id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210511.2N.6 Rolnummer: P.20.1197.N Zaak: MICHIELSENS INVEST Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2021-05-20 Raadplegingen: 814 - laatst gezien 2026-06-19 23:38 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM verbiedt de rechter een herstelmaatregel te bevelen die kennelijk onredelijk is en hierbij dient hij na te gaan of het voordeel van de bevolen herstelmaatregel voor het behoud van een goede ruimtelijke ordening opweegt tegen de last die daaruit voortvloeit voor de overtreder; het bevolen herstel moet evenredig zijn met de in concreto vastgestelde aantasting van de ruimtelijke ordening en de maatregel moet redelijk blijven in vergelijking tot de last die hij voor de betrokkene meebrengt
(1).
(1)Cass. 5 januari 2021, AR P.20.0736.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.2, AC 2021, nr. 1. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Herstelmaatregel - Redelijkheid van de bevolen herstelmaatregel - Evenredigheid - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM - Herstelmaatregel - Redelijkheid van de bevolen herstelmaatregel - Evenredigheid - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte Fiches 3 - 5 De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of een herstelmaatregel evenredig is met de in concreto vastgestelde aantasting van de ruimtelijke ordening en of uit de vergelijking tussen het voordeel voor de ruimtelijke ordening dat volgt uit die maatregel en de voor de betrokkene veroorzaakte last niet volgt dat de herstelmaatregel kennelijk onredelijk is; wanneer de betrokkene in zijn conclusie niet specificeert waarin de last van de herstelmaatregel voor hem precies zou bestaan en evenmin verduidelijkt waarom die last kennelijk onredelijk zou zijn in vergelijking met het voordeel van de herstelmaatregel voor de ruimtelijke ordening, dient de rechter de afweging tussen die beide belangen niet nader met redenen te omkleden
(1).
(1)Cass. 5 januari 2021, AR P.20.0736.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.2, AC 2021, nr.
- Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Herstelmaatregel - Redelijkheid van de bevolen herstelmaatregel - Evenredigheid - Beoordeling door de rechter - Criteria - Wijze Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Stedenbouw - Herstelmaatregel - Redelijkheid van de bevolen herstelmaatregel - Evenredigheid - Criteria - Wijze Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Stedenbouw - Herstelmaatregel - Redelijkheid van de bevolen herstelmaatregel - Evenredigheid - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte Tekst van de beslissing Nr. P.20.1197.N
- MICHIELSENS INVEST cv, met zetel te 9120 Beveren-Waas, Stuurstraat 115A, beklaagde, eiseres,
- M. F. M. M., beklaagde, eiser, beiden met als raadsman mr. Joost Peeters, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 6 november
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Het arrest verklaart de herstelvordering ongegrond in zoverre deze betrekking heeft op het verwijderen van de automatische poort en de omvorming van de stal en het gebruik ervan als woning. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en de artikelen 149 en 159 Grondwet : met het onterechte en tegenstrijdige oordeel dat de concrete vaststelling dat de gevolgen van het misdrijf kennelijk niet verenigbaar zijn met een goede ruimtelijke ordening volstaat om het eventueel te bevelen herstel naar recht te verantwoorden, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht; de rechter dient na te gaan of een vordering niet kennelijk onredelijk is, met name of het voordeel van de gevorderde herstelmaatregel voor het behoud van een goede ruimtelijke ordening opweegt tegen de last die daaruit voor de overtreder voortvloeit; de appelrechters verwijzen met betrekking tot de strijdigheid van de inbreuken met de goede ruimtelijke ordening louter naar de motivering van de herstelvordering en laten na een afweging te maken van de impact van de herstelmaatregelen en de daaruit voortvloeiende last voor de eisers.
- Artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM verbiedt de rechter een herstelmaatregel te bevelen die kennelijk onredelijk is. Hierbij dient hij na te gaan of het voordeel van de herstelmaatregel voor het behoud van een goede ruimtelijke ordening opweegt tegen de last die daaruit voortvloeit voor de overtreder. Het bevolen herstel moet evenredig zijn met de in concreto vastgestelde aantasting van de ruimtelijke ordening en de maatregel moet redelijk blijven in vergelijking tot de last die hij voor de betrokkene meebrengt.
- De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of uit de vergelijking tussen het voordeel voor de ruimtelijke ordening dat volgt uit een herstelmaatregel en de voor de betrokkene veroorzaakte last niet volgt dat de herstelmaatregel kennelijk onredelijk is. Wanneer de betrokkene in zijn conclusie niet specificeert waarin de last van de herstelmaatregel voor hem precies zou bestaan en evenmin verduidelijkt waarom die last kennelijk onredelijk zou zijn in vergelijking met het voordeel van de herstelmaatregel voor de ruimtelijke ordening, dient de rechter de afweging tussen die beide belangen niet nader met redenen te omkleden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 15) oordeelt dat de rangorde van de te bevelen herstelmaatregelen in artikel 6.3.1, § 1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening aantoont dat de omvang van de schade aan de plaatselijke ruimtelijke ordening, nog meer dan de overtreding zelf, bepalend is voor de keuze van de herstelmaatregel. Het voegt daaraan toe dat in beide gevallen de evenredigheids- en redelijkheidstoets onverminderd van toepassing blijven, in die zin dat het gevorderde herstel evenredig moet zijn aan de in concreto vastgestelde aantasting van de ruimtelijke ordening en de maatregel redelijk moet blijven in vergelijking tot de last die dit voor de betrokkenen meebrengt. Met die redenen, die niet tegenstrijdig zijn met de overige redenen van het arrest, oordelen de appelrechters naar recht dat het voordeel van de bevolen herstelmaatregelen voor het behoud van een goede ruimtelijke ordening opweegt tegen de last die daaruit voortvloeit voor de eisers. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat uit de vergelijking van de foto's en de verklaring van M.M. blijkt dat de constructies, vermeld in de telastleggingen A.1, A.2 en A.3 niet al aanwezig waren vóór de aankoop van het perceel door de eiseres en dat M.M. uitdrukkelijk verklaarde dat alle wijzigingen zijn uitgevoerd na de verkoop op lijfrente aan de eiser in 2013, miskent het arrest de bewijskracht van de verklaring van M.M.; uit die verklaring blijkt immers niet dat M.M. iets heeft verklaard over de bergplaats met rode profielen, voorwerp van de telastlegging A.2; de eisers hebben louter de asbestplaten op de bergplaats die blijkens de foto's in het strafdossier reeds vóór de aankoop bestond, vervangen door platen met rode profielen; de veroordeling van de eisers tot het herstel met betrekking tot de bergplaats met rode profielen is dan ook niet naar recht verantwoord.
- De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. Daarentegen miskent de rechter die uit een akte louter een feitelijk of juridisch gevolg trekt, de bewijskracht van die akte niet.
- Met het hiervoor aangehaalde oordeel geven de appelrechters een uitlegging van de verklaring van M.M. die niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat uit de foto's in het strafdossier blijkt dat de bergplaats reeds aanwezig was vóór de aankoop van het perceel door de eisers, verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest niet zonder miskenning van de bewijskracht "van het strafdossier, de stukken en de conclusie" kon oordelen dat de bergplaats met rode profielen een volledig nieuwe constructie is, komt het in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met het oordeel dat op grond van de dossiergegevens ook met betrekking tot de bergplaats met rode profielen kan worden vastgesteld dat het een volledig nieuwe constructie is, motiveren de appelrechters hun beslissing niet naar recht en is die beslissing derhalve niet wettig; de appelrechters verwijzen in dit verband louter naar de verklaring van M.M. en verduidelijken niet op welke concrete gegevens van het dossier hun beoordeling is gebaseerd; het arrest is aldus niet, minstens dubbelzinnig gemotiveerd, te meer omdat het ook niet antwoordt op de argumentatie die de eisers in hun appelconclusie van 22 november 2019 hebben ontwikkeld.
- Het onderdeel voert dubbelzinnigheid in de motivering aan zonder aan te geven in welke lezing de beslissing wettig en in welke lezing ze onwettig is. In zoverre is het onderdeel onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Het onderdeel verduidelijkt niet op welk precies verweer uit de appelconclusie van de eisers niet werd geantwoord. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- Het arrest (p. 9) oordeelt dat: - uit de vergelijking van de foto's en de verklaring van M.M. blijkt dat de constructies, vermeld in de telastleggingen A.1, A.2 en A.3 niet al aanwezig waren vóór de aankoop van het perceel door de eiseres; - M.M. uitdrukkelijk verklaarde dat alle wijzigingen zijn uitgevoerd na de verkoop op lijfrente aan de eiser in 2013 en dat het onder meer de veranda en de omvorming van het zogenaamde voederhok naar een gastenverblijf betrof; - uit de door de eisers zelf overhandigde facturen van aannemers volgt dat de aanpassingen aan de woning werden uitgevoerd in de loop van het jaar 2013 en het jaar 2014; - ook van de bergplaats met rode profielen kan worden vastgesteld dat het een volledig nieuwe constructie is. Met die redenen omkleden de appelrechters hun oordeel dat de bergplaats met rode profielen een volledig nieuwe constructie inhoudt, regelmatig met redenen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 11 mei 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210511.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210105.2N.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div