← België

B. contra Fluvius System Operator CVBA

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:A

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Voorwaarde - Vordering van het openbaar ministerie - Verwittiging door de rechter - Geen verbeurdverklaring opgelegd door de eerste rechter - Hoger beroep - Gevolgen Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Voorwaarde - Vordering van het openbaar ministerie - Verwittiging door de rechter - Geen verbeurdverklaring opgelegd door de eerste rechter - Hoger beroep - Gevolgen Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 4 - 6 Uit artikel 149 Grondwet volgt dat een verbeurdverklaring slechts regelmatig met redenen is omkleed als de rechter vaststelt dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden om die verbeurdverklaring uit te spreken, maar bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie moet de rechter niet vermelden uit welke concrete dossiergegevens hij die vaststelling afleidt; indien de verbeurdverklaring een facultatief karakter heeft, volgt uit artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat ingevolge artikel 211 van dit wetboek van toepassing is op de hoven van beroep, dat de rechter nauwkeurig de redenen vermeldt waarom hij het opleggen van die bijkomende straf noodzakelijk acht, zij het dat die motivering beknopt mag zijn. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Vrije woorden: Strafzaken - Verbeurdverklaring - Facultatief - Motivering - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Motivering - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Facultatieve verbeurdverklaring - Motivering - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 7 - 8 Bij afwezigheid van gegevens die de rechter toelaten het bedrag aan vermogensvoordelen als bedoeld door artikel 42, 3°, Strafwetboek of de geldwaarde ervan als bedoeld door artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek exact vast te stellen, mag de rechter dit bedrag ex aequo et bono bepalen; die bepaling mag evenwel niet willekeurig zijn en de rechter dient ook voor een ex aequo et bono-bepaling die gegevens van het strafdossier in aanmerking te nemen, die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van de omvang van de vermogensvoordelen of een raming van de geldwaarde ervan toelaten

(1).
(1)Zie Cass. 13 maart 2018, AR.P.17.0083.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.2, AC 2018, nr. 176; Cass. 31 mei 2016, AR.P.15.1310.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160531.2, AC 2016, nr. 359; Cass. 22 december 2015, AR.P.14.1306.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151222.2, AC 2015, nr. 772; Cass. 2 maart 2010, AR.P.09.1726.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100302.2, AC 2010, nr. 141; Cass. 14 december 1994, AR.P.94.1033.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941214.15, AC 1994, nr. 555. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Wederrechtelijke vermogensvoordelen - Geldwaarde die in de plaats komt van vermogensvoordelen - Afwezigheid van gegevens - Raming ex aequo et bono - Wijze Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Wederrechtelijke vermogensvoordelen - Geldwaarde die in de plaats komt van vermogensvoordelen - Afwezigheid van gegevens - Raming ex aequo et bono - Wijze Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.

P.21.0207.N J. J. J. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jan Swennen, advocaat bij de balie Limburg, tegen FLUVIUS SYSTEM OPERATOR cv, met zetel te 9090 Melle, Brusselsesteenweg 199, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 21 januari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het arrest stelt vast dat de vrijspraak van de eiser voor de feiten van de telastleggingen A.1, C.1 en D.1 vaststaat. Het oordeelt bovendien dat de verzwarende omstandigheid dat de misdrijven werden gepleegd ten aanzien van kinderen die geen volle 12 jaar oud zijn voor de feiten van de telastleggingen A.2 en D.2 niet bewezen is. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 204 en 210 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak: het arrest beveelt de verbeurdverklaring van het voertuig Audi A7 Sportback terwijl de appelrechters daarvoor geen saisine hadden en die verbeurdverklaring ook niet werd gevorderd door het openbaar ministerie; de eerste rechter had die verbeurdverklaring evenmin bevolen; de eiser heeft bij gebrek aan belang ter zake geen grief aangevoerd; het openbaar ministerie heeft daarover evenmin een grief aangevoerd, maar gaf enkel als grief aan "omvang van de straf: onvoldoende beteugelend"; ook het openbaar ministerie moet concreet opgeven met welke beschikking van het beroepen vonnis het niet kan instemmen en moet dus preciseren welke straf of maatregel wordt betwist; het had dus moeten vermelden dat het niet-uitspreken van een bepaalde gevorderde verbeurdverklaring werd geviseerd; tijdens de behandeling voor het appelgerecht is deze verbeurdverklaring ook niet aan bod gekomen; aangezien de eiser in de omstandigheden van de zaak zich niet eraan kon verwachten dat een dergelijke straf zou worden uitgesproken, dienden de appelrechters hem uit te nodigen daarover standpunt in te nemen.
  4. Met uitzondering van artikel 43bis, eerste lid, Strafwetboek dat voorziet in een schriftelijke vordering door het openbaar ministerie voor de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen als bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek, maakt geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel een verbeurdverklaring afhankelijk van een uitdrukkelijke vordering door het openbaar ministerie of een verwittiging door de rechter. Een beklaagde weet immers welke straffen de rechter ingeval van een schuldigverklaring krachtens de wet kan of moet uitspreken. Hij moet bij het voeren van zijn verdediging daarmee rekening houden. Die regel geldt ook in hoger beroep en ook als de eerste rechter een gevorderde straf niet heeft opgelegd.
  5. Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door de appellant van de afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt.
  6. Indien het openbaar ministerie in het grievenformulier als grief de rubriek"straf en of maatregel" aankruist met de toevoeging "omvang van de straf: onvoldoende beteugelend", beoogt het de hervorming van de beslissing van het beroepen vonnis betreffende de straftoemeting, dit wil zeggen alle aan de beklaagde op te leggen straffen en maatregelen en hun maat. Niet is dus vereist dat het openbaar ministerie in dat geval in het bijzonder vermeldt voor welke hoofd- of bijkomende straffen het een wijziging van de beslissing van de eerste rechter nastreeft.
  7. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  8. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de vermelde vergeefs aangevoerde onwettigheden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de beslissing tot bijzondere verbeurdverklaring van het voertuig Audi A7 Sportback, die een manifeste strafverzwaring inhoudt, is niet afdoende gemotiveerd; ze is beperkt tot de vaststelling dat het voertuig een zaak is die heeft gediend of bestemd was om de bewezen verklaarde drugmisdrijven te plegen en deze verbeurdverklaring zich lastens de eiser opdringt gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en het aandeel van de eiser in deze feiten; zo wordt niet in concreto gepreciseerd op welke wijze het voertuig heeft gediend of bestemd was om deze misdrijven te plegen.
  10. De appelrechter moet enkel de door hem opgelegde straffen motiveren. Hij moet niet motiveren waarom hij anders straft dan de eerste rechter.
  11. Uit artikel 149 Grondwet volgt dat een verbeurdverklaring slechts regelmatig met redenen is omkleed als de rechter vaststelt dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden om die verbeurdverklaring uit te spreken. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie moet de rechter niet vermelden uit welke concrete dossiergegevens hij die vaststelling afleidt.
  12. Indien de verbeurdverklaring een facultatief karakter heeft, volgt uit artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat ingevolge artikel 211 van dit wetboek van toepassing is op de hoven van beroep, dat de rechter nauwkeurig de redenen vermeldt waarom hij het opleggen van die bijkomende straf noodzakelijk acht, zij het dat die motivering beknopt mag zijn.
  13. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  14. Het arrest beveelt de verbeurdverklaring van het door het onderdeel bedoelde voertuig op grond van artikel 4, § 6, Drugwet.
  15. Artikel 4, § 6, Drugwet bepaalt onder meer dat onverminderd de toepassing van de artikelen 42 en 43 Strafwetboek de rechter de verbeurdverklaring kan bevelen van voertuigen die hebben gediend of bestemd waren om de in de artikelen 2, 2°, 2bis, 2quater en 3 Drugwet omschreven misdrijven te plegen, zelfs als die geen eigendom zijn van de veroordeelde.
  16. Het arrest stelt vast dat het inbeslaggenomen voertuig Audi A7 Sportback een zaak is die heeft gediend of bestemd was om de lastens de eiser bewezen verklaarde feiten te plegen. Het oordeelt dat deze verbeurdverklaring zich lastens de eiser opdringt gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde drugfeiten waarvoor dit voertuig heeft gediend en het aandeel van de eiser in deze feiten. Het arrest heeft bij de schuldbeoordeling het aandeel van de eiser in de bewezen verklaarde feiten toegelicht en heeft zowel bij de schuldbeoordeling als bij de straftoemeting de aard en de ernst van de feiten nader beschreven.
  17. Aldus stelt het arrest vast dat de wettelijke voorwaarden voor die verbeurdverklaring zijn vervuld en vermeldt het bovendien de redenen waarom de appelrechters het bevelen van deze facultatieve verbeurdverklaring noodzakelijk achten. De beslissing tot verbeurdverklaring van dit voertuig is dan ook regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet de door de eiser in zijn syntheseappelconclusie op omstandige wijze ontwikkelde argumenten betreffende de voor de berekening van het vermogensvoordeel gebruikte methodes en de betwistingen over het aantal oogsten en de opbrengsten ervan; het arrest volstaat met het oordeel dat een raming in redelijkheid en billijkheid moet worden gehanteerd; een dergelijke bepaling vereist om niet willekeurig te zijn dat het strafdossier voldoende gegevens bevat om zo nauwkeurig mogelijk de omvang van de voordelen te bepalen; het arrest neemt de in de diverse processen-verbaal door de politiediensten gemaakte berekeningen als uitgangspunt; de eiser heeft nochtans aangevoerd dat de berekeningsbasis voor kritiek vatbaar was omdat er andere berekeningsmethodes werden gebruikt voor de verschillende plantages zonder dat daarvoor een verantwoording kon worden gegeven; de keuze voor deze of gene methode is nochtans fundamenteel om tot een bepaald resultaat te komen; een bepaling in billijkheid mag niet worden gelijkgesteld met of herleid tot een ongemotiveerde beslissing die aantoonbaar op willekeur steunt.
  19. Bij afwezigheid van gegevens die de rechter toelaten het bedrag aan vermogensvoordelen als bedoeld door artikel 42, 3°, Strafwetboek of de geldwaarde ervan als bedoeld door artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek exact vast te stellen, mag de rechter dit bedrag ex aequo et bono bepalen. Die bepaling mag evenwel niet willekeurig zijn. De rechter dient ook voor een ex aequo et bono-bepaling die gegevens van het strafdossier in aanmerking te nemen, die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van de omvang van de vermogensvoordelen of een raming van de geldwaarde ervan toelaten. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  20. Het arrest oordeelt betreffende de berekening van de vermogensvoordelen uit de lastens de eiser bewezen verklaarde misdrijven als volgt: - de politiediensten blijken zich bij de berekening van de vermogensvoordelen te hebben gebaseerd op de omvang en het rendement van de cannabisplantages, zoals aangetroffen bij de huiszoeking (aantal aanwezige potten/cannabisplantage/capaciteit); - of de cannabisplantages die de aan de orde zijnde illegale vermogensvoordelen hebben gegenereerd eenzelfde omvang en rendement (kwaliteit van de cannabis per plant, ...) hadden als de cannabisplantages zoals deze werden aangetroffen bij de huiszoekingen door de politiediensten, is op grond van de dossierelementen evenwel niet zeker; - er liggen in deze een reeks onzekere variabelen voor wat betreft de berekening van de precieze omvang van de vermogensvoordelen; - de wederrechtelijke vermogensvoordelen uit de bewezen verklaarde drugmisdrijven worden voor wat betreft de eiser bij ontstentenis van meer nauwkeurige gegevens die een mathematisch zekere berekening zouden toelaten, in redelijkheid en billijkheid geraamd; - het strafdossier bevat voor elk van de aan de orde zijnde cannabisplantages afdoende gegevens om een dergelijke raming in redelijkheid en billijkheid te schragen; - daarbij wordt onder meer gesteund op de omvang en de kwaliteit van de aangetroffen infrastructuur van de cannabisplantages, waarvan kan worden aangenomen dat deze ab initio voorhanden was; - verder wordt rekening gehouden met de duur van de incriminatieperiodes en het aantal geslaagde oogsten; - vervolgens wordt in het bijzonder rekening houdend met de omvang en de kwaliteit van de aangetroffen infrastructuur van de cannabisplantage (Meeuwen-Gruitrode: ruimte voor minstens 122 cannabisplanten; Bilzen: ruimte voor minstens 204 cannabisplanten; Genk-1: ruimte voor minstens 108 cannabisplanten; Genk-2: ruimte voor een honderdtal planten) en het aantal geslaagde oogsten (Meeuwen-Gruitrode: zeker drie geslaagde oogsten; Bilzen: zeker één geslaagde oogst; Genk-1: zeker één geslaagde oogst; Genk-2: zeker één geslaagde oogst) de opbrengst per plantage bepaald; - de bewering dat de enige oogst voor de plantage te Bilzen zou zijn mislukt wordt met verwijzing naar de professionaliteit waarmee de illegale cannabisplantage werd opgebouwd, verworpen als ongeloofwaardig. Die bewering voor de plantage te Genk-2 wordt om dezelfde reden en met verwijzing naar de verklaring van een medebeklaagde verworpen.
  21. Daaruit volgt dat: - de appelrechters niet zomaar de berekeningen door de politiediensten per cannabisplantage overnemen, maar vaststellen dat op basis van de dossiergegevens een mathematisch zekere bepaling van de vermogensvoordelen niet mogelijk is en daarom het bedrag van vermogensvoordelen ex aequo et bono bepalen; - de appelrechters vermelden dat zij voor die ex aequo et bono-bepaling uitgaan van de omvang en de kwaliteit van de aangetroffen infrastructuur van de cannabisplantages, waarvan kan worden aangenomen dat deze ab initio voorhanden waren; - de appelrechters vervolgens per cannabisplantage aan de hand van het aantal planten en het aantal geslaagde oogsten het bedrag bepalen aan vermogensvoordelen. Aldus vertoont de ex aequo et bono-bepaling van de vermogensvoordelen geen willekeurig karakter, maar verwijst die naar de dossiergegevens die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling toelaten. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  22. Met de vermelde redenen beantwoordt en verwerpt het arrest het door het onderdeel bedoelde verweer, zonder dat het diende te antwoorden op elk argument dat tot staving van dit verweer werd aangevoerd, zonder een afzonderlijk verweer te vormen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  23. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: hoewel dit door de eiser formeel werd betwist in zijn appelconclusie, oordeelt het arrest dat een belangrijk deel van de opbrengsten van de plantages door de vereniging onmiskenbaar bij de eiser terechtkwam aangezien hij de verhandeling van de cannabis verzorgde en hij een leidinggevende positie in de vereniging innam; dit kan uit die elementen niet worden afgeleid; het vindt bovendien ook geen steun in de stukken van het strafdossier; er werden ter zake geen verklaringen afgelegd of geldsommen aangetroffen of een vermogensonderzoek verricht; er kan niet worden geobjectiveerd dat de eiser veel meer vruchten heeft genoten dan zij bij wie de plantages stonden en die de plantages hebben geëxploiteerd; enig bewijs van een ongelijke verdeling van de opbrengsten is niet geleverd; eisers verweer op dit vlak is niet beantwoord.
  24. De rechter oordeelt onaantastbaar bij wie en voor welk deel de opbrengsten van de teelt van cannabisplanten als een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging zijn terechtgekomen. Hij kan bij die beoordeling wel degelijk het gegeven betrekken dat een beklaagde een leidende positie vervulde binnen de vereniging en dat hij de verhandeling van de cannabis zelf verzorgde. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  25. Met de redenen dat het hof van beroep in rekening brengt dat een belangrijk deel van de gegenereerde vermogensvoordelen bij de eiser moet zijn terecht gekomen, gezien zijn leidende positie binnen de vereniging en hij de verhandeling van de cannabis zelf verzorgde, alsook dat rekening wordt gehouden met het gegeven dat de eerste rechter lastens medebeklaagden reeds bedragen aan vermogensvoordelen heeft verbeurdverklaard, beantwoordt en verwerpt het arrest het door het onderdeel bedoelde verweer, zonder dat de appelrechters dienden te antwoorden op elk argument dat tot staving van dit verweer werd aangevoerd, zonder een zelfstandig middel te vormen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  26. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is, of komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Derde middel
  27. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 8, § 1, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest wijst eisers verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging behoudens de periode van voorlopige hechtenis af op grond van een stereotiepe en niet-geïndividualiseerde motivering; het arrest laat na de opportuniteit van de gevraagde maatregel te toetsen aan het door de eiser aangevoerde gevaar voor sociale reclassering en het houdt geen rekening met de persoonlijkheid van de eiser of de negatieve effecten van een bestraffing; het houdt geen rekening met de door de eiser tot staving van zijn verzoek aangevoerde elementen zoals zijn ontslag na achttien jaar trouwe dienst, de verregaande financiële gevolgen voor de eiser die ook instaat voor het onderhoud van twee kinderen, de ondergane hechtenisperiode te Lantin en de impact daarvan en de positieve verslagen van de justitie-assistent.
  28. Het staat aan de rechter te oordelen of aan een beklaagde, die voldoet aan de wettelijke voorwaarden daartoe, de maatregel van het uitstel van tenuitvoerlegging kan worden toegekend. Een beklaagde beschikt immers niet over een recht om van een dergelijke maatregel te genieten. De rechter moet zijn beslissing over de vraag om deze maatregel uit te spreken wel motiveren overeenkomstig artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet.
  29. Uit artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter de weigering in te gaan op een verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging nauwkeurig moet motiveren, maar dat die motivering beknopt mag zijn.
  30. Uit artikel 149 Grondwet volgt niet dat de rechter elk argument dat een beklaagde aanvoert om uitstel van tenuitvoerlegging te genieten, moet beantwoorden. Indien de rechter overeenkomstig artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering nauwkeurig de redenen opgeeft waarom hij uitstel van tenuitvoerlegging weigert, geeft hij te kennen dat hij de door de beklaagde aangevoerde argumenten beantwoordt en verwerpt hij dat verweer.
  31. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  32. Het arrest houdt bij de aan de eiser opgelegde bestraffing rekening met het volgende: - de ernst en de aard van de gepleegde feiten en de omstandigheden waarin ze werden gepleegd: deze feiten zijn zeer ernstig, ze zijn de uiting van een vorm van georganiseerde misdaad die zeer streng moet worden beteugeld. Verdovende middelen houden onmiskenbaar reële gevaren in voor de volksgezondheid en leiden tot maatschappelijke overlast; - het gegeven dat de feiten werden gepleegd in vereniging en de eiser de hoedanigheid had van leidend persoon; - het aandeel van de eiser in de gepleegde feiten en de daarbij aangenomen incriminatieperiodes; - het streefdoel van de eiser naar gemakkelijk geldgewin, daarbij volledig de gevaren van zijn handelen voor de gezondheid en de levenskwaliteit van vaak jonge druggebruikers negerend; - het blanco strafregister van de eiser; - de persoonlijke toestand, de sociale toestand en de persoonlijkheid van de eiser voor zover deze uit het strafdossier en de behandeling op de rechtszitting zijn gebleken.
  33. Het arrest oordeelt specifiek betreffende eisers verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging behoudens de reeds ondergane voorhechtenis dat het toekennen van de gunst van het uitstel mede gelet op de aard en de ernst van de feiten zoals beschreven een onvoldoende krachtig maatschappelijk signaal op deze feiten zou inhouden en de eiser onvoldoende zou wijzen op het ontoelaatbare van zijn handelen. Het arrest voegt daaraan toe dat de eiser in gebreke blijft om afdoende elementen aan te reiken welke de appelrechters toelaten te besluiten dat de hem opgelegde bestraffing zijn toekomst en reclassering op een overdreven wijze, in wanverhouding tot de ernst van de gepleegde feiten, zou hypothekeren. Ten slotte oordeelt het arrest dat geen enkel argument in de syntheseappelconclusie van de eiser of enig door hem ingediend stuk van aard is de appelrechters anders te doen oordelen.
  34. Aldus vermeldt het arrest met verwijzing naar de feiten waaraan de eiser in dit dossier is schuldig verklaard en naar de concrete gegevens betreffende zijn persoonlijkheid de redenen waarom het opleggen van een effectieve straf noodzakelijk wordt geacht. Die motivering is noch stereotiep noch niet-geïndividualiseerd. Uit de motivering blijkt dat de appelrechters bij hun beoordeling wel degelijk het gevaar van een effectieve bestraffing voor zijn sociale reclassering hebben betrokken, zonder dat daarbij vereist is dat ze uitdrukkelijk melding zouden maken van de diverse feitelijke gegevens die de eiser in dat verband heeft aangevoerd. De beslissing om de eiser uitstel van tenuitvoerlegging te weigeren is dan ook regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
  35. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 43bis, laatste lid, Strafwetboek: de verwerping van eisers argumentatie in zijn syntheseappelconclusie dat de verbeurdverklaring een disproportionele bestraffing uitmaakt voldoet niet; de eiser heeft gewezen op het feit dat hij na achttien jaar trouwe dienst om dringende reden werd ontslagen, wat voor hem, die ook moet instaan voor het onderhoud van twee kinderen, verregaande financiële gevolgen had; het arrest kon niet volstaan met het oordeel dat uit niets blijkt dat de verbeurdverklaring van het vermelde bedrag disproportioneel zou zijn, dat er geen grond voorligt om tot enige matiging over te gaan en dat geen enkel argument in de syntheseappelconclusie pertinent is en dan ook geen verder antwoord behoeft.
  36. Artikel 43bis, laatste lid, Strafwetboek bepaalt dat de rechter zo nodig het bedrag van de in artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde vermogensvoordelen of van de in het tweede lid bedoelde geldwaarde vermindert om de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen. Daaruit volgt dat de rechter deze verbeurdverklaring slechts mag uitspreken in de mate dat daardoor aan de veroordeelde geen onredelijk zware straf wordt opgelegd.
  37. De rechter oordeelt onaantastbaar of hij door het bevelen van deze verbeurdverklaring aan de veroordeelde een onredelijk zware straf oplegt. Bij die beoordeling kan de rechter onder meer rekening houden met de aard en de zwaarwichtigheid van de bewezen verklaarde misdrijven, de nagestreefde verrijking, de rol van de veroordeelde bij de feiten, zijn persoonlijkheid en zijn vermogenstoestand, zonder dat het noodzakelijk is dat hij al die toetsingscriteria in zijn beoordeling betrekt.
  38. Uit het enkele gegeven dat een veroordeelde wijst op de financiële gevolgen die een verbeurdverklaring van vermogensvoordelen voor hem heeft, volgt niet dat de rechter moet aannemen dat die verbeurdverklaring een onredelijk zware straf inhoudt.
  39. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  40. Het arrest oordeelt in verband met de verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen voor een bedrag van 79.000,00 euro als volgt: - de verbeurdverklaring van de wederrechtelijke vermogensvoordelen maakt voor de eiser geen onredelijk zware straf uit, gelet op de aard en de ernst van de misdrijven en de persoonlijkheid van de eiser, die louter uit was op snel geldgewin; - omdat misdaad niet mag lonen, zou het maatschappelijk onverantwoord zijn dat de eiser voordeel zou halen uit de misdrijven; - uit niets blijkt dat de verbeurdverklaring voor het vermelde bedrag disproportioneel zou zijn; - er ligt dus geen grond voor om tot enige matiging van deze verbeurdverklaring over te gaan; - geen enkel argument in de syntheseappelconclusie van de eiser is van aard om anders te doen besluiten of is pertinent; - de eiser blijft hoe dan ook in gebreke aannemelijk te maken dat deze verbeurdverklaring dermate afbreuk doet aan zijn financiële toestand dat ze een miskenning inhoudt van het eigendomsrecht.
  41. Aldus beantwoordt het arrest het door het middel bedoelde verweer, zonder dat het specifiek diende in te gaan op elk argument dat werd aangevoerd tot staving van dit verweer. Met die redenen omkleedt het arrest de beslissing dat de verbeurdverklaring geen onredelijk zware straf inhoudt voor de eiser regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  42. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 179,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 18 mei 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240409.2N.14 precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941214.15 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100302.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151222.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160531.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220426.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230620.2N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.7 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.11 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250318.2N.7 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250916.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.