id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.11 Rolnummer: P.20.1017.N Zaak: STONEMANOR INTERNATIONAL LIMITED Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Unierecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2021-05-27 Raadplegingen: 421 - laatst gezien 2026-06-16 04:19 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Uit de bepalingen van artikel 16, lid 2, Richtlijn nr. 2000/13/EG en artikel 15, lid 2, Verordening (EU) nr. 1169/2011 en hun wetsgeschiedenis volgt dat de lidstaten kunnen eisen dat de verplichte voedselinformatie op het etiket van levensmiddelen minstens wordt aangebracht in de taal of de talen van het taalgebied waar de producten op de markt worden aangeboden, op voorwaarde dat die talen tot de officiële talen van de Europese Unie behoren; de appelrechters die oordelen dat de bepaling van artikel 8 van de Wet van 24 januari 1977, krachtens dewelke de gegevens die op het etiket voorkomen en dwingend zijn voorgeschreven, minstens worden gesteld in de taal of talen van het taalgebied waar de producten op de markt worden aangeboden, respectievelijk het Frans of het Nederlands, niet onverenigbaar is met het doel gesteld door de Europese regelgeving en zoals ook uitgedrukt door artikel 16, lid 2, Richtlijn nr. 2000/13/EG en artikel 15, lid 2, Verordening (EU) nr. 1169/2011, verantwoorden hun beslissing naar recht. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Verplichte voedselinformatie - Etikettering levensmiddelen - Taal van het taalgebied waar producten worden aangeboden - Voorwaarde - Europese regelgeving - Belgische regelgeving - Verenigbaarheid - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame - 20-03-2000 - Art. 16, tweede lid Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 - 25-10-2011 - Art. 15, tweede lid Wet 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de gebruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten - 24-01-1977 - Art. 8 - 31 ELI link Pub nr 1977012405 Thesaurus CAS: ECONOMIE Vrije woorden: Verplichte voedselinformatie - Etikettering levensmiddelen - Taal van het taalgebied waar producten worden aangeboden - Voorwaarde - Europese regelgeving - Belgische regelgeving - Verenigbaarheid - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame - 20-03-2000 - Art. 16, tweede lid Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 - 25-10-2011 - Art. 15, tweede lid Wet 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de gebruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten - 24-01-1977 - Art. 8 - 31 ELI link Pub nr 1977012405 Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - ALLERLEI Vrije woorden: Verplichte voedselinformatie - Etikettering levensmiddelen - Taal van het taalgebied waar producten worden aangeboden - Voorwaarde - Europese regelgeving - Belgische regelgeving - Verenigbaarheid - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame - 20-03-2000 - Art. 16, tweede lid Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 - 25-10-2011 - Art. 15, tweede lid Wet 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de gebruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten - 24-01-1977 - Art. 8 - 31 ELI link Pub nr 1977012405 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1017.N
- STONEMANOR INTERNATIONAL Ltd., met zetel te 3070 Kortenberg, Steenhofstraat 28, beklaagde,
- R. J. G., beklaagde, eisers, beiden met als raadsman mr. Toon Muysewinkel, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 9 september
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 34 VWEU, de artikelen 3, lid 2 en 15, lid 2 van de Verordening (EU) van het Europees Parlement en de Raad nr. 1169/2011 van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, Richtlijn 90/496/EEG van de Raad, Richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie en Verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie (hierna Verordening (EU) nr. 1169/2011), alsook het beginsel van de voorrang van het gemeenschapsrecht op de nationale rechtsnormen: de appelrechters oordelen ten onrechte dat artikel 8 van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de gebruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten (hierna Wet 24 januari 1977) niet onverenigbaar is met de Europese regelgeving; zij steunen dit oordeel op de vaststelling dat artikel 16, lid 2 van de Richtlijn 2000/13/EG betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede de daarvoor gemaakte reclame (hierna Richtlijn nr. 2000/13/EG), zoals van toepassing op het ogenblik van de gepleegde inbreuken, uitdrukkelijk bepaalt dat de lidstaat waar het product wordt verkocht kan eisen dat voor de vermeldingen op de etikettering gebruik wordt gemaakt van één of meer door deze lidstaat uit de officiële talen van de Gemeenschap gekozen talen en dat artikel 15, lid 2, Verordening (EU) nr. 1169/2011 thans "een bepaling met dezelfde strekking" bevat; voormeld artikel 15, lid 2 laat de lidstaat waar een levensmiddel in de handel wordt gebracht evenwel niet toe om zelf één of meer talen uit de officiële talen van de Gemeenschap te kiezen; zoals de appelrechters zelf vaststellen, bieden de eisers levensmiddelen te koop aan in verpakkingen met vermeldingen in de Engelse taal, wat een officiële taal van de Europese Unie is, zodat de vereisten opgelegd door de Europese regelgeving zijn gerespecteerd. Het middel verzoekt het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: "Dient artikel 15.2 van de Verordening (EU) van het Europees Parlement en de Raad nr. 1169/2011 van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1924/2006 en (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 87/250/EEG van de Commissie, Richtlijn 90/496/EEG van de Raad, Richtlijn 1999/10/EG van de Commissie, Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2002/67/EG en 2008/5/EG van de Commissie, en Verordening (EG) nr. 608/2004 van de Commissie, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 34 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, in die zin te worden geïnterpreteerd dat een lidstaat aan een handelaar die levensmiddelen te koop aanbiedt in verpakkingen waarvan de etiketten uitsluitend vermeldingen bevatten die in een officiële taal die niet de taal van het taalgebied is waar de producten op de markt worden aangeboden, de verplichting kan opleggen om de gegevens die op het etiket voorkomen en dwingend zijn voorgeschreven minstens aan te brengen in de taal of de talen van het taalgebied waar de producten op de markt zijn aangeboden, terwijl deze vermeldingen zijn aangebracht in een voor de verbruiker gemakkelijk te begrijpen taal?"
- Krachtens artikel 16, lid 2, Richtlijn nr. 2000/13/EG kan de lidstaat waar de levensmiddelen, zoals gedefinieerd in deze richtlijn, worden verkocht, eisen dat op zijn grondgebied voor de vermeldingen op de etikettering ten minste gebruik wordt gemaakt van één of meer talen die hij uit de officiële talen van de Europese Unie kiest. Artikel 15, lid 2, Verordening (EU) nr. 1169/2011 bepaalt: "De lidstaten waar een levensmiddel in de handel wordt gebracht, kunnen eisen dat op hun grondgebied voor de vermeldingen op de etikettering gebruik wordt gemaakt van één of meer talen die tot de officiële talen van de Unie behoren". Uit deze bepalingen en hun wetsgeschiedenis volgt dat de lidstaten kunnen eisen dat de verplichte voedselinformatie op het etiket van levensmiddelen minstens wordt aangebracht in de taal of de talen van het taalgebied waar de producten op de markt worden aangeboden, op voorwaarde dat die talen tot de officiële talen van de Europese Unie behoren. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In zoverre het middel schending van artikel 34 VWEU aanvoert, is het afgeleid uit deze onjuiste rechtsopvatting en niet ontvankelijk.
- De appelrechters oordelen dat: - krachtens artikel 8 Wet 24 januari 1977 de gegevens die op het etiket voorkomen en dwingend zijn voorgeschreven, minstens worden gesteld in de taal of de talen van het taalgebied waar de producten op de markt worden aangeboden; - de dwingend voorgeschreven gegevens op de etiketten van de koopwaar in de winkel te Kortenberg dus minstens in het Nederlands moesten zijn gesteld en deze op de etiketten van de koopwaar in de winkel te Waterloo in het Frans; - het te koop aanbieden in de winkel te Waterloo en in het bijhuis te Kortenberg in verpakkingen waarvan de etiketten uitsluitend de in het Engels gestelde vermeldingen, maar niet de dwingend voorgeschreven informatie in de taal van het taalgebied, respectievelijk het Frans en het Nederlands, bevatten, een inbreuk uitmaakt op voormeld artikel 8; - deze bepaling niet onverenigbaar is met het doel gesteld door de Europese regelgeving en zoals ook uitgedrukt door artikel 16, lid 2, Richtlijn nr. 2000/13/EG en artikel 15, lid 2, Verordening (EU) nr. 1169/
- Met deze redenen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- De prejudiciële vraag die uitgaat van die onjuiste rechtsopvatting, wordt niet gesteld. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 4, § 3, eerste lid, en 10 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31 maart 2017 en in werking getreden op 1 mei
- Artikel 4, § 3, eerste lid, van de voormelde wet van 19 maart 2017 bepaalt dat, behalve indien hij van de juridische tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand geniet of indien de rechter oordeelt dat hij zich op het vlak van zijn bestaansmiddelen in een situatie bevindt waarbij hij beroep zou kunnen doen op juridische tweedelijnsbijstand of op rechtsbijstand, iedere door een strafgerecht veroordeelde verdachte, inverdenkinggestelde, beklaagde, beschuldigde of voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke persoon wordt veroordeeld tot het betalen van een bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.
- Artikel 10 van de voormelde wet bepaalt dat deze wet in werking treedt op de door de Koning bepaalde datum en dat de bepalingen ervan van toepassing zijn op de in deze wet bedoelde zaken die vanaf deze datum zijn ingeleid. Artikel 6 van het koninklijk besluit van 26 april 2017 tot uitvoering van de voormelde wet van 19 maart 2017 bepaalt dat deze wet in werking treedt op 1 mei
- Uit die bepalingen volgt dat in appelprocedures de bijdrageplicht slechts van toepassing is wanneer het rechtsmiddel is ingesteld na 30 april
- Met een verklaring van 25 januari 2016 stelden de eisers hoger beroep in tegen het vonnis van de correctionele rechtbank te Leuven van 8 januari
- Het arrest veroordeelt hen niettemin elk tot betaling van een bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand van 20,00 euro. Deze veroordeling schendt de in het middel vermelde bepalingen. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eisers veroordeelt tot betaling aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand van een bijdrage van 20,00 euro. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot negen tienden van de kosten van hun cassatieberoep. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 18 mei 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.363 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div