id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210430.1N.4 Rolnummer: F.19.0150.N Zaak: BVBA P.H.LOGISTICS contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2021-08-20 Raadplegingen: 931 - laatst gezien 2026-06-16 04:17 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210430.1N.4 Fiche De belastingplichtige beschikt over het recht op een daadwerkelijke rechterlijke toetsing van de regelmatigheid en de rechtmatigheid van de inhouding, hetzij door de beslagrechter aan wie het toekomt te onderzoeken of de schuldvordering prima facie een zekere en vaststaande vordering is in de zin van artikel 1415 Gerechtelijk Wetboek, hetzij door de rechter in het geschil ten gronde die de inhouding van btw-kredieten kan opheffen voordat zijn beslissing kracht van gewijsde heeft wanneer hij van oordeel is dat de schuldvordering ongegrond is
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Inhouding van btw-tegoeden - Wettelijke regeling - Gevolgen - Mogelijkheid tot rechterlijke toetsing Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 76 - 32 Link Justel databank 19690703-32 KB nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde - 4 - 29-12-1969 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19691229-30 Tekst van de beslissing Nr. F.19.0150.N P.H. LOGISTICS bv, met zetel te 3800 Sint-Truiden, Groenstraat 5920/1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0871.388.315, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-ontvanger van het Team Invordering Rechtspersonen Hasselt 1, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, bus 11, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67/14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 12 maart
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 1 maar 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 76, § 1, Btw-wetboek wordt, wanneer het bedrag van de belasting die voor aftrek in aanmerking komt aan het einde van het kalenderjaar meer bedraagt dan de belasting die verschuldigd is door de belastingplichtige, het verschil teruggegeven binnen drie maanden op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige. Volgens het vierde lid van deze bepaling kan de Koning op de terug te geven bedragen voorzien in een inhouding die geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1445 Gerechtelijk Wetboek. Volgens artikel 8/1, § 3, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, in zijn toepasselijke versie, wordt, indien de belastingschuld in het voordeel van de administratie geen schuldvordering vormt die zeker, opeisbaar en vaststaand is, wat onder meer het geval is wanneer ze wordt betwist of aanleiding heeft gegeven tot een dwangbevel waarvan de tenuitvoerlegging werd gestuit door de vordering in rechte bedoeld in artikel 89 van het wetboek, het belastingkrediet tot het beloop van de schuldvordering van de administratie ingehouden. Deze inhouding geldt als een bewarend beslag onder derden tot het geschil definitief wordt beëindigd op administratieve wijze of bij wijze van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest. Voor de toepassing van deze inhouding wordt de voorwaarde vereist door artikel 1413 Gerechtelijk Wetboek geacht te zijn vervuld.
- De belastingplichtige beschikt ter zake over het recht op een daadwerkelijke rechterlijke toetsing van de regelmatigheid en de rechtmatigheid van de inhouding, hetzij door de beslagrechter aan wie het toekomt te onderzoeken of de schuldvordering prima facie een zekere en vaststaande vordering is in de zin van artikel 1415 Gerechtelijk Wetboek, hetzij door de rechter in het geschil ten gronde die de inhouding van btw-kredieten kan opheffen voordat zijn beslissing kracht van gewijsde heeft wanneer hij van oordeel is dat de schuldvordering ongegrond is.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - het verzet van de eiseres enkel betrekking heeft op het dwangbevel nr. 500/1117/20128 van 20 januari 2014 betekend op 31 januari 2014 voor een bedrag van 54.361,52 euro; - een eerder dwangbevel nr. 412/0423/33104 van 10 mei 2012 werd betekend op 30 mei 2012 voor een bedrag 109.958,08 euro; - dit eerste dwangbevel werd aangevochten in een afzonderlijke procedure die heeft geleid tot de afwijzing van het verzet; - het dwangbevel aanleiding gaf tot een inhouding op het tegoed van de eiseres ten bedrage van 43.549,52 euro en hiervan aan de eiseres kennis werd gegeven op 25 februari 2013; - niet blijkt dat de eiseres ter zake om enige "daadwerkelijke rechterlijke toetsing van de regelmatigheid en de geldigheid van de gedane inhouding" heeft verzocht; - het dwangbevel van 20 januari 2014 eveneens aanleiding gaf tot een inhouding; - dit tweede dwangbevel "niet [is] tot standgekomen op basis van een inhouding van een btw-tegoed, maar zijn oorsprong vindt in de door de eiser gedane btw-aangiften".
- Anders dan waarvan het middel uitgaat, oefenen de appelrechters hun toetsingsrecht over de regelmatigheid en de rechtmatigheid van de inhouding uit en konden zij naar recht oordelen dat het bedrag opgenomen in het dwangbevel nr. 500/1117/20128 van 20 januari 2014 verschuldigd is. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 455,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en de raadsheren Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 30 april 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210430.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210430.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div