id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.6 Rolnummer: P.21.0427.N Zaak: DE PROCUREUR DES KONINGS TE IEPER contra B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-05-27 Raadplegingen: 858 - laatst gezien 2026-06-16 19:04 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de arresten nr. 185/2019 en 189/2019 van 20 november 2019 van het Grondwettelijk Hof volgt dat artikel 210, tweede lid, derde streepje, Wetboek van Strafvordering in het licht van artikel 13 Grondwet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, zo moet worden geïnterpreteerd dat het voor de appelrechter de mogelijkheid niet beperkt om ambtshalve te oordelen dat bij hem aanhangig gemaakte feiten geen misdrijf zijn, ook al werd de schuldvraag niet beoogd in het appelverzoekschrift of grievenformulier. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Grief beperkt tot de strafmaat - Schuldvraag - Ambtshalve grieven - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 210, tweede lid, derde streepje - 30 ELI link Pub nr 1808111701 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 13 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0427.N PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG WEST-VLAANDEREN, afdeling Ieper, eiser, tegen D. B., beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Ieper, van 4 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - artikel 210, tweede lid, derde streepje, Wetboek van Strafvordering.
- Artikel 210, tweede lid, derde streepje, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat behoudens de door artikel 204 Wetboek van Strafvordering bedoelde grieven, de appelrechter ambtshalve slechts grieven van openbare orde kan opwerpen die betrekking hebben op de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen dan wel op het gegeven dat de feiten die bij hem wat betreft de schuldvraag aanhangig zijn gemaakt, geen misdrijf zijn of de noodzaak om deze feiten te herkwalificeren of een niet te herstellen nietigheid die het onderzoek naar deze feiten aantast.
- Uit de arresten nr. 185/2019 en 189/2019 van 20 november 2019 van het Grondwettelijk Hof volgt dat artikel 210, tweede lid, derde streepje, Wetboek van Strafvordering in het licht van artikel 13 Grondwet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, zo moet worden geïnterpreteerd dat het voor de appelrechter de mogelijkheid niet beperkt om ambtshalve te oordelen dat bij hem aanhangig gemaakte feiten geen misdrijf zijn, ook al werd de schuldvraag niet beoogd in het appelverzoekschrift of grievenformulier.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - het beroepen vonnis verklaart de verweerder onder meer schuldig aan de telastlegging C, namelijk zich te Ieper op 21 oktober 2019 te hebben schuldig gemaakt aan het besturen van een motorvoertuig zonder het bij artikel 38, § 3, Wegverkeersverkeerswet voorgeschreven onderzoek uitgesproken bij het in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Ieper, van 8 oktober 2018 met goed gevolg te hebben ondergaan, zijnde een inbreuk op artikel 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet. Het beroepen vonnis stelt tevens het herhalingsregime als bedoeld door artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet vast gelet op hetzelfde vonnis. Het veroordeelt de verweerder voor het feit van de telastlegging C tot een geldboete en een verval van het recht tot sturen waarbij het herstel van het verval afhankelijk wordt gemaakt van het slagen in de vier onderzoeken en examens; - de verweerder stelt tegen alle beschikkingen van dit vonnis hoger beroep in, maar voert in zijn grievenformulier enkel grieven aan betreffende de bestraffing; - het bestreden vonnis oordeelt betreffende het voorhanden zijn van de door artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet bedoeld herhalingsregime, dat bij gebrek aan stavingsstukken in het strafdossier niet is aangetoond dat het vonnis van de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Ieper, van 8 oktober 2018, kracht van gewijsde heeft, zodat dit herhalingsregime dan ook niet wordt aangenomen. Het bestreden vonnis veroordeelt de verweerder tot een geldboete en een verval van het recht tot sturen.
- Een in kracht van gewijsde getreden beslissing die een door artikel 38, § 3, Wegverkeerswet bedoeld onderzoek oplegt, is een vereiste om een beklaagde schuldig te verklaren aan het door artikel 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet bedoeld misdrijf.
- De appelrechters die eensdeels oordelen dat niet blijkt dat het vonnis van de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Ieper, van 8 oktober 2018 kracht van gewijsde heeft en op die grond het herhalingsregime van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet niet toepassen, en, anderdeels, niettegenstaande het daaruit voortvloeiende gegeven van het ontbreken van de vereiste voor het misdrijf van artikel 48, eerste lid, 2°, Wegverkeerswet van een in kracht van gewijsde getreden veroordeling, nalaten bij toepassing van artikel 210, tweede lid, derde streepje, Wetboek van Strafvordering een grief van openbare orde op te werpen betreffende de schuld van de verweerder aan het feit omschreven onder de telastlegging C, schenden artikel 210, tweede lid, derde streepje, Wetboek van Strafvordering. Middel
- Het middel dat niet kan leiden tot ruimere cassatie, behoeft geen antwoord. Omvang van de cassatie
- De vermelde onwettigheid leidt tot de vernietiging van het bestreden vonnis in zoverre de appelrechters nalaten ambtshalve een grief op te werpen bij toepassing van artikel 210, tweede lid, derde streepje, Wetboek van Strafvordering, alsook tot de vernietiging van de aan de verweerder voor het feit van de telastlegging C opgelegde bestraffing met inbegrip van de niet-vaststelling van de door artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde herhaling, de veroordeling tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds en de veroordeling tot kosten, maar laat de overige beslissingen van het bestreden vonnis onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het: - nalaat bij toepassing van artikel 210, tweede lid, derde streepje, Wetboek van Strafvordering betreffende de schuld van de verweerder aan het feit omschreven onder de telastlegging C een grief van openbare orde op te werpen; - oordeelt over de aan de verweerder voor dat feit opgelegde bestraffing met inbegrip van de niet-vaststelling van de door artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde herhaling, de veroordeling tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds en de veroordeling tot de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Laat twee derden van de kosten ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 96,86 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 18 mei 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230530.2N.14 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221213.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div