← België

A. contra E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.5 Rolnummer: P.21.0081.N Zaak: A. contra E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2021-05-10 Raadplegingen: 1026 - laatst gezien 2026-06-18 23:51 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Of de rechter die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uitspreken verplicht is een persoon, die tijdens het vooronderzoek een voor een beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, te horen als getuige indien die beklaagde daarom verzoekt, moet worden beoordeeld in het licht van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het door artikel 6.3.d EVRM gewaarborgde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen; wezenlijk daarbij is of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt, wat niet uitsluit dat de rechter niet alleen rekening houdt met het recht van verdediging van die beklaagde, maar ook met de belangen van de samenleving, de slachtoffers en de getuigen zelf. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Strafzaken - Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige à charge - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige à charge - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige à charge - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 4 - 6 Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat in de regel het tegen een beklaagde aangevoerde bewijs wordt voorgelegd tijdens een openbare terechtzitting en de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet–horen op de terechtzitting van een persoon die tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd zal beoordelen aan de hand van drie criteria, en in die volgorde, of (i) er ernstige redenen zijn voor het niet–horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (ii) de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald en (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen; dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de getuige of over interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen; de beoordeling van het ene criterium kan de beoordeling van de andere criteria versterken, vervolledigen of verduidelijken, zodat de redenen voor een afwijzing van het verzoek om een getuige à charge te horen in hun onderling verband moeten worden gelezen

(1).
(1)Cass. 23 maart 2021, AR P.20.1125.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.13, AC 2021, nr. 213; Cass. 8 september 2020, AR P.20.0486.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25, AC 2020, nr. 508; Cass. 26 februari 2019, AR P.18.1028.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1, AC 2019, nr. 117, T. Strafr. 2019, 296 noot S. BERNEMAN; Cass. 21 november 2017, AR P.17.0410.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7, AC 2017, nr. 662; Cass. 20 september 2017, AR P.17.0428.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170920.4, AC 2017, nr. 488; Cass. 2 mei 2017, AR P.17.0290.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4, AC 2017, nr. 303, T. Strafr. 2017, 224; Cass. 14 maart 2017, AR P.16.1152.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170314.6, AC 2017, nr. 181, T. Strafr. 2017, 210; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73 met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER, RO.4, T. Strafr. 2017, 207 en EHRM 15 december 2011, Al-Khawaja en Tahery t/Verenigd Koninkrijk, EHRM 15 december 2015, Schatschaschwili t/Duitsland EHRM 14 juni 2016, Riahi t/België, §27, RDP 2017, 604 noot C. MACQ, NC 2017, 141 noot P. TERSAGO en RABG 2017, 509 noot B. DE SMET; EHRM 19 januari 2021, Keskin t/Nederland, www.echr.coe.int Zie ook D. DE WOLF, “Het recht op horen van getuigen (à charge) na het arrest Al-Khawaja en Tahery van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens”, in Strafrecht in breed spectrum, Die Keure, 2014, 25-58; O. MICHIELS en P. KNAEPEN, “Les déclarations non verifiées de témoins au regard du procès équitable”, J.T. 2016, 485-490; A. BLOCH, “Het horen van getuigen ter rechtszitting als voorwaarde voor een eerlijk proces”, T. Strafr. 2017, 286-307; C. VAN DE HEYNING, "Het getuigenverhoor na de zaak Riahi: het Hof van Cassatie zoekt zijn weg", T. Strafr. 2017, 227-229; S. BERNEMAN, “De advocaat, de terrorist en de getuige à décharge: een explosief trio!”, T. Strafr. 2019, 286-287; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel Svacina, 2019, 776-779; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1400-
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Strafzaken - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à charge op de rechtszitting - Impact op een eerlijk proces - Beoordeling Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à charge op de rechtszitting - Impact op een eerlijk proces - Beoordeling Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à charge op de rechtszitting - Impact op een eerlijk proces - Beoordeling Fiches 7 - 9 Het staat aan de rechter om rekening houdende met de voormelde criteria te oordelen of door het niet–horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van zijn recht van verdediging, wordt miskend; de rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst; indien de beslissing dat het niet–horen van een getuige à charge het recht van een beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van zijn recht van verdediging, niet miskent, op beslissende wijze is gesteund op een toetsing aan het eerste en het tweede criterium in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, moet de rechter niet noodzakelijk melding maken van een toetsing aan het derde criterium van de compenserende factoren. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Strafzaken - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à charge op de rechtszitting - Concrete omstandigheden van de zaak - Ernstige redenen die de afwezigheid van een getuige à charge op de rechtszitting verantwoorden - Gebruik van een belastende verklaring van de getuige die niet doorslaggevend is voor het bewijs - Compenserende waarborgen voor de verdediging - Grens Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à charge op de rechtszitting - Concrete omstandigheden van de zaak - Ernstige redenen die de afwezigheid van een getuige à charge op de rechtszitting verantwoorden - Gebruik van een belastende verklaring van de getuige die niet doorslaggevend is voor het bewijs - Compenserende waarborgen voor de verdediging - Grens Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à charge op de rechtszitting - Concrete omstandigheden van de zaak - Ernstige redenen die de afwezigheid van een getuige à charge op de rechtszitting verantwoorden - Gebruik van een belastende verklaring van de getuige die niet doorslaggevend is voor het bewijs - Compenserende waarborgen voor de verdediging - Grens Tekst van de beslissing Nr. P.21.0081.N I A. T. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Koen Vaneecke, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
  2. Y. E.B., burgerlijke partij,
  3. M. C., burgerlijke partij,
  4. N. B., burgerlijke partij,
  5. N. B., , burgerlijke partij,
  6. M. B., burgerlijke partij,
  7. H. B., burgerlijke partij,
  8. F. B., burgerlijke partij, verweerders. II A. A., alias H. I., alias A. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Anne De Clerck, advocaat bij de balie Gent, tegen Y. E.B., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerder. III A. S., alias M. N'D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Yannick De Vlaemynck, advocaat bij de balie Brussel, tegen Y. E.B., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerder. IV A. E.M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Loïc Cerulus, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen Y. E.B., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerder. V A. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Bayram Yigit, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen Y. E.B., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 23 december
  9. De eisers I, III en V voeren geen middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  10. Het arrest spreekt de eiser I vrij van de hem ten laste gelegde feiten onder A in de zaak I en onder de enige telastlegging in de zaak II. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep van de eiser I bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  11. Het arrest spreekt de eiser IV vrij van de hem ten laste gelegde feiten onder C.2, C.3 en C.4 in de zaak I en verklaart de zaken vermeld onder pagina 93 en 94 van het beroepen vonnis ten aanzien van de eiser IV niet verbeurd op grond van artikel 505, zesde lid, Strafwetboek. In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep van de eiser IV bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  12. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers I, III, IV en V hun respectieve cassatieberoepen hebben laten betekenen aan de betrokken verweerders I, III, IV en V, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen de beslissingen op de door deze verweerders ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen, zijn de hierop betrekking hebbende cassatieberoepen van de eisers I, III, IV en V niet ontvankelijk. Middel van de eiser II
  13. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 324ter Strafwetboek: het arrest beantwoordt niet eisers conclusie waarin hij aanvoerde dat hij niet op de hoogte was dat de criminele organisatie gebruik maakt van de in artikel 324ter Strafwetboek beoogde methodes.
  14. Met eigen redenen (randnummer 5.1.8.4, p. 69) en met overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 78) stelt het arrest vast dat: - de eiser II met zijn handelingen een organisatie met crimineel karakter faciliteerde; - de eiser II het, via commerciële structuren, mogelijk maakte dat de daders een deel van hun activiteiten aan het zicht zouden kunnen onttrekken door te voorzien in nummerplaten op een andere naam dan die van de gebruiker van het voertuig; - de eiser II heeft meegeholpen aan de pogingen om de beschikking te krijgen over panden onder een andere identiteit; - het uit de combinatie van het plots herbergen tegen betaling van voor hem zogezegd vreemde personen, het inschakelen van iemand die duidelijk fungeert als stroman voor de overname van een vennootschap, het worden ingeschakeld in de zoektocht naar woningen naar eigen zeggen zelfs in het kader van een plan voor het opstarten van een cannabisplantage, het uitlenen van nummerplaten, enzovoort, voor de eiser II duidelijk moet zijn geweest dat hij hiermee hand- en spandiensten leverde voor personen die criminele activiteiten ontplooiden. Met die redenen beantwoordt het arrest wel degelijk het door het middel bedoelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Middel van de eiser IV
  15. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM: het arrest verwerpt ten onrechte het verzoek van de eiser IV om de verweerder IV als een getuige à charge ter rechtszitting te horen; het stelt geen enkel compenserende factor voor het niet horen van deze getuige vast en beantwoordt bijgevolg niet het door de eiser IV in zijn appelconclusie gevoerde verweer.
  16. Of de rechter die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uitspreken verplicht is een persoon, die tijdens het vooronderzoek een voor een beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, te horen als getuige indien die beklaagde daarom verzoekt, moet worden beoordeeld in het licht van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het door artikel 6.3.d EVRM gewaarborgde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen. Wezenlijk daarbij is of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt, wat niet uitsluit dat de rechter niet alleen rekening houdt met het recht van verdediging van die beklaagde, maar ook met de belangen van de samenleving, de slachtoffers en de getuigen zelf.
  17. Uit de vermelde verdragsbepalingen volgt in de regel dat het tegen een beklaagde aangevoerde bewijs hem wordt voorgelegd tijdens een openbare rechtszitting, hij dit bewijs moet kunnen tegenspreken en hem in beginsel de gelegenheid moet worden gegeven een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon die een belastende verklaring heeft afgelegd, als getuige ter rechtszitting te ondervragen.
  18. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (i) er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (ii) de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald; (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen. Dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de getuige of over interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen.
  19. In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd, beoordelen aan de hand van de drie voormelde criteria en in de vermelde volgorde. Wel kan de beoordeling van het ene criterium de beoordeling van de andere criteria versterken, vervolledigen of verduidelijken, zodat de redenen voor een afwijzing van het verzoek om een getuige à charge te horen in hun onderling verband moeten worden gelezen.
  20. Het staat aan de rechter om rekening houdende met de voormelde criteria te oordelen of door het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van zijn recht van verdediging, wordt miskend. De rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst.
  21. Indien de beslissing dat het niet-horen van een getuige à charge het recht van een beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van zijn recht van verdediging, niet miskent, op beslissende wijze is gesteund op een toetsing aan het eerste en het tweede criterium in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, moet de rechter niet noodzakelijk melding maken van een toetsing aan het derde criterium van de compenserende factoren.
  22. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  23. Het arrest (p. 60) verwijst ter verantwoording voor de afwijzing van het verzoek van de eiser IV tot het horen van de verweerder IV als getuige à charge op de rechtszitting naar de redenen die het heeft opgegeven voor wat betreft het verzoek van de medebeklaagde H.S., zodat het die redenen (p. 33-34) overneemt. Het stelt ook vast dat de verklaringen van de verweerder IV weliswaar bezwarend zijn voor de eiser IV, maar niet doorslaggevend in die zin dat er nog andere bewijselementen zijn die minstens even bezwarend zijn.
  24. Het arrest toetst het niet-horen van de verweerder IV als getuige à charge op basis van concrete dossiergegevens die het vermeldt aan het eerste en twee criterium. Die toetsing wordt door het middel niet bekritiseerd. Het arrest kan dan ook, ook al toetst het de weigering de verweerder IV te horen als getuige à charge op de rechtszitting niet uitdrukkelijk aan het derde criterium van de compenserende factoren, wettig beslissen dat het recht op een eerlijk proces van de eiser IV niet vereist dat deze getuige wordt gehoord op de rechtszitting. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Onmiddellijke aanhouding van de eisers III en V
  25. Door de verwerping van de cassatieberoepen van de eisers III en V tegen de beslissingen op de strafvordering wat hen betreft, verkrijgt het arrest kracht van gewijsde, zodat hun cassatieberoepen in zoverre ook gericht tegen de beslissingen waarbij hun onmiddellijke aanhouding wordt bevolen, geen bestaansreden meer hebben. Ambtshalve onderzoek
  26. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 525,30 euro waarvan de eisers I, II, III, IV en V elk 105,06 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 4 mei 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250318.2N.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251001.2F.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170314.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170920.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.13 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.9 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.