id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210427.2N.8 Rolnummer: P.21.0344.N Zaak: PROCUREUR-GENERAAL TE GENT contra P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-05-03 Raadplegingen: 763 - laatst gezien 2026-06-19 23:36 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de bepalingen van de artikelen 835, 836 en 838, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, volgt dat alle op een bepaald moment gekende wrakingsgronden tegelijkertijd moeten worden voorgedragen, alsook dat de wrakingsrechter slechts uitspraak kan doen op grond van de middelen die in de wrakingsakte zijn vervat en aan de tegenspraak van de gewraakte rechter zijn voorgelegd zodat aanvullende wrakingsmiddelen, aangevoerd in een voor de wrakingsrechter genomen conclusie, niet ontvankelijk zijn
(1); dit belet echter niet dat de verzoeker tot wraking in een voor de wrakingsrechter genomen conclusie, eventueel in antwoord op de verklaring van de gewraakte rechter of de conclusie van het openbaar ministerie, de wrakingsmiddelen uit zijn wrakingakte toelicht, mits daarbij geen nieuwe wrakingsmiddelen aan te voeren waarover de gewraakte rechter geen standpunt heeft kunnen innemen.
(1)Cass. 21 april 2011, AR C.11.0054.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110421.3, AC 2011, nr. 277; Cass. 13 juli 2010, AR C.10.0380.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100713.4, AC 2010, nr.
- Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Strafzaken - Vordering tot wraking - Rechtspleging - Wrakingsgronden - Wrakingsrechter - Aanvullende wrakingsmiddelen - Ontvankelijkheid - Toelichting - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 835 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 836 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 838, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0344.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, eiser, tegen J. P., verzoeker tot wraking, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, burgerlijke kamer, van 25 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 828, 1°, en 835 Gerechtelijk Wetboek: het arrest verklaart de vordering tot wraking van de verweerder tegen de onderzoeksrechter wegens wettige verdenking ontvankelijk en gegrond; het oordeelt dat niet alleen rekening moet worden gehouden met de in het verzoekschrift tot wraking geciteerde finale passage uit de begeleidende nota bij het Europees onderzoeksbevel van de onderzoeksrechter van 2 augustus 2018, maar met de volledige begeleidende nota, zoals voorgehouden in de conclusie van de verweerder; het oordeelt vervolgens dat een aantal passages uit die begeleidende nota, samen gelezen met de in het verzoekschrift opgenomen passage, wijzen op vooringenomenheid bij de onderzoeksrechter; de appelrechters konden evenwel enkel uitspraak doen over het wrakingsmiddel vermeld in de wrakingsakte zelf en niet over bij conclusie aangevoerde aanvullende wrakingsmiddelen, bestaande in de verwijzing naar andere passages uit de begeleidende nota.
- Krachtens artikel 835 Gerechtelijk Wetboek wordt de vordering tot wraking op straffe van nietigheid ingeleid bij een ter griffie neergelegde akte die de middelen bevat. Artikel 836 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de akte van wraking binnen vierentwintig uren door de griffier wordt overhandigd aan de gewraakte rechter en dat die rechter gehouden is binnen twee dagen onderaan op die akte een verklaring te stellen, luidens welke hij in de wraking berust of weigert zich van de zaak te onthouden, met zijn antwoord op de middelen van wraking. Volgens artikel 838, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek wordt over de wraking binnen acht dagen uitspraak gedaan door de bevoegde rechter, op de conclusie van het openbaar ministerie, nadat de partijen behoorlijk zijn opgeroepen om hun opmerkingen te horen.
- Uit die bepalingen volgt dat alle op een bepaald moment gekende wrakingsgronden tegelijkertijd moeten worden voorgedragen, alsook dat de wrakingsrechter slechts uitspraak kan doen op grond van de middelen die in de wrakingsakte zijn vervat en aan de tegenspraak van de gewraakte rechter zijn voorgelegd. Aanvullende wrakingsmiddelen, aangevoerd in een voor de wrakingsrechter genomen conclusie, zijn bijgevolg niet ontvankelijk.
- Dit belet echter niet dat de verzoeker tot wraking in een voor de wrakingsrechter genomen conclusie, eventueel in antwoord op de verklaring van de gewraakte rechter of de conclusie van het openbaar ministerie, de wrakingsmiddelen uit zijn wrakingakte toelicht, mits daarbij geen nieuwe wrakingsmiddelen aan te voeren waarover de gewraakte rechter geen standpunt heeft kunnen innemen.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - in zijn verzoekschrift tot wraking van 5 februari 2021 heeft de verweerder, als grondslag voor zijn in het middel vermelde wrakingsgrond tegen de onderzoeksrechter, uit de begeleidende nota van deze laatste bij haar Europees onderzoeksbevel van 2 augustus 2018 de volgende passage aangehaald: "Gelet op hetgeen hierboven werd uiteengezet en teneinde een en ander te kunnen verder onderzoeken en onder meer na te gaan of de gegevens en resultaten van het in Zwitserland te voeren onderzoek bewijzen à charge en/of à décharge inhouden tegen één of meerdere van de hierboven genoemde personen en/of ons te kunnen toelaten de ware toedracht van de gepleegde feiten door voormelde inverdenkinggestelden verder en duidelijker in beeld te brengen, komt het noodzakelijk voor dat in Nederland verder onderzoek zou worden gedaan en ben ik zo vrij te vragen dat hierna vermelde onderzoekshandelingen bij hoogdringendheid zouden worden uitgevoerd; (...)"; - in haar verklaring van 5 februari 2021 heeft de onderzoeksrechter geweigerd zich van de zaak te onthouden omdat zij van oordeel is geen standpunt over de schuld van de verweerder te hebben ingenomen; - bij conclusie van 8 februari 2021 heeft het openbaar ministerie de wrakingsrechter verzocht het verzoek tot wraking ontvankelijk maar ongegrond te verklaren omdat de onderzoeksrechter in haar onderzoeksbevel niet heeft vermeld dat de verweerder strafbare feiten zou hebben gepleegd; - in zijn conclusie (p. 16-21) neergelegd ter rechtszitting van 18 februari 2021 heeft de verweerder aangevoerd dat de door de onderzoeksrechter bedoelde feiten wel degelijk strafrechtelijke feiten betroffen die de onderzoeksrechter lastens hem bewezen achtte. Daarbij heeft hij onder meer vermeld: "dit klemt des te meer nu de onderzoeksrechter voorafgaand (,Gelet op hetgeen hierboven werd uiteengezet') in haar motivering van het verzoek aan de Nederlandse overheid overweegt wat uit het onderzoek als bewezen voorkomt, namelijk: (...)", gevolgd door een aantal andere passages uit de bedoelde nota, waarop ook het arrest steunt om de vordering tot wraking gegrond te verklaren.
- Hieruit volgt dat de verweerder met de in zijn conclusie bijkomend aangehaalde passages uit de nota bij het Europees onderzoeksbevel van de onderzoeksrechter enkel nadere toelichting heeft verschaft bij het gebrek aan onpartijdigheid dat hij haar reeds in zijn verzoekschrift tot wraking heeft verweten omdat zij in die nota zonder voorbehoud heeft aangegeven dat hij strafbare feiten heeft gepleegd. Die bijkomende aanhalingen maken zodoende geen nieuw wrakingsmiddel uit waarover de onderzoeksrechter geen standpunt heeft kunnen innemen, maar elementen waarmee het arrest rekening kan houden om de vordering tot wraking te beoordelen. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Laat de kosten ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten tot op heden op 0,00 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 27 april 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210427.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.622 precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100713.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110421.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div