← België

NATIONAAL VERBOND DER SOCIALISTISCHE MUT contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210510.3N.4 Rolnummer: S.20.0042.N Zaak: NATIONAAL VERBOND DER SOCIALISTISCHE MUT contra P. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-02-14 Raadplegingen: 638 - laatst gezien 2026-06-16 04:20 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit de artikelen 1290 en 1299 Oud Burgerlijk Wetboek volgt dat, indien de schuldenaar na het intreden van rechtswege van de wettelijke schuldvergelijking zijn schuld betaalt zonder zijn eigen schuldvordering hiermee in vergelijking te brengen, de schuldvergelijking wordt geacht niet te hebben plaatsgevonden en de wederzijdse schulden worden geacht niet als gevolg van schuldvergelijking te zijn tenietgegaan. Thesaurus CAS: SCHULDVERGELIJKING Vrije woorden: Wettelijke schuldvergelijking - Intreden - Latere betaling - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1290 en 1299 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 2 De schuldenaar die een door schuldvergelijking geheel of gedeeltelijk tenietgegane schuld betaalt, heeft het recht om de schuldvordering die hij niet in vergelijking gebracht heeft, op zijn wederpartij te verhalen, met dien verstande dat de schuldenaar die van zijn schuldvordering en de schuldvergelijking kennis had of hiervan behoorde kennis te hebben, zich bij het verhalen van zijn schuldvordering niet ten nadele van derden kan beroepen op de zekerheden die aan die vordering verbonden waren. Thesaurus CAS: SCHULDVERGELIJKING Vrije woorden: Wettelijke schuldvergelijking - Intreden - Kennis van het intreden - Latere betaling - Zekerheden - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1290 en 1299 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Annotaties Publicaties: N.Tijd.Pol.-Nieuw tijdschrift voor politiek - 2021, nr. 447, p. 631-

  1. - VAN SEVEREN, Claudia; Noot'Rechtsgevolgen van de posterieure betaling van een door wettelijke schuldvergelijking (gedeeltelijk) tenietgegane schuld' Tekst van de beslissing Nr. S.20.0042.N NATIONAAL VERBOND VAN SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN, met zetel te 1000 Brussel, Sint-Jansstraat 32-38, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0411.724.220, eiser, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen F.P., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, van 9 april
  2. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Derde onderdeel
  3. Krachtens artikel 1290 Oud Burgerlijk Wetboek heeft schuldvergelijking van rechtswege plaats uit kracht van de wet, zelfs buiten weten van de schuldenaars. De twee schulden vernietigen elkaar op het ogenblik dat zij tegelijk bestaan, ten belope van hun wederkerig bedrag. Krachtens artikel 1299 Oud Burgerlijk Wetboek kan hij die een schuld betaald heeft die van rechtswege door vergelijking was tenietgegaan, bij het verhalen van de schuldvordering die hij niet in vergelijking gebracht heeft, zich ten nadele van derden niet meer beroepen op de voorrechten of hypotheken welke aan deze schuldvordering verbonden waren, tenzij hij een gegronde reden heeft gehad om onkundig te zijn van de schuldvordering waarmee zijn schuld moest worden in vergelijking gebracht.
  4. Uit die wetsbepalingen volgt dat, indien de schuldenaar na het intreden van rechtswege van de wettelijke schuldvergelijking zijn schuld betaalt zonder zijn eigen schuldvordering hiermee in vergelijking te brengen, de schuldvergelijking wordt geacht niet te hebben plaatsgevonden en de wederzijdse schulden worden geacht niet als gevolg van schuldvergelijking te zijn tenietgegaan. De schuldenaar die een door schuldvergelijking geheel of gedeeltelijk tenietgegane schuld betaalt, heeft het recht om de schuldvordering die hij niet in vergelijking gebracht heeft, op zijn wederpartij te verhalen, met dien verstande dat de schuldenaar die van zijn schuldvordering en de schuldvergelijking kennis had of hiervan behoorde kennis te hebben, zich bij het verhalen van zijn schuldvordering niet ten nadele van derden kan beroepen op de zekerheden die aan die vordering verbonden waren.
  5. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de vordering van de eiser strekt tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor de maanden augustus tot en met november 2013, samen voor een bedrag van 3.315,28 euro, welk bedrag inmiddels is verminderd gelet op de inhoudingen die de eiser heeft verricht op de uitkeringen die hij nog verder aan de verweerder betaalt; - het niet wordt betwist dat de verweerder geen recht had op die uitkeringen en de eiser principieel gerechtigd is de terugbetaling ervan te vorderen; - “de zaken worden gecompliceerd” doordat de eiser in 2016 nogmaals een bedrag van 4.967,56 euro heeft betaald ten titel van achterstallige uitkeringen die aan de verweerder toekwamen ingevolge een verhoging van het dagbedrag van die uitkeringen wegens gezinslast; - die betaling op zichzelf bij de verweerder niet de “redelijke verwachting” heeft kunnen creëren “dat hij niets zou moeten terugbetalen”; - tussen de beide schulden evenwel wettelijke schuldvergelijking is ingetreden, zodat de “beide schulden elkaar vernietigden ten belope van hun wederkerig bedrag” en de eiser “enkel het verschil [diende] te betalen”.
  6. De appelrechters die op grond van die redenen het hoger beroep van de verweerder gegrond verklaren, de vordering van de eiser tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen afwijzen en de eiser veroordelen tot terugbetaling van de inhoudingen die hij heeft gedaan op de uitkeringen die hij nog verder aan de verweerder betaalt, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. (…) Kosten
  7. Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek dient de eiser te worden veroordeeld tot de kosten. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 592,65 euro en op de som van 20 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 10 mei 2021 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210510.3N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.