← België

AXA BELGIUM NV contra ASSURWEST NV

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:A

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Artt. 76, eerste en tweede lid, en 683, eerste lid - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Vrije woorden: Klacht met burgerlijke partijstelling namens de overgenomen vennootschap vóór de openbaarmaking van de akte van overname - Tegenstelbaarheid van de overname aan de onderzoeksrechter en aan personen tegen wie de vennootschap klacht indient - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Artt. 76, eerste en tweede lid, en 683, eerste lid - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Klacht met burgerlijke partijstelling namens de overgenomen vennootschap vóór de openbaarmaking van de akte van overname - Tegenstelbaarheid van de overname aan de onderzoeksrechter en aan personen tegen wie de vennootschap klacht indient - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Artt. 76, eerste en tweede lid, en 683, eerste lid - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Nota: Artt. 76, eerste en tweede lid, en 683, eerste lid Wetboek van Vennootschappen, van toepassing vóór de inwerkingtreding van de Wet van 23 maart 2019 Fiche 6 De betrouwbaarheid van een bewijselement behoort tot de beoordeling van de bewijswaarde ervan; daarover kan enkel de vonnisrechter zich uitspreken. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Vrije woorden: Onregelmatige klacht met burgerlijke partijstelling - Zuivering van nietigheden - Criterium van de betrouwbaarheid van het bewijs - Grens Fiches 7 - 10 De regel van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering geldt voor alle onregelmatigheden, ook al houden zij een inbreuk in op een regel van rechterlijke organisatie

(1); er bestaat geen op straffe van nietigheid voorgeschreven verbod voor de onderzoeksrechter om feiten te onderzoeken waarvoor hij niet is gelast met een ontvankelijke akte; hieruit volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet op grond van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, een bewijselement opgeleverd door een onderzoeksdaad voor feiten waarvoor de onderzoeksrechter niet regelmatig was gelast door een ontvankelijke klacht met burgerlijke partijstelling, enkel nietig kan verklaren en als bewijs uitsluiten wanneer zij oordeelt dat het gebruik van dat bewijselement het recht op een eerlijk proces miskent
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Vrije woorden: Onregelmatige klacht met burgerlijke partijstelling - Uitsluiten van bewijsgegevens verzameld na de klacht - Recht op een eerlijk proces - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 131

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Regelmatigheid van de procedure - Onregelmatige klacht met burgerlijke partijstelling - Uitsluiten van bewijsgegevens verzameld na de klacht - Recht op een eerlijk proces - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 131

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Onregelmatige klacht met burgerlijke partijstelling - Uitsluiten van bewijsgegevens verzameld na de klacht - Recht op een eerlijk proces - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 131

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Onregelmatige klacht met burgerlijke partijstelling - Uitsluiten van bewijsgegevens verzameld na de klacht - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 131

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235bis- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.20.1325.N AXA BELGIUM nv, met zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan 25, burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Joost Huysmans, advocaat bij de balie te Antwerpen, tegen

  1. ASSURWEST nv, met zetel te 8200 Brugge, Diksmuidse Heerweg 126, met als raadsman mr. Renaud Vercaemst, advocaat bij de balie Brussel,
  2. E. M. H. B., met als raadsman mr. Victor Petitat, advocaat bij de balie West-Vlaanderen,
  3. R. R. C., met als raadman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen,
  4. G. F. V., met als raadman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen,
  5. Ch. M. A. S. D.V.,
  6. M. C. F. A. H., met als raadslieden mr. Samuel Debruyne en mr. Terence Halsberghe, advocaten bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8400 Oostende, Canadaplein 1 / glv, waar de verweerder woonplaats kiest,
  7. B. H., met als raadsman mr. Renaud Vercaemst, advocaat bij de balie Brussel,
  8. V. E. H., met als raadsman mr. Renaud Vercaemst, advocaat bij de balie Brussel,
  9. C. J. A. A., inverdenkinggestelden, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 24 november
  10. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  11. De verweerders 2, 3 en 4 voeren aan dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is omdat de eiseres bij gebrek aan ontvankelijke klacht met burgerlijkepartijstelling de strafvordering niet op ontvankelijke wijze op gang heeft gebracht en zij bijgevolg geen ontvankelijke rechtsmiddelen kan aanwenden tegen de beslissing tot buitenvervolgingstelling van de verweerders; de memorie van de eiseres vermeldt bovendien het ondernemingsnummer 0404.483.367 als rechtsopvolgster ingevolge fusie door opslorping van DEM ASS nv met ondernemingsnummer 0402.206.540, terwijl de akte van cassatieberoep melding maakt van het ondernemingsnummer 0402.206.540, dat nooit aan de eiseres heeft toebehoord; de persoon die zich burgerlijke partij heeft gesteld bestaat niet meer en de eiseres heeft zich nooit burgerlijke partij gesteld. Ook de verweersters 1, 7 en 8 voeren aan dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is omdat de eiseres zich op geen enkel ogenblik in de rechtspleging burgerlijke partij heeft gesteld, zodat zij hoedanigheid en belang mist om cassatieberoep in te stellen.
  12. De vermelding van het ondernemingsnummer van een eiser in cassatie in een voor het Hof bestemd stuk heeft geen impact op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in zoverre er geen twijfel kan bestaan over de identiteit van die eiser en de hoedanigheid waarin hij voor het Hof optreedt, wat hier het geval is.
  13. De eiseres put haar belang en hoedanigheid om cassatieberoep in te stellen uit het feit dat het bestreden arrest haar hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling van de verweerders niet ontvankelijk verklaart en haar veroordeelt tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep aan de verweerders. De grondslag voor die beslissing speelt geen rol. Het middel van niet-ontvankelijkheid is te verwerpen. Eerste middel Eerste onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 682, eerste lid, 3°, Wetboek van Vennootschappen en artikel 63 Wetboek van Strafvordering: het arrest oor¬deelt dat de klacht met burgerlijkepartijstelling die DEM ASS nv heeft ingediend op 30 mei 2013 niet ontvankelijk is omdat uit de notariële akte van 21 mei 2013 blijkt dat DEM ASS nv op die datum was opgeslorpt door de eiseres door middel van een fusie, zodat de klacht werd neergelegd namens een niet meer bestaande rechtspersoon; ingevolge de fusie is het gehele vermogen van DEM ASS nv overgegaan op de eiseres; hierdoor is het rechtsgeldig mandaat dat DEM ASS nv vóór de fusie aan haar advocaat heeft verleend om namens haar klacht met burgerlijkepartijstelling neer te leggen, overgegaan op de eiseres en moet die klacht geacht worden te zijn verricht voor rekening van de eiseres.
  15. Artikel 682, eerste lid, 3°, Wetboek van Vennootschappen bepaalt dat de fusie van rechtswege en gelijktijdig als rechtsgevolg heeft dat het gehele vermogen van iedere ontbonden vennootschap, zowel rechten als verplichtingen, overgaat op de verkrijgende vennootschappen. Artikel 682, eerste lid, 1°, Wetboek van Vennootschappen bepaalt dat de fusie van rechtswege en gelijktijdig als rechtsgevolg heeft dat de ontbonden vennootschappen ophouden te bestaan.
  16. Uit deze wetsbepalingen vloeit voort dat een lastgevingsovereenkomst die een nadien door een fusie ontbonden vennootschap sluit met een lasthebber vóór de fusie, van rechtswege overgaat op de verkrijgende vennootschap. Uit die bepalingen vloeit echter niet voort dat een rechtshandeling gesteld door de lasthebber na de fusie in naam en voor rekening van de reeds ontbonden vennootschap steeds moet worden geacht te zijn verricht voor rekening van de verkrijgende vennootschap. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 2008 oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 76, 682, eerste lid, 3°, en 683 Wetboek van Vennootschappen: het arrest oordeelt dat de klacht met burgerlijkepartijstelling die DEM ASS nv heeft ingediend op 30 mei 2013 niet ontvankelijk is omdat uit de notariële akte van 21 mei 2013 blijkt dat DEM ASS nv op die datum was opgeslorpt door de eiseres door middel van een fusie, zodat de klacht werd neergelegd namens een niet meer bestaande rechtspersoon; een advocaat is een derde in de zin van de vermelde artikelen 76 en 683; hetgeen hij heeft verricht in de onwetendheid van het feit dat zijn cliënt zijn rechtspersoonlijkheid heeft verloren ingevolge overlijden of een andere oorzaak, is bovendien geldig; een proceshandeling die een advocaat stelt in naam en voor rekening van een door een fusie ontbonden vennootschap na de beslissing van de algemene vergadering tot fusie, maar vóór de publicatie van die beslissing in de Bijlagen van het Belgisch Staatsblad, is dan ook rechtsgeldig en moet worden geacht te zijn gedaan voor rekening van de verkrijgende vennootschap, tenzij wordt aangetoond dat de advocaat kennis had van de fusie, hetgeen niet blijkt uit de feitelijke vaststellingen van het arrest.
  18. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres voor de appelrechters heeft aangevoerd dat haar advocaat als derde niet op de hoogte was van de fusie, waardoor de fusie hem niet kan worden tegengeworpen overeenkomstig de artikelen 76 en 683 Wetboek van Vennootschappen of artikel 2008 oud Burgerlijk Wetboek. Daaruit blijkt evenmin dat de appelrechters hierover op eigen initiatief hebben beslist. Het onderdeel is nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  19. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 76 en 683 Wetboek van Vennootschappen: het arrest oordeelt dat de klacht met burgerlijkepartijstelling die DEM ASS nv bij de onderzoeksrechter heeft ingediend op 30 mei 2013 niet ontvankelijk is omdat uit de notariële akte van 21 mei 2013 blijkt dat DEM ASS nv op die datum was opgeslorpt door de eiseres door middel van een fusie, zodat de klacht werd neergelegd namens een niet meer bestaande rechtspersoon; derden kunnen geen gebruik maken van het in artikel 76, tweede lid, Wetboek van Vennootschappen vervatte keuzerecht om zich op de rechtsgevolgen van de fusie te beroepen teneinde de geldigheid van een eenzijdige rechtshandeling van de vennootschap, bestaande in een burgerlijkepartijstelling, achteraf te betwisten; anders oordelen impliceert dat vanaf de fusie tot de bekendmaking ervan noch de ontbonden noch de verkrijgende vennootschap een klacht met burgerlijkepartijstelling kan indienen.
  20. Krachtens artikel 683, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen kan een fusie slechts aan derden worden tegengeworpen volgens het bepaalde bij artikel
  21. Volgens artikel 76, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen kunnen de akten en gegevens waarvan de openbaarmaking is voorgeschreven, aan derden niet worden tegengeworpen dan vanaf de dag dat zij bij uittreksel of in de vorm van een mededeling in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt, tenzij de vennootschap aantoont dat die derden er tevens kennis van droegen. Volgens artikel 76, tweede lid, Wetboek van Vennootschappen kunnen derden zich niettemin beroepen op akten die nog niet zijn bekendgemaakt.
  22. Derden in de zin van die wetsbepalingen zijn zij die met de vennootschap wegens haar bestaan hebben gehandeld. Deze wetsbepalingen beschermen immers de derden die met de vennootschap of met haar organen plegen te handelen en voor wie de openbaar te maken akten om die reden relevant zijn.
  23. Degene waartegen de vennootschap een klacht met burgerlijkepartijstelling indient, is geen derde in de zin van die bepalingen. Hetzelfde geldt voor de onderzoeksrechter waarbij de klacht wordt ingediend. De rechtsband waarin de vennootschap die personen met haar klacht betrekt, steunt immers op een beweerde onrechtmatige daad of op de wet en is dus onvrijwillig. Bijgevolg zijn alle bestaande akten en gegevens van de vennootschap hen onmiddellijk tegenstelbaar.
  24. Die wetsuitlegging ontzegt aan de verkrijgende vennootschap niet het recht op toegang tot de rechter in de periode tussen de fusie en de bekendmaking ervan. De fusie kan immers worden vermeld bij de klacht met burgerlijkepartijstelling, zodat belanghebbenden daarvan kennis kunnen nemen.
  25. Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede middel
  26. Het middel voert schending aan van de artikelen 76, 682 en 683 Wetboek van Vennootschappen: het arrest oordeelt dat het hoger beroep van de eiseres tegen de beschikking van de raadkamer niet ontvankelijk is, behoudens in zoverre gericht tegen de beslissing om de eiseres tot een rechtsplegingsvergoeding te veroordelen, omdat de eiseres niet doet blijken van het vereiste belang en de vereiste hoedanigheid gelet op de niet-ontvankelijkheid van de klacht met burgerlijkepartijstelling van DEM ASS nv en het feit dat de eiseres zich nadien ook niet in eigen naam burgerlijke partij heeft gesteld of akte heeft gevraagd van haar burgerlijkepartijstelling; de eiseres is ingevolge de fusie in de rechten getreden van DEM ASS nv, met inbegrip van het recht hoger beroep in te stellen tegen een beschikking tot buitenvervolgingstelling door de raadkamer.
  27. Uit artikel 682, eerste lid, 1° en 3°, Wetboek van Vennootschappen vloeit voort dat enkel de rechten en verplichtingen die de ontbonden vennootschap daadwerkelijk in haar vermogen heeft, overgaan op de verkrijgende vennootschap.
  28. Het arrest beslist tot de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep van de eiseres op grond van de in het eerste middel vergeefs bekritiseerde redenen dat DEM ASS nv klacht met burgerlijkepartijstelling heeft gedaan op het ogenblik dat deze vennootschap niet meer bestond ingevolge de fusie, waardoor de klacht niet ontvankelijk was.
  29. Hierdoor geven de appelrechters te kennen dat DEM ASS nv nooit over enige procesrechten als burgerlijke partij heeft beschikt, waardoor de eiseres voor wat betreft deze procesrechten niet in de rechten kon treden van de overgenomen vennootschap. Aldus verantwoorden zij naar recht hun beslissing dat het hoger beroep van de eiseres niet ontvankelijk is. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
  30. Het middel voert schending aan van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 63, 66 en 235bis Wetboek van Strafvordering: het arrest beslist dat ingevolge de niet-ontvankelijke klacht met burgerlijkepartijstelling alle onderzoeksdaden die de onderzoeksrechter heeft gesteld vóór 20 maart 2019, dit is de datum van de vordering tot bijkomend onderzoek van het openbaar ministerie, alsook alle daaruit voortvloeiende bewijselementen automatisch nietig zijn; de kamer van inbeschuldigingstelling kan echter maar besluiten tot de nietigheid en de verwijdering van bewijsstukken uit het strafdossier indien zij vaststelt dat er sprake is van schending van een wettekst die een vormvoorwaarde op straffe van nietigheid voorschrijft; dat is niet het geval bij een onregelmatige aanhangigmaking ingevolge een onregelmatige klacht met burgerlijkepartijstelling die het enige fundament vormt van het gerechtelijk onderzoek (eerste onderdeel); het arrest onderzoekt evenmin of het gebruik van het door de onderzoeksrechter vóór 20 maart 2019 verzamelde bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces (tweede onderdeel). Gronden van niet-ontvankelijkheid van het middel
  31. De verweersters 1, 7 en 8 voeren aan dat het middel niet ontvankelijk is omdat de bekritiseerde beslissing kan worden geschraagd door andere redenen van het arrest, namelijk door de redenen waaruit blijkt dat de onderzoeksrechter jarenlang een gerechtelijk onderzoek heeft gevoerd zonder saisine. Daaruit blijkt minstens de schijn van een willekeurig optreden van de onderzoeksrechter, wat een onherstelbare miskenning tot gevolg heeft van het recht op een eerlijk proces met inbegrip van het recht op een onafhankelijke en onpartijdige onderzoeksrechter.
  32. De grond van niet-ontvankelijkheid vraagt het Hof om zelf uit de door het arrest vastgestelde feiten af te leiden dat de onderzoeksrechter het recht op een eerlijk proces van de verweersters 1, 7 en 8 heeft miskend. Aldus verplicht die grond van niet-ontvankelijkheid tot een beoordeling van de feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is.
  33. De verweerder 6 voert aan dat het middel niet ontvankelijk is omdat het niet concreet verduidelijkt hoe de bestreden beslissing de als geschonden aangegeven wetsbepalingen schendt, gelet op de draagwijdte van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.
  34. De verweerders 1, 2, 3, 4, 6, 7 en 8 voeren aan dat het tweede onderdeel is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde onwettigheid in het eerste onderdeel.
  35. Het onderzoek van die gronden van niet-ontvankelijkheid is niet te onderscheiden van het onderzoek naar de gegrondheid van het middel.
  36. De gronden van niet-ontvankelijkheid zijn te verwerpen. Gegrondheid van het middel
  37. Artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat tot nietigheid van een onregelmatig verkregen bewijselement enkel wordt besloten indien ofwel de naleving van de betrokken vormvoorwaarden wordt voorgeschreven op straffe van nietigheid, ofwel de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, ofwel het gebruik van het bewijs in strijd is met een eerlijk proces.
  38. De betrouwbaarheid van een bewijselement behoort tot de beoordeling van de bewijswaarde ervan. Daarover kan enkel de vonnisrechter zich uitspreken.
  39. De regel van voormeld artikel 32 geldt voor alle onregelmatigheden, ook al houden zij een inbreuk in op een regel van rechterlijke organisatie.
  40. Er bestaat geen op straffe van nietigheid voorgeschreven verbod voor de onderzoeksrechter om feiten te onderzoeken waarvoor hij niet is gelast met een ontvankelijke akte.
  41. Hieruit volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet op grond van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, een bewijselement opgeleverd door een onderzoeksdaad voor feiten waarvoor de onderzoeksrechter niet regelmatig was gelast door een ontvankelijke klacht met burgerlijkepartijstelling, enkel nietig kan verklaren en als bewijs uitsluiten wanneer zij oordeelt dat het gebruik van dat bewijselement het recht op een eerlijk proces miskent.
  42. Het arrest (p. 21-25) oordeelt dat: - DEM ASS nv op 30 mei 2013 een niet-ontvankelijke klacht met burgerlijkepartijstelling heeft ingediend bij de onderzoeksrechter; - het openbaar ministerie op 20 maart 2019 afzonderlijk een vordering tot gerechtelijk onderzoek heeft ingesteld, waardoor met ingang van die datum de strafvordering werd ingesteld; - het gerechtelijk onderzoek tot 20 maart 2019 uitsluitend is gevoerd op basis van een niet-ontvankelijke klacht met burgerlijkepartijstelling; - krachtens artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering de nietigheid moet worden uitgesproken van de onderzoekhandelingen verricht in de periode voorafgaand aan 20 maart 2019 en de bewijselementen die voortvloeien uit deze onderzoekhandelingen als bewijs moeten worden uitgesloten; - de rechter niet kan weigeren op grond van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering om bewijselementen die het gevolg zijn van de nietig verklaarde onderzoekshandeling als bewijs uit te sluiten. Het arrest dat aldus niet nagaat of het gebruik van de vóór 20 maart 2019 verzamelde bewijselementen het recht op een eerlijk proces miskent, verantwoordt de beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Vierde middel
  43. Het middel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet, de artikelen 128, 135 en 229 Wetboek van Strafvordering en artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek: steunend op het arrest nr. 159/2018 van het Grondwettelijk Hof van 22 november 2018 veroordeelt het arrest de eiseres tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan de verweerders 2, 4, 7, 8 en 9 voor de procedure in hoger beroep; niet alleen de eiseres, maar ook de vermelde verweerders hebben hoger beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking; de eiseres kan bijgevolg niet tot die rechtsplegingsvergoedingen worden veroordeeld.
  44. Gelet op de omvang van de hierna uit te spreken cassatie behoeft het middel geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behoudens in zoverre het oordeelt over de ontvankelijkheid van de hogere beroepen, de naam van de verweerder 2 verbetert en vaststelt dat het openbaar ministerie de strafvordering op een ontvankelijke wijze heeft ingesteld op 20 maart
  45. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot een derde van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 912,98 euro waarvan 247,50 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 4 mei 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210504.2N.7 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220420.2F.3 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.