id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.9 Rolnummer: P.21.0245.N Zaak: L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-05-27 Raadplegingen: 710 - laatst gezien 2026-06-19 04:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Niet ontvankelijk bij gebrek aan belang is het middel dat aanvoert dat de kamer van inbeschuldigingstelling onterecht het beroep tegen de verwijzingsbeschikking niet ontvankelijk verklaart, wanneer het arrest de gegrondheid van het verweer over de nietigheid van de beroepen beschikking onderzoekt en het hoger beroep afwijst; de omstandigheid dat het arrest het hoger beroep niet ontvankelijk verklaart, kan de eiser zodoende niet grieven
(1).
(1)Cass. 5 oktober 2010, AR P.10.0530.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101005.6, AC 2010, nr. 575. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Belang Vrije woorden: Raadkamer - Regeling van de rechtspleging - Verwijzingsbeschikking - Hoger beroep - Nietigheid of onregelmatigheid met betrekking tot de beschikking - Kamer van Inbeschuldigingstelling - Arrest dat het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaart - Arrest dat de gegrondheid van het verweer onderzoekt - Ontvankelijkheid - Gevolg Fiches 2 - 3 Wanneer de raadkamer met een niet-bestreden beschikking heeft geoordeeld dat de zaak niet in staat van wijzen is om de rechtspleging te regelen, heeft zij haar rechtsmacht over dit geschilpunt uitgeput en zij kan op die beslissing niet terugkomen, behoudens indien het onderzoek werd vervolledigd of in geval van gewijzigde omstandigheden; niet vereist is dat de beide situaties zich voordoen en evenmin wordt de rechtsmacht van de raadkamer om de rechtspleging te regelen gehinderd door het feit dat het onderzoek anders wordt vervolledigd of de omstandigheden anders zijn gewijzigd dan vermeld in haar eerdere beschikking
(1).
(1)Zie Cass. 17 april 2012, AR P.11.2059.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120417.11, AC 2012, nr. 234. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Raadkamer - Regeling van de rechtspleging - Niet-bestreden beschikking waarbij geoordeeld werd dat de zaak niet in staat van wijzen is - Beschikking die rechtsmacht over dit geschilpunt uitput - Gevolg - Mogelijkheid om opnieuw uitspraak te doen over hetzelfde geschilpunt - Voorwaarden Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Vrije woorden: Raadkamer - Niet-bestreden beschikking waarbij geoordeeld werd dat de zaak niet in staat van wijzen is - Beschikking die rechtsmacht over dit geschilpunt uitput - Gevolg - Mogelijkheid om opnieuw uitspraak te doen over hetzelfde geschilpunt - Voorwaarden Fiches 4 - 5 Uit de enkele omstandigheid dat een raadsheer in een correctionele kamer van het hof van beroep oordeelt over de gegrondheid van de strafvordering, terwijl hij eerder als lid van de kamer van inbeschuldigingstelling ten aanzien van dezelfde beklaagde heeft beslist over de handhaving van diens voorlopige hechtenis, kan geen schending van artikel 6.1 EVRM of artikel 14.1 IVBPR noch miskenning van het recht op een onpartijdige rechterlijke instantie worden afgeleid; dat is slechts anders indien uit de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling blijkt dat die zich daadwerkelijk een mening heeft gevormd over de grond van de zaak
(1).
(1)Zie Cass. 12 maart 2013, AR P.12.0852.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130312.3, AC 2013, nr. 171, RW 2013-14, 305-308, met noot B. De Smet. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Onpartijdige rechterlijke instantie - Beslissing over handhaving voorlopige hechtenis - Beoordeling van de gegrondheid van de strafvordering - Zelfde strafrechter - Gevolg - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN Vrije woorden: Onpartijdige rechterlijke instantie - Beslissing over handhaving voorlopige hechtenis - Beoordeling van de gegrondheid van de strafvordering - Zelfde strafrechter - Gevolg - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Annotaties Publicaties: RW-Rechtskundig weekblad - 2021-22, nr. 26, p. 1030-
- - IDOMON, Catherine; Noot'De objectieve onpartijdigheid van de vonnisrechter die reeds eerder oordeelde over de voorlopige hechtenis' Tekst van de beslissing Nr. P.21.0245.N I-VI J. F. L., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Maarten Willaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 13 januari
- Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest nr. K/214/16 van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 4 februari
- Het cassatieberoep III is gericht tegen het arrest nr. K/214/16 van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 4 februari
- Het cassatieberoep IV is gericht tegen het arrest nr. K/337/18 – 2017/12/143 van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 6 maart
- Het cassatieberoep V is gericht tegen het arrest nr. K/337/118 van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 4 februari 2016, alsook tegen de beschikking van de raadkamer West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 22 november
- Het cassatieberoep VI is gericht tegen het arrest nr. K/337/18 van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 6 maart 2018, alsook tegen de beschikking van de raadkamer West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 22 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan tegen het arrest nr. K/337/18 van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 6 maart 2018, twee middelen tegen de beschikking van de raadkamer West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 22 november 2017 en een middel tegen het arrest van 13 januari
- Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- In zoverre het betrekking heeft op een onbestaand arrest nr. K/337/118 van 4 februari 2016, is het cassatieberoep V niet ontvankelijk.
- Artikel 418 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat enkel tegen in laatste aanleg gewezen gerechtelijke beslissingen cassatieberoep kan worden ingesteld. Het arrest nr. K/337/18 van 6 maart 2018 verklaart het hoger beroep van de eiser tegen de verwijzingsbeschikking van 22 november 2017 niet ontvankelijk omdat deze niet is aangetast door een nietigheid, verzuim of onregelmatigheid. In zoverre gericht tegen de verwijzingsbeschikking van 22 november 2017 zijn de cassatieberoepen V en VI niet ontvankelijk.
- Artikel 419 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat niemand een tweede maal cassatieberoep kan instellen tegen dezelfde beslissing, behoudens in de gevallen waarin de wet voorziet. Het cassatieberoep III in zoverre gericht tegen het arrest nr. K/214/16 van 4 februari 2016 en het cassatieberoep VI in zoverre gericht tegen het arrest nr. K/337/18 van 6 maart 2018, zijn niet ontvankelijk. Eerste middel tegen het arrest van 6 maart 2018
- Het middel voert schending aan van artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering: in antwoord op eisers verweer dat de raadkamer niet kon terugkomen op haar beslissing van 12 oktober 2016 dat de zaak niet in staat van wijzen was zonder vast te stellen dat het onderzoek werd vervolledigd of dat er gewijzigde omstandigheden waren, oordeelt het arrest dat de raadkamer haar rechtsmacht niet heeft overschreden, zodat de verwijzingsbeschikking van 22 november 2017 niet is aangetast door een nietigheid, verzuim of onregelmatigheid en eisers hoger beroep bijgevolg niet ontvankelijk is; die beslissing betreft echter niet de ontvankelijkheid, maar de gegrondheid van het hoger beroep.
- Met de in het middel vermelde redenen onderzoekt het arrest de gegrondheid van eisers verweer over de nietigheid van de beroepen beschikking en wijst het dat hoger beroep af. De omstandigheid dat het arrest het hoger beroep niet ontvankelijk verklaart, kan de eiser zodoende niet grieven. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel tegen het arrest van 6 maart 2018 Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 19, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de raadkamer haar rechtsmacht niet heeft overschreden door bij beschikking van 22 november 2017 de rechtspleging te regelen na bij beschikking van 12 oktober 2016 te hebben geoordeeld dat de rechtspleging niet kon worden geregeld wegens de onvolledigheid van het onderzoek; het arrest steunt dat oordeel ten onrechte op de vaststelling dat, daar waar reeds uit het proces-verbaal nr. 510820/2016 van 14 juli 2016 bleek dat de politie bij gebrek aan de benodigde “queries” (vraagstelling) de registers niet digitaal kon samenstellen, uit het proces-verbaal nr. 500020/2017 van 2 januari 2017 bleek dat door het gebrek aan die “queries” ook een manuele samenstelling van de registers niet mogelijk was, wat voorheen nog niet gekend was; uit het proces-verbaal nr. 500020/2017 van 2 januari 2017 blijkt dat het wegens het ontbreken van de “queries” niet mogelijk is een analyse van de tabellen uit te voeren, dit zowel op digitale als op manuele wijze; dit proces-verbaal herhaalt enkel wat in vorige processen-verbaal werd gesteld en voegt daaraan niets toe; door te oordelen dat uit de lezing het vermelde proces-verbaal en het proces-verbaal nr. 510820/2016 van 14 juli 2016 een nieuwe omstandigheid blijkt, namelijk dat duidelijk is geworden dat ook een manuele samenstelling van de registers niet mogelijk was, miskent het arrest de bewijskracht van deze processen-verbaal.
- Artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een vonnis een eindvonnis is in zoverre daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt is uitgeput, behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald.
- Wanneer de raadkamer met een niet-bestreden beschikking heeft geoordeeld dat de zaak niet in staat van wijzen is om de rechtspleging te regelen, heeft zij haar rechtsmacht over dit geschilpunt uitgeput. Zij kan op die beslissing niet terugkomen, behoudens indien het onderzoek werd vervolledigd of in geval van gewijzigde omstandigheden. Niet vereist is dat de beide situaties zich voordoen. Evenmin wordt de rechtsmacht van de raadkamer om de rechtspleging te regelen gehinderd door het feit dat het onderzoek anders wordt vervolledigd of de omstandigheden anders zijn gewijzigd dan vermeld in haar eerdere beschikking. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt zoals het onderdeel vermeldt, alsook (p. 20, derde alinea): “Op 14 juli 2016 stelt commissaris [D.] evenwel een proces-verbaal op waaruit bleek dat de registers op zich niet aanwezig waren op de computers van [de eiser] maar wel alle gegevens m.b.t. de door [de eiser] gebruikte programmatuur, opgeslagen in tabellen. De uitprints van die tabellen met alle relevante data betreffende
(1),
(2)en
(3)werden integraal gevoegd aan het dossier (en werden neergelegd onder OS 16/5392 ter griffie van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge) (zie navolgend proces-verbaal 510520/2016, karton IV, submap 12, stukken 2 en 3). Daarbij merkte commissaris [D.] op 'dat alle gegevens beschikbaar waren (en, dus geïnterpreteerd kunnen worden) maar dat hij niet over de ‘queries’ (vraagstelling) beschikte om de gegevens (digitaal) op te halen en de diverse tabellen (digitaal) aan elkaar te linken. Hij herhaalde daarbij dat de registers op zich dus niet aanwezig waren op de computers zelf. De tabellen wel maar die dienden (manueel) naast elkaar gelegd worden om de resultaten te kunnen lezen en de registers samen te stellen.” Aldus geeft het arrest noch van het proces-verbaal nr. 510820/2016 van 14 juli 2016 noch van het proces-verbaal nr. 500020/2017 van 2 januari 2017 een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet verenigbaar is. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- De aangevoerde miskenning van artikel 19 Gerechtelijk Wetboek is afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 19, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de raadkamer haar rechtsmacht niet heeft overschreden omdat het onderzoek werd vervolledigd met de tabellen waarin alle gegevens voorhanden zijn om de registers samen te stellen; het arrest leidt dat oordeel ten onrechte af uit de feiten die het vaststelt; de tabellen bevonden zich immers reeds in het dossier vóór de beschikking van 12 oktober 2016; minstens miskent het arrest de bewijskracht van het proces-verbaal nr. 50020/2017 van 2 januari 2017, waarin de verbalisant aangeeft dat de gevraagde tabellen reeds eerder aan het dossier waren toegevoegd; het arrest miskent eveneens de bewijskracht van het proces-verbaal nr. 510820/2016 van 14 juli 2016 door op grond van dit proces-verbaal te oordelen dat het onderzoek werd vervolledigd op 12 oktober 2016; bovendien heeft de raadkamer in haar beschikking van 12 oktober 2016 aangegeven dat niet de tabellen, maar wel de registers bij het dossier moesten worden gevoegd om het dossier te vervolledigen; in de voormelde processen-verbaal is ook enkel sprake van tabellen uit het programma “Recifarm”, terwijl het toegekende aanvullend onderzoek ook de registers van het programma “Mobivet” omvatte en de beschikking van de raadkamer van 12 oktober 2016 betrekking had op alle registers.
- De beslissing dat de raadkamer rechtsmacht had om de rechtspleging te regelen is naar recht verantwoord door de zelfstandige redenen vermeld in het antwoord op het tweede onderdeel. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Middelen tegen de beschikking van 22 november 2017
- De middelen tot staving van het niet-ontvankelijke cassatieberoep tegen de beschikking van 22 november 2017 behoeven geen antwoord. Middel tegen het arrest van 13 januari 2021
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de rechter: het veroordelend arrest van 13 januari 2021 is mee gewezen door een raadsheer die mee het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 31 juli 2014 heeft gewezen, dat de voorlopige hechtenis van de eiser heeft gehandhaafd na het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de beschikking tot vrijlating van de eiser onder voorwaarden; aldus heeft die raadsheer voorheen kennis genomen van het dossier en een inhoudelijke beslissing erin genomen, zodat het arrest van 13 januari 2021 moet worden vernietigd.
- Uit de enkele omstandigheid dat een raadsheer in een correctionele kamer van het hof van beroep oordeelt over de gegrondheid van de strafvordering, terwijl hij eerder als lid van de kamer van inbeschuldigingstelling ten aanzien van dezelfde beklaagde heeft beslist over de handhaving van diens voorlopige hechtenis, kan geen schending van artikel 6.1 EVRM of artikel 14.1 IVBPR noch miskenning van het recht op een onpartijdige rechterlijke instantie worden afgeleid. Dat is slechts anders indien uit de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling blijkt dat die zich daadwerkelijk een mening heeft gevormd over de grond van de zaak. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit het arrest van 31 juli 2014, dat handelde over een bevel tot aanhouding wegens het niet-naleven van de bij een invrijheidstelling opgelegde voorwaarden blijkt niet dat de kamer van inbeschuldigingstelling zich daadwerkelijk een mening heeft gevormd over de grond van de zaak. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 550,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 18 mei 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101005.6 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120417.11 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130312.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div