in welke lezing de beslissing wettig is en in welke andere lezing ze onwettig is, is het bij gebrek aan precisie niet ontvankelijk.
  12. Tegenstrijdig zijn oordelen van eenzelfde beslissing die elkaar teniet te doen of opheffen. Dat is niet geval met eensdeels het oordeel dat het strafonderzoek geen normale voortgang heeft gekend en anderdeels het oordeel dat de duur van de procedure geen reden is om de aan de eisers 1 en 2 op te leggen straffen te verminderen. Die motivering is evenmin onduidelijk. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Derde middel
  13. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eisers 1 en 2 slechts in november 2017 zouden zijn verontrust; het strafonderzoek nam immers een aanvang in 2013 en het onderzoek heeft jaren lang stil gelegen; het arrest kan niet oordelen dat het onredelijk lang aanslepen van het strafonderzoek de eisers 1 en 2 niet heeft gegriefd en dat de onredelijke totale duur geen gevolgen heeft voor de straftoemeting. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt restrictief over het beginpunt van de redelijke termijn, terwijl uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de vereiste van een soepele beoordeling volgt; het weigert de periode waarin het onderzoek onredelijk lang heeft geduurd in aanmerking te nemen; de inbeschuldigingstelling als aanvangspunt voor de redelijke termijn kan blijken uit het afleveren van een internationaal aanhoudingsbevel; lastens de eiser 1 werd op 18 februari 2015 een internationaal bevel tot aanhouding uitgevaardigd en lastens de eiser 2 werd op 17 oktober 2016 een Europees aanhoudingsbevel uitgereikt; de zaak heeft op 17 juni 2013 ook media-aandacht gekend; uit een proces-verbaal van 3 juli 2013 betreffende de uitlezing van een gsm van een medebeklaagde blijkt dat die werd opgebeld door de eiser
  14. Het aanvangspunt voor de berekening van de redelijke termijn is het tijdstip waarop een vervolgde persoon door een officiële kennisgeving van een bevoegde overheid of op een andere wijze weet dat hij het voorwerp uitmaakt van een vervolging. De omstandigheid dat het tegen een verdachte gerichte gerechtelijk onderzoek niet met de vereiste voortvarendheid is gevoerd, is voor de bepaling van het aanvangspunt van de redelijke termijn als dusdanig niet relevant. Die aanvang vereist immers bij de vervolgde persoon de kennis dat tegen hem een vervolging is ingesteld. In zoverre het middel in zijn beide onderdelen uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  15. De rechter bepaalt onaantastbaar op basis van de dossiergegevens op welk ogenblik een beklaagde kennis kreeg van de tegen hem gerichte vervolging. In zoverre het middel in zijn beide onderdelen verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is of opkomt tegen het oordeel van de appelrechters dat de eisers 1 en 2 pas kennis kregen van de tegen hen gerichte vervolging op het ogenblik van de oproeping voor de raadkamer, is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
  17. Ingevolge de hierna uit te spreken verwerping van de cassatieberoepen van de eisers 1 en 2, verkrijgt het arrest wat betreft de beslissingen op de strafvordering kracht van gewijsde. In zoverre de cassatieberoepen ook gericht zijn tegen de beslissingen waarbij de onmiddellijke aanhouding van de eisers 1 en 2 wordt bevolen, hebben die geen bestaansreden meer.
  18. In zoverre het eerste middel van de eisers 1 en 2 in zijn beide onderdelen betrekking heeft op de beslissingen waarbij hun onmiddellijke aanhouding werd bevolen en dus is gericht tegen beslissingen waartegen de cassatieberoepen geen bestaansreden meer hebben, behoeft het geen antwoord. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers 1 en 2 tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 90,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 27 april 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210427.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211006.2F.8 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220427.2F.3 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230919.2N.19 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231115.2F.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000425.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.