id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:A
Art. 6
.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Recht van verdediging - Recht op voldoende informatie over de aard en reden van de beschuldiging - Omschrijving van de feiten in de akte van aanhangigmaking en in stukken van het strafdossier - Feiten die zich over een lange periode uitstrekken - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 182 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Noch het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces noch het door artikel 6.2. EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld verzetten zich ertegen dat de rechter bij de beoordeling van een duisterevorderingverweer het gegeven in aanmerking neemt dat een beklaagde zich wel degelijk over de hem ten laste gelegde feiten heeft verdedigd. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Verweer over een onduidelijke omschrijving van de telastlegging - Uitoefening van het recht van verdediging - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Verweer over een onduidelijke omschrijving van de telastlegging - Uitoefening van het recht van verdediging - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 7 Het algemeen opzet van de wet en de finaliteit van de in dat kader bevolen onderzoeken, die betrekking hebben op de persoonlijkheid van de betrokken minderjarige en het milieu waarin hij is grootgebracht, sluiten uit dat stukken van procedures bij de jeugdrechtbank over dat maatschappelijk onderzoek in het kader van een strafvervolging worden aangevoerd, zelfs als een beklaagde de overlegging ervan tot staving van zijn verweer zou vorderen; dat verbod geldt ook voor de stukken betreffende de onderzoeken en deskundigenonderzoeken die door andere rechters dan de jeugdrechter worden bevolen, zoals in het kader van een burgerlijke procedure betreffende de uitoefening van het ouderlijk gezag en het recht van verblijf van de minderjarigen
(1); dat verbod vindt zijn oorsprong in het recht van het kind op de eerbiediging van zijn privéleven en gezinsleven, dat inzonderheid wordt beschermd door artikel 8.1 EVRM en artikel 22 Grondwet
(2).
(1)Cass. 4 december 2019, AR P.18.0531.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191204.2F.2, AC 2019, nr. 643; Cass. 20 oktober 2010, AR P.09.0529.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101020.5, AC 2010, nr. 614, R.D.P. 2011, 198 noot L. NOUWYNCK; Cass. 19 oktober 2005, AR P.05.0807.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051019.13, AC 2005, nr. 519 met concl. van advocaat–generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas., N.C. 2006, 196 noot B. DE SMET, T.J.K. 2006, 325 noot L. DRESER; Antwerpen 2 maart 2016, T. Fam. 2017, 41 noot A. VERSTAPPEN Contra: Cass. 21 maart 2006, AR P.06.0211.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.7, AC 2006, nr. 166.
(2)Cass. 20 februari 2019, AR P.18.1188.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190220.2, AC 2019, nr. 105; Cass. 21 september 2016, AR P.15.1123.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160921.1, AC 2016, nr. 510; met concl. van advocaat–generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 21 mei 2014, AR P.14.0094.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140521.2, AC 2014, nr. 366; Cass. 19 februari 2014, AR P.13.1690.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140219.1, AC 2014, nr. 129; Cass. 12 mei 1999, AR P.99.0036.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990512.1, AC 1999, nr. 280, Antwerpen 21 januari 2009, RW 2009–10, 1053 noot B. DE SMET. Zie J. SMETS, Jeugdbeschermingsrecht, APR 1996, 526–528; B. DE SMET, Juridische aanpak van problemen rond opvoeding, Antwerpen, Intersentia, 2008, 35; J. CORINON, “Juridisering van de hulpverlening: het gebruik/misbruik van hulpverleningsdossiers bij vechtscheidingen”, Jura Falc. 2013–14, 967–968; J. PUT, Handboek jeugdbeschermingsrecht, Brugge, Die Keure, 2015, 481–482; B. DE SMET, Jeugdbeschermingsrecht in hoofdlijnen, Intersentia, 2017, 302–303; A. VERSTAPPEN, “Het gebruik van stukken uit een jeugdbeschermingsprocedure betreffende de minderjarige in andere gerechtelijke procedures”, T. Fam. 2017, 44–52. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Vrije woorden: Onderzoeken betreffende de persoonlijkheid van de minderjarige en het milieu waarin hij wordt grootgebracht - Onderzoeken bevolen in het kader van een burgerlijke procedure over het verblijf van minderjarigen - Aanwending voor de vonnisrechter in strafzaken - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 8
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming - 08-04-1965 - Art. 55 - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 721, 722, 725 en 872 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Vrije woorden: Recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven - Jeugdbescherming - Onderzoeken betreffende de persoonlijkheid van de minderjarige en het milieu waarin hij wordt grootgebracht - Onderzoeken bevolen in het kader van een burgerlijke procedure over het verblijf van minderjarigen - Aanwending voor de vonnisrechter in strafzaken - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 8
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming - 08-04-1965 - Art. 55 - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 721, 722, 725 en 872 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 22 Vrije woorden: Recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven - Jeugdbescherming - Onderzoeken betreffende de persoonlijkheid van de minderjarige en het milieu waarin hij wordt grootgebracht - Onderzoeken bevolen in het kader van een burgerlijke procedure over het verblijf van minderjarigen - Aanwending voor de vonnisrechter in strafzaken - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 8
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming - 08-04-1965 - Art. 55 - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 721, 722, 725 en 872 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 8 - 9 Het in artikel 377, eerste lid, derde gedachtestreepje van het Strafwetboek bedoelde gezag over het slachtoffer van verkrachting of aanranding van de eerbaarheid vereist niet dat dit gezag wordt uitgeoefend krachtens een wettelijke bevoegdheid, maar het kan ook voortvloeien uit feitelijke omstandigheden; de rechter oordeelt onaantastbaar over het bestaan van vermeld gezag
(1); het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
(1)Cass. 24 mei 1954, AC 1954,
- Zie D. MERCKX, "Verkrachting. De verzwarende omstandigheden", in Comm. Sr., Kluwer, 2004, 19-22; A. DE NAUW en K. KUTY, Manuel de droit pénal spécial, Kluwer, 2018, 249-
- Thesaurus CAS: AANRANDING VAN EERBAARHEID EN VERKRACHTING Vrije woorden: Gezag over het minderjarig slachtoffer - Feitelijke omstandigheden - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 337, eerste lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Aanranding van de eerbaarheid en verkrachting - Gezag over het minderjarig slachtoffer - Feitelijke omstandigheden Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 337, eerste lid - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0041.N C. A. M. J., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jan Bouly, advocaat bij de balie Limburg, tegen
- K. J., burgerlijke partij,
- D. P., burgerlijke partij, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 16 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, tien middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.3.a EVRM, artikel 14.3.a IVBPR, artikel 149 Grondwet, de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook de artikelen 182, 189 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest miskent de bewijskracht van de dagvaarding en de verwijzingsbeschikking door aan te nemen dat deze volstaan om de eiser in bijzonderheden in te lichten over de hem ten laste gelegde feiten; deze akten bevatten immers enkel de aard van de beschuldiging maar niet de ten laste gelegde feiten; het arrest oordeelt ten onrechte dat de omschrijving van de ten laste gelegde feiten niet uit die akten moet blijken, maar ook kan blijken uit het strafdossier; ook voor de telastlegging F is de dagvaarding onvoldoende precies; de dagvaarding bestrijkt een periode van vijf jaar en vermeldt enkel het wetsartikel in verband met het bezit van kinderpornografie en vrijwillige toegang tot websites met kinderpornografie, zonder vermelding van enig feit; er wordt niet eens vermeld of de betichting nu de kwalificatie bezit van kinderpornografie geldt, dan wel de kwalificatie vrijwillige toegang tot websites met kinderpornografie en welk feit welke kwalificatie oplevert; het arrest is onduidelijk gemotiveerd door enerzijds te oordelen dat de dagvaarding volstaat voor de eiser om zijn recht van verdediging uit te oefenen en anderzijds dat dit recht mede wordt gevrijwaard door de stukken van het strafdossier; de redenen van het arrest zijn ook dubbelzinnig nu niet duidelijk is of het arrest in het algemeen oordeelt dat het enkele feit dat een beklaagde kennis heeft kunnen nemen van de stukken van het strafdossier volstaat om voldoende ingelicht te zijn dan wel dat de stukken van het strafdossier specifiek in deze zaak van aard waren dat het voor de eiser duidelijk was welke feiten onder de kwalificatie opgenomen in de verwijzingsbeschikking en de dagvaarding vielen.
- De verwijzingsbeschikking en de dagvaarding vermelden voor wat betreft de telastlegging F onder de misdrijfomschrijving zowel het bezit van kinderpornografisch materiaal als het zich toegang verschaffen tot dergelijk materiaal. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing en mist het feitelijke grondslag.
- Artikel 6.3.a EVRM bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd het recht heeft onverwijld in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden op de hoogte te worden gesteld van de aard en de redenen van de tegen hem ingestelde beschuldiging.
- Uit die bepaling volgt niet dat de verwijzingsbeschikking en de dagvaarding noodzakelijk het concrete feit moeten vermelden dat het voorwerp is van een telastlegging. De inlichtingen over het aan een beklaagde ten laste gelegde feit, die de redenen van de beschuldiging uitmaken, kunnen ook blijken uit de stukken van het strafdossier waarop de beschuldiging steunt en waarvan de beklaagde kennis heeft kunnen nemen en waarop hij zich heeft kunnen verdedigen. Die regel geldt ook voor feiten die zich over een langere periode uitstrekken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest verwerpt eisers verweer betreffende de duistere vordering op de volgende gronden: - geen enkele bepaling vereist dat de inlichtingen betreffende de beschuldiging enkel en alleen kunnen worden verstrekt door een verwijzingsbeschikking of een dagvaarding; - die inlichtingen kunnen mede worden gegeven via de stukken van het strafdossier waarvan een beklaagde, zoals de eiser in deze zaak, kennis heeft kunnen nemen en op grond waarvan hij tegenover de feitenrechter vrij zijn recht van verdediging heeft kunnen uitoefenen; - door het geheel van vermeldingen van de verwijzingsbeschikking en de dagvaarding onder meer wat betreft de aanduiding van de aard van de feiten, hun plaats- en tijdsbepaling en de toepasselijke wetsartikelen werd de eiser ingelicht over de hem ten laste gelegde feiten en heeft hij zich op gerichte wijze kunnen verdedigen betreffende de concrete hem ten laste gelegde strafrechtelijke verwijten; - er kan niet worden gesteld dat de verwijzingsbeschikking en de dagvaarding derwijze zouden zijn geformuleerd dat aan de eiser werd opgelegd om zelf, louter aan de hand van de analyse van het strafdossier, het precieze kader van de telastleggingen af te lijnen; - er dient verder te worden op gewezen dat de eiser zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de mogelijkheid heeft gehad en benut om over de inhoud van de hem ten laste gelegde feiten te concluderen en tegenspraak te voeren en dat uit die conclusies en uit het pleidooi ter rechtszitting duidelijk blijkt dat de eiser wist waarop hij zich diende te verdedigen.
- Daaruit volgt dat het arrest niet oordeelt dat de gegevens van de verwijzingsbeschikking en de dagvaarding als dusdanig volstonden opdat de eiser zijn recht van verdediging ten volle kon uitoefenen, maar wel dat de daarin vervatte omschrijvingen hem hebben toegelaten het precieze kader van de telastleggingen af te lijnen en hij vervolgens op basis van het aldus afgelijnde kader op grond van de stukken van het strafdossier zich ten volle heeft kunnen verdedigen. Die redenen zijn noch onduidelijk noch dubbelzinnig. Met die redenen verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Met dat oordeel geeft het arrest van de verwijzingsbeschikking en de dagvaarding geen uitlegging, maar leidt het er slechts een gevolg uit af. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM en de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van eisers recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld: hoewel de dagvaarding nietig is en de strafvordering bijgevolg vervallen of minstens onontvankelijk is, verklaart het arrest de eiser schuldig aan de telastleggingen; eisers poging tot analyse van het strafdossier, zonder enige schriftelijke toelichting of verduidelijking door het openbaar ministerie, wordt ten onrechte uitgelegd als bewijs dat de eiser voldoende is geïnformeerd over de feiten die hem worden ten laste gelegd; aldus miskent het arrest de bewijskracht van eisers conclusie; uit geen enkele passage van eisers conclusie blijkt dat hij duidelijk wist waarop hij zich diende te verdedigen, integendeel.
- Noch het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces noch het door artikel 6.
- EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld verzetten zich ertegen dat de rechter bij de beoordeling van een duisterevorderingverweer het gegeven in aanmerking neemt dat een beklaagde zich wel degelijk over de hem ten laste gelegde feiten heeft verdedigd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met het oordeel dat onder meer uit eisers conclusies blijkt dat hij wel degelijk wist waarop hij zich diende te verdedigen, geeft het arrest van deze conclusies een uitlegging die niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. De omstandigheid dat de eiser in zijn conclusies een duisterevorderingverweer heeft gevoerd, laat niet toe anders te oordelen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 721, 722, 725, eerste lid, en 872 in fine, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 50 en 55 Jeugdbeschermingswet, alsmede miskenning van het recht van verdediging: het arrest weert ten onrechte de stukken 2 en 3 van het bundel van de eiser uit het debat, stukken die kunnen bijdragen tot de vrijspraak van de eiser, eventueel tot een verminderde strafmaat; het arrest oordeelt ten onrechte dat de vertrouwelijkheidsplicht van de Jeugdbeschermingswet inzake sociale verslagen toepasselijk is op de sociale verslagen gevorderd door de rechtbank overeenkomstig artikel 872 Gerechtelijk Wetboek; het arrest vermeldt geen rechtsgrond voor het niet kunnen aanwenden van deze stukken in deze strafvordering; het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat deze stukken onder de artikelen 725, eerste lid, en 872, Gerechtelijk Wetboek vallen, zodat ze zonder beperking kunnen worden aangewend; het beantwoordt evenmin het verweer dat het openbaar ministerie en de verweersters niet om de wering van die stukken hebben gevraagd of om een behandeling van de zaak in een niet-openbare rechtszitting, waardoor een vermeende miskenning van het recht op privacy kon worden geremedieerd.
- Krachtens de artikelen 50 en 55 Jeugdbeschermingswet hebben de stukken van de procedures die bij de jeugdrechtbank worden ingeleid en betrekking hebben op de persoonlijkheid van de betrokken minderjarige en op het milieu waarin hij is grootgebracht, enkel tot doel uit te maken welke maatregelen in zijn belang moeten worden genomen en welke middelen voor zijn opvoeding of behandeling zijn geschikt.
- Het algemeen opzet van de wet en de finaliteit van de in dat kader bevolen onderzoeken, die betrekking hebben op de persoonlijkheid van de betrokken minderjarige en het milieu waarin hij is grootgebracht, sluiten uit dat die stukken in het kader van een strafvervolging worden aangevoerd, zelfs als een beklaagde de overlegging ervan tot staving van zijn verweer zou vorderen.
- Dat verbod geldt ook voor de stukken betreffende de onderzoeken en deskundigenonderzoeken die door andere rechters dan de jeugdrechter worden bevolen, zoals in het kader van een burgerlijke procedure betreffende de uitoefening van het ouderlijk gezag en het recht van verblijf van de minderjarigen.
- Dat verbod vindt zijn oorsprong in het recht van het kind op de eerbiediging van zijn privéleven en gezinsleven, dat inzonderheid wordt beschermd door artikel 8.1 EVRM en artikel 22 Grondwet.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 9-10) oordeelt als volgt: - krachtens de artikelen 50 en 55 Jeugdbeschermingswet hebben de stukken van de procedures die de jeugdrechtbank kan hanteren en die betrekking hebben op de persoonlijkheid van de betrokken minderjarige en op het milieu waarin hij leeft enkel tot doel om in het belang van de minderjarige de modaliteiten te bepalen voor het beheer van zijn persoon of de middelen die voor zijn opvoeding of behandeling geschikt zijn; - het algemeen opzet van de Jeugdbeschermingswet en de aldus verduidelijkte finaliteit van de onderzoeken die zij toestaat sluiten uit dat die stukken worden aangewend voor eender welk ander doel dan waarvoor ze werden uitgevoerd; - de aard van dit onderzoek, de inmenging die dat betekent in het privé- en gezinsleven en de vertrouwelijkheid die de wet eraan toekent teneinde de overdracht van een volledig opsporingsonderzoek van de opdrachtgevende overheid te garanderen, verbieden de aanwending ervan voor eender welk ander doel dan dat waarvoor ze werden uitgevoerd; - het stuk 13 dat werd opgesteld in het kader van een lopende procedure bij de jeugdrechtbank wordt bij toepassing van artikel 55, derde lid, Jeugdbeschermingswet geweerd en het gegeven dat geen enkele partij bezwaar heeft geuit betreffende de aanwending van dit stuk doet geen afbreuk aan de overige overwegingen van het arrest betreffende de artikelen 50 en 55 Jeugdbeschermingswet; - ook de inhoud van de stukken 2 en 3 brengen ongeacht hun aard een zodanige inmenging in het privé- en gezinsleven van de verweerster 1 mee dat ze strikt vertrouwelijk zijn; - dergelijke stukken mogen zodoende alleen aan de opdrachtgevende overheid worden medegedeeld en mogen dus niet worden aangewend voor andere doeleinden dan die welke door de procedure worden nagestreefd; - in tegenstelling tot wat de eiser heeft voorgehouden, heeft hij genoegzaam de mogelijkheid gehad en benut om de civielrechtelijke antecedenten, waaronder ook de echtscheidingsprocedure waarin de eiser en M.K. gedurende vele jaren verwikkeld waren, toe te lichten; - de wering van de stukken 2, 3 en 13 is in de gegeven omstandigheden geenszins van aard om gewag te maken van een disproportionele uitzondering op het principe dat in het strafproces een vrije bewijslevering geldt en er derhalve geen sprake is van een miskenning van eisers recht van verdediging. Aldus vermeldt het arrest de rechtsgrond op grond waarvan de stukken 2 en 3 uit het debat worden geweerd, met name het verbod tot inmenging in het privé- en gezinsleven van de verweerster 1, verantwoordt het naar recht de beslissing dat die uitsluiting ook geldt voor de stukken die zijn verkregen buiten het strikte kader van een jeugdbeschermingsprocedure en beantwoordt het eisers ter zake gevoerde verweer. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest weigert ten onrechte J.P., zijnde de broer van de verweerster 2, als getuige te horen omdat hij niet aanwezig was bij de ten laste gelegde feiten; deze reden volstaat niet voor een weigering; die reden is bovendien tegenstrijdig met de motivering van eisers schuldigverklaring onder de randnummers 4.9.1.4 en 4.9.1.10 van het arrest; de afwijzing van het verzoek om J.P. te horen gaat uit van de veronderstelling dat de eiser de feiten van de telastleggingen heeft gepleegd, zodat hem wordt opgelegd te bewijzen dat dit niet zo is en wordt het vermoeden van onschuld miskend.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser bijzondere redenen heeft aangevoerd om J.P. te horen als getuige à décharge. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Uit de redenen van het arrest volgt niet dat aan de eiser wordt opgelegd zijn onschuld te bewijzen. In zoverre mist het middel evenzeer feitelijke grondslag.
- In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- Volgens artikel 6.3.d EVRM, dat bijzondere toepassingsmodaliteiten bevat van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd ook het recht getuigen à décharge te ondervragen of te doen ondervragen.
- Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM kent aan een beklaagde evenwel geen absoluut of onbeperkt recht toe om getuigen à décharge op de rechtszitting als getuige te horen. Het komt aan de beklaagde toe aan te tonen en te motiveren dat het horen van een getuige à décharge noodzakelijk is voor de waarheidsvinding.
- Het staat dan aan de rechter om daarover te oordelen, waarbij hij er dient over te waken dat het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet in het gedrang wordt gebracht.
- De rechter moet zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à décharge steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. Die concrete omstandigheden kunnen onder meer betrekking hebben op de feitelijke of juridische onmogelijkheid om de getuigen te horen, de onmogelijkheid of de onwil van de partij die het getuigenverhoor vraagt om opgave te doen van de vragen die zij aan de getuige wenst te stellen, de relatie die de getuige had of heeft met de bij het strafproces betrokken partijen, de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring rekening houdend met die relatie, zijn persoonlijkheid of het tijdsverloop sinds de feiten of het beschikbaar zijn van een geschreven verklaring van de persoon die de beklaagde als getuige wenst te horen, waarin die een eerdere verklaring herroept of nuanceert.
- Uit de enkele omstandigheid dat de rechter bij een met redenen omklede beslissing oordeelt niet te moeten ingaan op het verzoek een getuige à décharge te horen, kan geen miskenning van het vermoeden van onschuld van die beklaagde worden afgeleid.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 12) wijst het verzoek tot het horen van J.P. als getuige à décharge op de rechtszitting af op de volgende gronden: - de concrete omstandigheden, met name de aard en de samenstelling van de reeds voorliggende onderzoeksgegevens betreffende de ten laste gelegde feiten kunnen het hof van beroep niet overtuigen van de noodzaak van de additionele getuigenis van J.P. voor de waarheidsvinding; - er dient op gewezen dat J.P. niet aanwezig was bij de aan de eiser ten laste gelegde feiten, zodat hij daarover derhalve geen nuttige verklaring kan afleggen; - het horen van deze getuige is zodoende geenszins noodzakelijk in functie van de waarheidsvinding; - uit wat verder volgt in verband met de schuldbeoordeling van de feiten, zou aan de oordeelsvorming van het hof van beroep geen afbreuk worden gedaan door een hoe dan ook fragmentaire verklaring van deze persoon, welke de feiten zelf niet heeft geobserveerd; - het niet horen van J.P. miskent derhalve niet het recht op een eerlijk proces van de eiser; - de gevoerde strafvervolging is in haar geheel beschouwd eerlijk verlopen; - er werd rekening gehouden met het recht van verdediging van de eiser, maar ook met de belangen van de samenleving, het slachtoffer en de mogelijke getuige zelf. Daaruit volgt dat de appelrechters de vraag tot het horen van J.P. als getuige à décharge op de rechtszitting hebben beoordeeld in het licht van de voormelde criteria en rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak. Die beslissing is regelmatig met reden omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Het is niet tegenstrijdig eensdeels te oordelen dat het horen van een getuige à décharge niet noodzakelijk is omdat hij niet aanwezig was bij de feiten en anderdeels bij de schuldbeoordeling te verwijzen naar de verklaringen van personen die evenmin aanwezig waren bij de feiten. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag
- Het is evenmin tegenstrijdig eensdeels te oordelen dat het horen van een getuige à décharge niet noodzakelijk is omdat hij niet aanwezig was bij de feiten en anderdeels te oordelen dat uit de elementen van het strafdossier blijkt dat de eiser meermaals wordt omschreven als een manipulatief persoon die wist hoe hij zich naar de buitenwereld diende te gedragen en de dossierelementen aantonen dat hij binnen zijn vertrouwde familiale omgeving zijn kwetsbare minderjarige slachtoffers op gewiekste en geniepige wijze benaderde en hij zich er goed van vergewiste dat zijn handelingen niet werden opgemerkt door derden. In zoverre mist het middel evenzeer feitelijke grondslag. Vijfde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest weigert ongemotiveerd en zonder vermelding van enige concrete omstandigheid G.J. te horen als getuige à décharge.
- Een beklaagde die ter rechtszitting bepaalde personen wil laten verhoren, moet dat duidelijk, precies en ondubbelzinnig aan de rechter vragen. De aanvoering van een beklaagde dat een persoon tijdens het onderzoek ten onrechte niet werd verhoord, impliceert als dusdanig nog geen vraag aan de rechter zelf om die persoon ter rechtszitting te horen als getuige. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt weliswaar dat de eiser voor de appelrechters heeft aangevoerd dat G.J. ten onrechte niet werd verhoord door de onderzoekers, maar niet dat hij de appelrechters heeft verzocht om hem alsnog te horen ter rechtszitting. De appelrechters dienden dan ook ter zake geen standpunt in te nemen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Zesde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook artikel 375 Strafwetboek: het arrest laat na om wat betreft de telastleggingen C en D te vermelden dat het de vaginale penetratie aanziet als een seksuele penetratie, wat een voorwaarde is opdat er sprake kan zijn van verkrachting; het arrest vermeldt niet op grond van welke omstandigheden het tot dit oordeel komt; het arrest miskent de bewijskracht van de verklaring van de verweerster 1 van 1 maart 2018 dat de eiser per ongeluk een zetpil vaginaal inbracht op een ogenblik dat ze ziek was; het neemt aan dat de verweerster 1 zich herinnert dat de eiser haar vaginaal penetreerde met zijn vingers toen ze in de zetel op zijn schoot zat en dat deze per ongeluk een zetpil vaginaal inbracht, zonder echter daarbij te vermelden dat de verweerster 1 op dat ogenblik ziek was; het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat er geen sprake was van seksuele penetratie.
- Met de reden dat de verweerster 1 zich herinnert dat de eiser haar vaginaal penetreerde met zijn vingers toen ze in de zetel op zijn schoot zat en dat de eiser per ongeluk een zetpil vaginaal inbracht, geeft het arrest niet te kennen dat de vaginale penetratie zich beperkt tot het inbrengen van de zetpil, maar beschrijft het twee te onderscheiden feiten, namelijk het feit dat zich voordeed toen de verweerster 1 op eisers schoot zat en het feit van het inbrengen van de zetpil. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- De aangevoerde miskenning van de bewijskracht van de verklaring van de verweerster 1 is afgeleid uit deze onjuiste lezing en mist bijgevolg eveneens feitelijke grondslag.
- Het arrest oordeelt met overname van de redenen van het beroepen vonnis en met eigen redenen als volgt: - uit de voorhanden zijnde verklaring van de verweerster 1 blijkt ge¬noegzaam dat de eiser in de vermelde periode verregaande seksuele handelingen heeft gesteld ten aanzien van de verweerster 1, waarbij er tevens sprake is van seksuele penetratie; - de verweerster 1 situeert het seksueel misbruik in het bed, in de zetel en in een concrete feitelijke context; - ze beschrijft onder meer hoe ze als klein meisje volledig naakt wakker werd in het bed bij de eiser en iets hard voelde in haar rug; - de eiser lag toen met de voorzijde van zijn lichaam tegen haar aan; - ze herinnert zich dat de eiser sprak over ‘ons geheimpje', maar erkent dat ze niet meer weet in welke situatie dit precies werd gezegd; - ze herinnert zich dat de eiser haar vaginaal penetreerde met zijn vingers toen ze in de zetel op zijn schoot zat en dat hij ‘per ongeluk' een zetpil vaginaal inbracht en nadien moeite had om die er weer uit te halen; - hij droogde met behulp van een handdoek haar intieme delen langer af dan nodig. Aldus vermeldt het arrest de redenen waarom de vaginale penetratie een seksuele penetratie is en dus een verkrachting en beantwoordt het bijgevolg eisers desbetreffend verweer. Het arrest diende gelet op deze redenen niet te antwoorden op het argument betreffende het ziek zijn. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Zevende middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 373 en 375 Strafwetboek: het arrest bepaalt op pagina 13 dat ook de feiten van de telastleggingen C, D en E hebben plaats gevonden tussen 1996 en 2000; aldus kan onmogelijk een veroordeling worden uitgesproken voor de telastlegging D, die een verkrachting betreft tussen 3 november 2001 en 4 november 2004; bovendien wordt voor de telastlegging E de incriminatieperiode slechts aangenomen tot 2000 in plaats van 7 november 2004; de schuld en de strafmaat worden beïnvloed door de onterechte schuldigverklaring aan de telastlegging D en de te ruime incriminatieperiode van de telastlegging E; het dictum van het arrest is tegenstrijdig met de motivering ervan; de motivering heeft het voor de telastleggingen C, D en E over de periode tussen 1996 en 2000 terwijl deze telastleggingen zich in de tijd uitstrekken tot 4 november
- Het arrest stelt niet vast dat de feiten van de telastlegging C, D en E te situeren zijn in de periode tussen 1996 en 2000, maar enkel dat de verweerster 1 zelf de feiten van de telastleggingen A, B, C, D en E situeert, in de periode tussen 1996 en
- Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Achtste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest interpreteert het in het proces-verbaal 3669/2018 vermelde gsm-bericht ten onrechte als bezwarend voor de eiser; het arrest miskent de bewijskracht van de verklaring van de eiser van 16 augustus 2018 waaruit blijkt dat hij al twee à drie jaar voor de opstart van het strafdossier bekend was met het feit dat de verweerster 1 hem onterecht beschuldigde van zedenfeiten, alsook van de sms-berichten van 13 juni 2018 en 20 februari 2018; het neemt immers aan dat de eiser gelet op de sms wilde voorwenden dat hij niets wist over de valse beschuldiging; het arrest beantwoordt niet eisers bespreking van de inhoud van de sms-berichten in zijn syntheseappelconclusie.
- In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- Met de van het beroepen vonnis overgenomen reden dat uit de bedoelde stukken blijkt dat er in het verleden wel degelijk iets ontoelaatbaars is gebeurd, geeft het arrest geen uitlegging van die stukken, maar beoordeelt het enkel de bewijswaarde ervan. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Met de van het beroepen vonnis overgenomen reden dat het bedoelde sms-bericht geenszins een sms-bericht is van een vader die volkomen uit de lucht komt vallen omdat er nooit iets is gebeurd en hij geen idee heeft waarover de politie zijn dochter zou willen spreken, geeft het arrest niet te kennen dat de eiser het zou willen doen voorkomen dat hij uit de lucht viel, maar benadrukt het enkel de reden dat de eiser zich zeer bewust was dat hij grensoverschrijdende aanrakingen heeft gesteld. Met die reden beantwoordt en verwerpt het arrest eisers verweer dat hij zich niet bewust zou zijn geweest van zijn grensoverschrijdende aanrakingen, zonder dat het diende te antwoorden op de argumenten betreffende de sms-berichten die slechts tot staving van dit verweer werden aangevoerd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Negende middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 10, 11, 12 en 14 Grondwet, de artikelen 2 en 377 Strafwetboek en de artikelen 371 tot en met 398ter oud Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het legaliteitsbeginsel: het arrest omschreef voor de toepassing van artikel 377 Strafwetboek de eiser als de stiefvader van de verweerster 2 en stelt dat, alhoewel de moeder van het slachtoffer en de eiser apart waren gedomicilieerd, ten onrechte vast dat ze samen woonden; het arrest leidt uit de omstandigheid dat de eiser in zijn verhoor bij de onderzoeksrechter aangaf dat hij een relatie had met de moeder van de verweerster 2 en dat zij regelmatig bij hem verbleven ten onrechte een gezagsrelatie af en bijgevolg een vermoeden van de verzwarende omstandigheid van artikel 377 Strafwetboek; aldus oordeelt het arrest dat vermeende stiefouders, zijnde een niet wettelijk omschreven begrip, worden vermoed gezag te hebben over het slachtoffer en worden die personen ongelijk behandeld ten opzichte van personen die gewoonlijk of occasioneel samenwonen met het slachtoffer en voor wie het bewijs van de gezagsrelatie wel moet worden geleverd; bijgevolg wordt artikel 377 Strafwetboek verkeerd toegepast en wordt het legaliteitsbeginsel miskend; overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek hebben stiefouders geen enkele bevoegdheid van ouderlijk gezag ten aanzien van de kinderen van de ouder; het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat hij niet de stiefvader is van de verweerster
- In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- Volgens artikel 377, eerste lid, derde gedachtestreepje, Strafwetboek is de daarin bepaalde verzwarende omstandigheid van toepassing indien de schuldige tot degenen behoort die over het slachtoffer gezag hebben.
- Het in die bepaling bedoelde gezag vereist niet dat dit wordt uitgeoefend krachtens een wettelijke bevoegdheid, maar het kan ook voortvloeien uit feitelijke omstandigheden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De rechter oordeelt onaantastbaar over het bestaan van het gezag als bedoeld in artikel 377, eerste lid, derde gedachtestreepje, Strafwetboek. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- Met overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 7) oordeelt het arrest als volgt: - de eiser is de stiefvader van de verweerster 2 die met hem samenwoonde, zodat hij gezag had over het slachtoffer; - alhoewel de moeder van de verweerster 2 en de eiser apart waren gedomicilieerd, waren ze samen en woonden ze samen; - in zijn verhoor bij de onderzoeksrechter geeft de eiser aan dat hij een relatie had met de moeder van de verweerster 2 en dat ze regelmatig bij hem verbleven; - de eiser verklaarde bij de politiediensten dat ze niet samen waren gedomicilieerd, maar wel altijd samen waren.
- Uit die redenen volgt niet dat het arrest de vermelde verzwarende omstandigheid louter afleidt uit de hoedanigheid van stiefvader en zo een onderscheid maakt tussen stiefvaders en andere personen op wie de verzwarende omstandigheid van toepassing is. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser over het in artikel 377, eerste lid, derde gedachtestreepje, Strafwetboek bedoelde gezag beschikte ten aanzien van de verweerster 2 en beantwoordt het arrest het door het middel bedoelde verweer. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tiende middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 100ter, 383bis, § 2, § 4 en § 5, Strafwetboek: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat hij wat betreft de telastlegging F nooit bewust op zoek ging naar websites met kinderpornografische inhoud; het arrest steunt de schuldigverklaring van de eiser aan de telastlegging F ten onrechte enkel op de vaststelling dat het bewuste kinderpornografisch beeldmateriaal zou zijn bekeken, waarna het zou zijn weggeklikt; dit gegeven impliceert immers niet dat naar kinderporno werd gezocht; het arrest maakt geen onderscheid tussen die situatie en de situatie waarbij een beklaagde een beeld aanklikt, ziet dat het om kinderporno gaat en vervolgens onmiddellijk wegklikt; de motivering van het arrest laat niet toe vast te stellen of de appelrechters dit onderscheid hebben gemaakt; ook blijkt uit de verklaring van de eiser zelf dat hij aangeeft nooit bewust op zoek te zijn geweest naar kinderporno en dat hij die heeft weggeklikt nadat hij werd geconfronteerd met kinderporno.
- Het arrest (p. 18) oordeelt als volgt: - de eiser ging wel degelijk welbewust op zoek naar websites met kinderpornografische afbeeldingen; - de door hem ingegeven expliciete zoektermen/titels zijn voor geen interpretatie vatbaar; - in casu kan er op basis van de voorliggende dossierelementen geen twijfel over bestaan dat de eiser enerzijds over een ruime tijdspanne regelmatig welbewust op zoek ging naar kinderpornografisch beeldmateriaal en anderzijds het op zijn scherm verschijnende kinderpornografisch beeldmateriaal heeft bekeken en vervolgens heeft weggeklikt. Met die redenen stelt het arrest vast dat de eiser niet toevallig op websites met kinderpornografische beelden is terechtgekomen, maar wetens en willens op zoek ging naar dergelijke beelden en ze heeft bekeken. Met die redenen beantwoordt het arrest bovendien het door het middel bedoelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 140,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 4 mei 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241231.2N.21 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260505.2N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990512.1 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010523.4 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051019.13 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.7 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091216.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101020.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140121.9 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140219.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140521.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140930.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160921.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190220.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191204.2F.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div