id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:A
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Horen van getuigen op de rechtszitting - Recht op een eerlijk proces - Beoordeling van de bewijsmiddelen door de strafrechter zelf - Geloofwaardigheid van de getuigenverklaringen - Wijziging van het rechtscollege - Vervangende rechter die niet aanwezig was bij het getuigenverhoor - Compenserende maatregelen - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Horen van getuigen op de rechtszitting - Recht op een eerlijk proces - Beoordeling van de bewijsmiddelen door de strafrechter zelf - Geloofwaardigheid van de getuigenverklaringen - Wijziging van het rechtscollege - Vervangende rechter die niet aanwezig was bij het getuigenverhoor - Compenserende maatregelen - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Annotaties Publicaties: RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2021, nr. 18, p. 1742-1750. - X.; Noot'Over de verplichting getuigen à charge en à décharge te horen op de rechtszitting' Tekst van de beslissing Nr. P.21.0040.N I M. E.-M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie Gent, II J. H. G. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, beide cassatieberoepen tegen M. B., burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 10 december 2020. De eiser I voert in een memorie die aan het arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. Het arrest spreekt de eisers vrij voor de feiten omschreven onder de telastlegging A. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, zijn de cassatieberoepen, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Middelen van de eiser I Eerste middel 2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en artikel 14.1 en 14.3.e IVBPR, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en de gelijkheid van wapens: het arrest wijst ten onrechte eisers verzoek om de getuige à charge M.A. ter rechtszitting te horen af uit vrees voor beïnvloeding of intimidatie zonder de objectieve en dus door bewijzen ondersteunde elementen die deze vrees rechtvaardigen te vermelden; aldus kan het Hof ook niet nagaan op welke vaststellingen die weigering is gesteund; de bedoelde getuige heeft zelf nooit dergelijke vrees geuit; het arrest stelt niet vast dat er geen enkel alternatief is om het ondervragingsrecht op een andere wijze te waarborgen; aldus kan ook niet worden nagegaan of de beslissing om de getuige niet te confronteren met de eiser I en om zijn verklaringen niet te weren geen afbreuk doet aan de eerlijkheid van het proces (eerste onderdeel); het arrest wijst ten onrechte eisers verzoek om de getuige à charge M.A. ter rechtszitting te horen af omdat er aan kan worden getwijfeld of deze persoon nog kan worden opgespoord, nu hij, op het moment dat hij zijn verklaring gaf illegaal in het rijk was en enkel een adres in Marokko opgaf als zijn woonplaats; die reden verantwoordt immers die weigering niet omdat het arrest niet vaststelt dat de vervolgende partij enige redelijke inspanning heeft gedaan om ervoor te zorgen dat de getuige daadwerkelijk kan worden gehoord, zoals het actief opsporen of dagvaarden van die persoon (tweede onderdeel). 3. Of de rechter die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uitspreken verplicht is een persoon, die tijdens het vooronderzoek een voor een beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, te horen als getuige indien die beklaagde daarom verzoekt, moet worden beoordeeld in het licht van het door artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het door artikel 6.3.d EVRM en artikel 14.3.e IVBPR gewaarborgde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen. Wezenlijk daarbij is of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt, wat niet uitsluit dat de rechter niet alleen rekening houdt met het recht van verdediging van die beklaagde, maar ook met de belangen van de samenleving, de slachtoffers en de getuigen zelf. 4. Uit de vermelde verdragsbepalingen volgt in de regel dat het tegen een beklaagde aangevoerde bewijs hem moet worden voorgelegd tijdens een openbare rechtszitting, hij dit bewijs moet kunnen tegenspreken en hem in beginsel de gelegenheid moet worden gegeven een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon die een belastende verklaring heeft afgelegd, als getuige ter rechtszitting te ondervragen. 5. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (
- i)er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (
- ii)de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald; (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen. Dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de getuige of over interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen. 6. In de regel zal de rechter aan de hand van elk van deze criteria beoordelen welke impact het niet-horen op de rechtszitting van een getuige heeft op het eerlijk proces. Dit sluit evenwel niet uit dat één of twee van die criteria van dermate overwegend belang kunnen zijn dat dit volstaat om uit te maken of het strafproces in zijn geheel beschouwd al dan niet eerlijk verloopt. De rechter moet steeds de concrete omstandigheden vermelden waarop hij zijn beslissing steunt. 7. De rechter oordeelt in feite of de vrees bestaat dat een getuige onder druk wordt gezet, zodat zijn verklaringen niet nuttig kunnen bijdragen tot de waarheidsvinding. Hij dient bij die beoordeling niet de redenen van zijn redenen op te geven. 8. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de rechter niet uitdrukkelijk vast te stellen dat er geen haalbare alternatieven zijn voor het horen van de getuige op de rechtszitting onder eed. 9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 10. Als ernstige redenen om de vermelde getuige niet ter rechtszitting te horen, haalt het arrest (p. 30) aan dat: - te vrezen valt dat deze getuige zodanig onder druk zal worden gezet door één van de betrokken partijen; - er bovendien aan kan worden getwijfeld of deze persoon nog kan worden opgespoord, nu hij, op het moment dat hij zijn verklaring gaf, illegaal in het rijk was en enkel een adres in Marokko opgaf als zijn woonplaats. 11. Met die redenen, welke het Hof niet beletten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen en welke de partijen in staat stellen de beslissing te begrijpen, geeft het arrest te kennen dat te vrezen valt dat de getuige zodanig onder druk zal worden gezet door één van de betrokken partijen dat er een redelijke zekerheid is dat zijn verklaringen onvoldoende oprecht zullen zijn en dus niet nuttig kunnen bijdragen tot de waarheidsvinding. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 12. Het arrest (p. 36) grondt de schuldigverklaring van de eiser I aan de telastleggingen B.I en C.I, naast de redenen overgenomen van het beroepen vonnis, op de volgende elementen: - er kan niet worden getwijfeld aan de geloofwaardige verklaringen van M.A. en de verweerder dat zij op 7 mei 2015 aan het werk waren op een werf te Antwerpen in opdracht van Mo-Build; de verweerder was op de werf een mal aan het maken waarmee hij de sloten in de deuren en de eigen kaders kon uitfrezen; - de verklaringen van de verweerder hierover gedurende het vooronderzoek en ter rechtszitting zijn niet tegenstrijdig; met betrekking tot de eigendom van het arbeidsmiddel waren zijn verklaringen wisselend, maar dit betreft slechts een detail en maakt zijn verklaringen voor het overige niet ongeloofwaardig; - de eisers betwisten dat de verweerder al aan het werk zou zijn sinds de zomer van 2012 en dat hij zou begonnen zijn op een werf in de …straat te A.; de eiser I legt een offerte voor van 28 november 2012 voor een totale renovatie van het appartement. Mogelijk heeft de verweerder zich ook hier van datum vergist, maar ook dit element maakt zijn verklaring niet ongeloofwaardig en neemt niet weg dat hij op een niet nader bepaald moment gedurende de incriminatieperiode is beginnen werken voor Mo-Build; - de geloofwaardige verklaringen van de verweerder en de getuige A.M. worden ondersteund door diverse elementen (arrest p. 37 e.v.); - uit het dossier blijkt dat – ook al wordt dit door hem ontkend – de bijnaam van de eiser I “Mimoun” is. Op twee verschillende momenten maken personen die aan het werk zijn voor Mo-Build melding van deze bijnaam, op een ogenblik dat de eiser I de werfverantwoordelijke is van Mo-Build. Op 23 april 2015 gaat de RVA-inspectie over tot controle van een bouwwerf te H. Mo-Build is de hoofdaannemer van deze werken. Op de werf wordt de zich noemende B.L. aangetroffen. Hij meldt aan de sociaal inspecteur te werken voor “Mimoen Emir”. Op 6 september 2016 is Mo-Build actief op een werf in de …straat … te A. Op de werf wordt B.E.A. aangetroffen. Daar hij de naam van zijn eigen vennootschap niet wist, nam hij contact op met “Mimoun El Mir” om deze gegevens te verkrijgen. Het is duidelijk dat beide voormelde personen contact hadden met de eiser I; - M.A. en de verweerder kunnen een perfecte beschrijving geven van de organisatie van Mo-Build, namelijk dat de eiser I de baas is van de firma en de eiser II de boekhouder van de firma; - de verweerder kan ook een arbeidsovereenkomst met Mo-Build voorleggen van 31 mei 2013 waaruit blijkt dat, indien hij een legaal verblijf zou kunnen verwerven, hij bij Mo-Build aan de slag kan gaan. Ook al verklaart B.G. onder ede dat hij nooit de arbeidsovereenkomst heeft getekend, staat vast dat dit document wel uitgaat van Mo-Build en geen vals contract betreft; - de eiser I verklaart immers in zijn eerste verhoor dat de familie van het slachtoffer het scenario van een arbeidsongeval bij Mo-Build heeft uitgewerkt daar ze in het bezit waren van een belofte tot tewerkstelling. Hiermee erkent de eiser I dat de door de verweerder voorgebrachte arbeidsovereenkomst van 31 mei 2013 wel degelijk uitgaat van Mo-Build; - ook de eiser II geeft in zijn laatste verhoor impliciet het bestaan van dit document toe wanneer hij stelt dat de verweerder inderdaad ooit een sollicitant is geweest. Dat de verweerder zich in zijn eerste verhoor vergist met betrekking tot deze overeenkomst van 31 mei 2013 doet aan het voorgaande geen afbreuk; - de verweerder bezorgde ook een lijst van werven waarop hij tewerkgesteld zou zijn voor Mo-Build; van de eiser II verkreeg de inspectie ook een lijst van werven van Mo-Build. Deze twee lijsten zijn gelijklopend. Volgens de eisers werkte de verweerder in onderaanneming van zijn broer en kon hij zo een aantal werven opsommen van Mo-Build; van de werven die staan vermeld op de factuur van H.B. aan Mo-Build, een factuur waarvan deze laatste betwist dat deze door hem is opgesteld en waarvan de eisers niet het bewijs voorbrengen dat deze werd ingeschreven in de boekhouding en werd betaald, komen er maar twee voor in de lijst van de verweerder. Het is dus duidelijk dat de verweerder de lijst van werven van Mo-Build niet heeft verkregen van zijn broer H.B. of door in onderaanneming te werken voor Mo-Build via zijn broer zijn ladderliftservice of door zich uit te geven voor zijn broer H.B.; - de verklaring van de verweerder dat de eiser I aanwezig was bij het onderhoud met de spoedarts, wordt bevestigd door de spoedarts zelf en blijkt ook uit de verklaring van de eiser I. De verklaring van de eiser I dat hij daar aanwezig was omdat de familie van de verweerder onvoldoende Nederlands zou spreken is ongeloofwaardig. Uit de vaststellingen van de Sociale Inspectie blijkt dat de broer van de verweerder meer dan behoorlijk Nederlands spreekt. De eiser I was daar duidelijk aanwezig om zich te vergewissen van de toestand van zijn werknemer; - de verweerder kan foto’s en filmfragmenten voorleggen van een werf waarop hij aan het werk is met getuige M.A.; beiden zijn duidelijk schrijnwerken aan het uitvoeren op een werf. Deze beelden werden genomen op een werf waar Mo-Build de hoofdaannemer was, ook voor de schrijnwerken, namelijk aan de …straat … te A. Uit de vaststellingen van de FGP blijkt dat de deurkaders op twee werven van Mo-Build, namelijk de werf …straat en de werf …plaats sterk gelijkend, zo niet identiek zijn. Op te merken is dat niet alle deuren op de …plaats een slot met sleutel hebben, maar slechts geopend en gesloten kunnen worden met een draaiknop. De bewering van de eiser I dat hij op de werf van de …plaats … enkel zou hebben gewerkt met prefab deuren, is dan ook ongeloofwaardig. Het is duidelijk dat de verklaring van de verweerder dat hij bezig was met het maken van een mal voor de holte in de deur waarin het slot wordt geplaatst, geloofwaardig is. De bewering van de eiser I dat de verweerder wel op de werf van de …plaats is geweest, maar enkel met zijn broer en diens ladderlift is ook ongeloofwaardig. H.B. was op de dag van het arbeidsongeval aan het werk in restaurant La Famiglia in Waasmunster en werkt alleen met zijn ladderliftservice. De verweerder kan meer verdienen als schrijnwerker in het zwart dan met zijn broer te helpen. De onder eed afgelegde verklaring van B.S. en C.C. dat de verweerder zich voor onderaannemingen uitgaf voor zijn broer komt ongeloofwaardig voor. Het is duidelijk dat de verbalisanten zich hebben vergist wanneer ze er vanuit gingen dat de verweerder hen beeldmateriaal zou aanreiken van de werf waar de feiten waren gebeurd. Het was enkel de bedoeling van de verweerder om te bewijzen dat hij op één van de werven van Mo-Build aan het werk is geweest; - Mo-Build maakt gedurende de incriminatieperiode systematisch gebruik van de arbeid van illegale vreemdelingen (zie de vaststellingen van de telastleggingen B.II, B.III, B.IV, B.V, C.II, C.III, C.IV en C.V). 13. Uit het geheel van deze redenen volgt onmiskenbaar dat de belastende verklaring van de bedoelde getuige niet doorslaggevend was voor de beoordeling van de schuld van de eiser I door de appelrechters aan het hem ten laste gelegde. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 14. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat het niet-horen van de vermelde getuige op de rechtszitting het recht op een eerlijk proces van de eiser I in zijn geheel beschouwd en zijn recht van verdediging niet miskent. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 15. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, artikel 14.1 en 14.3.e IVBPR en artikel 779 Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging, waarvan de wapengelijkheid een onderdeel is: de ter rechtszitting opgeroepen getuigen werden gehoord door het hof van beroep in een andere samenstelling dan die welke over de strafvordering heeft geoordeeld, terwijl uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat de verdachte de mogelijkheid moet hebben de getuige te confronteren in aanwezigheid van de rechter die uiteindelijk over de zaak moet beslissen; de mogelijkheid die de vervangende rechter had om kennis te nemen van het proces-verbaal van de rechtszitting compenseert onvoldoende de afbreuk aan het onmiddellijkheidsbeginsel, temeer daar de geloofwaardigheid van de getuigen werd betwist; dat proces-verbaal vermeldt immers enkel de voornaamste verklaringen van de getuigen, niet de integrale getuigenverklaringen (eerste onderdeel); het arrest werd mede gewezen door een raadsheer die niet aanwezig was bij alle rechtszittingen over de zaak, meer in het bijzonder was één van de raadsheren niet aanwezig op de rechtszitting van 13 februari 2020 waarop vijf getuigen werden gehoord; bij gebreke van herverhoor van deze getuigen en bij gebreke van voldoende compenserende maatregelen teneinde te waarborgen dat alle rechters een goed begrip hadden van alle bewijs en alle argumenten, is het arrest nietig (tweede onderdeel). 16. Artikel 779 Gerechtelijk Wetboek vereist niet dat indien een rechtscollege op de rechtszitting getuigen onder eed heeft gehoord en vervolgens een anders samengestelde zetel de behandeling van de zaak volledig herneemt, de nieuw samengestelde zetel deze getuigen opnieuw hoort, voor zover die nieuw samengestelde zetel zich voor haar oordeelsvorming op grond van de ter rechtszitting onder eed afgelegde verklaringen van de getuigen enkel steunt op de weergave van die verklaringen in het proces-verbaal van de rechtszitting. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 17. Uit artikel 6 EVRM en het daarin gewaarborgde recht op een eerlijk proces, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat: - de strafrechter voor de schuldbeoordeling van een beklaagde zelf de bewijsmiddelen moet beoordelen en dit ook geldt voor de geloofwaardigheid van getuigen; - de rechter in de regel in staat moet zijn om het gedrag van getuigen waar te nemen en op die manier zijn eigen mening te vormen over de geloofwaardigheid ervan. 18. Die regel kent evenwel een uitzondering indien tijdens de behandeling van een strafzaak een van de rechters wordt vervangen en de vervangende rechter niet aanwezig was bij het getuigenverhoor, maar de andere rechters die over de schuld oordelen wel en er bovendien compenserende maatregelen zijn teneinde te verzekeren dat de vervangende rechter een goed begrip heeft van het bewijs bijvoorbeeld doordat hij kennis kan nemen van de processen-verbaal van de rechtszittingen waarin de voornaamste verklaringen van de getuigen zijn vermeld. Die uitzondering geldt ook indien de geloofwaardigheid van de getuigen wordt betwist. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Middelen van de eiser II Eerste middel 19. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 66 Strafwetboek en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters laten na de aanwezigheid van de constitutieve bestanddelen van mededaderschap, namelijk wilsovereenstemming, een misdrijf waaraan werd deelgenomen en een positieve deelnemingsdaad, te beoordelen; het arrest deelt niet mee op welke wijze de feiten van de telastleggingen B, C en E moreel aan de eiser II worden toegerekend; opdat de eiser II als deelnemer kan worden beschouwd in de zin van artikel 66 Strafwetboek, dient te worden bewezen dat hij wetens en willens enige daad stelde zoals bepaald in artikel 66 Strafwetboek met de bedoeling de ten laste gelegde misdrijven te plegen; er dient aldus sprake te zijn van een wilsovereenstemming; deze dient specifiek te zijn en moet betrekking hebben op hetzelfde misdrijf; deze voorwaarde van wilsovereenstemming heeft tot gevolg dat strafbare deelneming ondenkbaar is in het geval van onachtzaamheidsmisdrijven; het arrest stelt het deelnemingsopzet van de eiser II niet vast; de reden van het arrest dat de eiser II wetens en willens zijn medewerking heeft verleend aan het opzetten van een constructie waarbij hij stroman-zaakvoerder werd van Mo-Build, heeft geen betrekking op het deelnemingsopzet aan de ten laste gelegde misdrijven; het arrest stelt immers enkel vast dat de eiser II wetens en willens zijn medewerking heeft verleend aan het opzetten van een constructie wat niet het ten laste gelegde misdrijf is. 20. Uit de omstandigheid dat de wetgever een niet-handelen heeft strafbaar gesteld, wat het geval is met het niet elektronisch meedelen van bepaalde gegevens betreffende een werknemer, het niet-doen van de aangifte bij een arbeidsongeval of het niet-betalen van loon, volgt niet dat dit niet-handelen niet opzettelijk kan zijn en dat mededaderschap aan een dergelijk niet-handelen onmogelijk zou zijn. 21. Strafbare deelneming in de zin van artikel 66 Strafwetboek vereist dat de mededader een door de wet bepaalde vorm van medewerking aan een misdaad of wanbedrijf verleent, weet dat hij zijn medewerking aan een bepaalde misdaad of wanbedrijf verleent en het opzet heeft om aan die misdaad of dat wanbedrijf zijn medewerking te verlenen. 22. De rechter oordeelt onaantastbaar of de voor mededaderschap vereiste constitutieve bestanddelen verenigd zijn. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen. 23. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 24. Het arrest (p. 17) stelt op basis van de eigen verklaring van de eiser II het volgende vast: - hij is de vertegenwoordiger van de rechtspersoon; - hij is de enige zaakvoerder en enige aandeelhouder van Mo-Build sinds begin 2014; - hij is verantwoordelijk voor de boekhouding en de personeelszaken; - de eiser I is zijn manager en verantwoordelijk voor de werfopvolging; - de eiser I is een werknemer. Het arrest (p. 34-35 en p. 44) oordeelt verder als volgt: - de eiser II is, op basis van de dagvaarding en samenlezing met de overige elementen van het dossier, in staat om te weten waarop hij zich dient te verdedigen, namelijk mededaderschap aan sociaalrechtelijke misdrijven door als juridische zaakvoerder van Mo-Build te zijn opgetreden als stroman voor de eiser I en hem aldus in de mogelijkheid te hebben gesteld om de telastleggingen te kunnen plegen, als werkgever, aangestelde of lasthebber; - de feiten kunnen materieel en moreel worden toegerekend aan de beide eisers; - het is op basis van het strafdossier duidelijk dat de eiser II – de juridische zaakvoerder van Mo-Build – actief was binnen Mo-Build als stroman voor de eiser I; - de eiser II heeft wetens en willens zijn medewerking verleend aan het opzetten van een constructie waarbij hij stroman-zaakvoerder werd van Mo-Build, waardoor hij mededader werd aan de telastleggingen B, C, D en E. Op grond van die redenen en in het bijzonder de vaststelling dat de eiser II zijn medewerking heeft verleend aan het opzetten van een constructie waarbij hij stroman-zaakvoerder was van Mo-Build en hij als juridisch zaakvoerder de eiser I in de mogelijkheid heeft gesteld de misdrijven te plegen, kan het arrest wettig oordelen dat de eiser II mededader is aan de feiten van de telastleggingen B, C, D en E. Met die redenen oordeelt het arrest immers dat de eiser II wetens en willens zijn medewerking heeft verleend op een bij de wet bepaalde wijze aan de feiten van deze telastleggingen. Aldus is die beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 25. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd door enerzijds te oordelen dat de eerste rechter een passende straf heeft opgelegd en dat deze dient te worden bevestigd, rekening houdend met verschillende factoren, maar niet de overschrijding van de redelijke termijn, en, anderzijds, een overschrijding van de redelijke termijn vast te stellen en aan te nemen dat indien die termijn niet zou zijn overschreden een hoofdgevangenisstaf van twaalf maanden diende te worden opgelegd; het arrest geeft immers aan dat de bestraffing door het beroepen vonnis op grond van de door dit vonnis gehanteerde redenen zonder de overschrijding van de redelijke termijn passend is, terwijl het aanneemt dat indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden er een zwaardere straf dient te worden opgelegd dan die met het beroepen vonnis; aldus hebben de appelrechters niet op meetbare wijze rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. 26. Het arrest oordeelt als volgt: - de eerste rechter heeft op grond van een oordeelkundige redenering die het hof van beroep beaamt en herneemt op passende wijze de aan de eiser II op te leggen straf bepaald (acht maanden gevangenisstraf met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een termijn van drie jaar) en daarbij rekening gehouden met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waarin deze werden gepleegd, alsook met het strafrechtelijk verleden van de eiser II en diens persoonlijke en sociale situatie; - het bedrag van de door de eerste rechter bepaalde geldboete (600 euro x 6, verhoogd met de opdeciemen of 21.600 euro, met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een termijn van drie jaar voor de helft) is aangepast aan de ernst van de feiten, het aandeel van de eiser II, de persoon en financiële situatie van de eiser II en strekt tot bijkomend preventief effect; - de duur van de vervangende gevangenisstraf (90 dagen) is aangepast aan de hoogte van de geldboete; - zo de redelijke termijn niet was overschreden, zou het hof van beroep een hoofdgevangenisstraf van twaalf maanden hebben opgelegd met uitstel van tenuitvoerlegging voor een termijn van vijf jaar en de minimumgeldboete met uitstel voor drie jaar voor de helft. Met het geheel van die redenen, in hun onderling verband gelezen, oordeelt het arrest niet dat de met het beroepen vonnis opgelegde straffen passend zijn zonder dat de overschrijding van de redelijke termijn in aanmerking wordt genomen, maar oordeelt het dat de met het beroepen vonnis opgelegde straffen passend zijn rekening houdend met de door het hof van beroep in aanmerking genomen overschrijding van de redelijke termijn. Die redenen zijn dan ook niet tegenstrijdig en het arrest houdt wel degelijk op meetbare wijze rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Derde middel 27. Het middel voert schending aan van artikel 6 en 6.3.d EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en van het recht van verdediging: de schriftelijke weergave van de getuigenissen is enkel een voldoende waarborg wanneer de geloofwaardigheid van deze getuigenis niet het voorwerp uitmaakt van betwisting; een belangrijk onderdeel van het recht op een eerlijk proces in strafzaken betreft de mogelijkheid van de beklaagde om te worden geconfronteerd met getuigen in aanwezigheid van de rechter die uiteindelijk beslist over de zaak; indien de samenstelling van de zetel wijzigt dient er te worden voorzien in maatregelen die het mogelijk maken voor rechters die niet aanwezig waren bij het verhoor dat zij op gepaste wijze kennis kunnen nemen van het bewijs en de argumenten; dit kan bijvoorbeeld door een schriftelijke weergave van de getuigenissen of het opnieuw horen van de relevante getuigenissen door de nieuw samengestelde zetel; de schriftelijke weergave van de getuigenissen is evenwel enkel een voldoende waarborg wanneer de geloofwaardigheid van deze getuigenissen niet het voorwerp uitmaakt van de betwisting; aangezien het arrest aanneemt dat de onder eed gehoorde getuigen niet geloofwaardig zijn, gaat het er ten onrechte van uit dat het proces-verbaal van de rechtszitting van 13 februari 2020 een afdoende waarborg is voor de vrijwaring van het recht op een eerlijk proces. 28. Het middel heeft dezelfde draagwijdte als het tweede middel van de eiser I en is om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen te verwerpen. Ambtshalve onderzoek 29. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 89,71 euro, waarvan de eiser I 44,85 euro is verschuldigd en de eiser II 44,86 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 18 mei 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.10 Gerelateerde publicatie(
- s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061129.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div