id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210521.1N.1 Rolnummer: F.19.0152.N Zaak: G. contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-01-11 Raadplegingen: 948 - laatst gezien 2026-06-19 03:28 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 In het bericht van wijziging van de aangifte dient de administratie de inkomsten en andere gegevens die zij voornemens is in de plaatste stellen van die welke zijn aangegeven of schriftelijk erkend, en de rechtvaardiging ervan, te vermelden; de wijze vanbelasting dient niet te worden vermeld, aangezien de wijze van belasting voortvloeit uit de wet en geen door de belastingplichtige aangegeven of schriftelijk erkende gegevens betreft zoals bedoeld in artikel 346, eerste lid, WIB
- Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Wijziging door de administratie van een aangifte Vrije woorden: Bericht van wijziging - Wetsbepalingen op grond waarvan de aanslag wordt berekend - Vermelding - Vereiste Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 346 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 2 Het wettelijk vermoeden van artikel 341 WIB92 houdt in dat de administratie bij de bepaling van de belastbare grondslag noch de afkomst noch de aard van de bezittingen op grond waarvan een indiciaire taxatie is verantwoord, dient aan te tonen en bijgevolg de bezittingen niet dient onder te brengen in een van de in artikel 6 van het wetboek bedoelde bijzondere inkomstencategorieën; het staat de belastingplichtige vrij het tegenbewijs te leveren, dan wel de specifieke aard van de verborgen gehouden inkomsten aan te tonen. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Tekenen of indiciën van gegoedheid Vrije woorden: Aanduiding van de inkomstencategorie - Vereiste Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 341 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de beslissing Nr. F.19.0152.N
- J. G.,
- E. R., eisers, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 november
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 8 april 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 346, eerste lid, WIB92 stelt de administratie, indien ze meent de inkomsten en andere gegevens te moeten wijzigen welke de belastingplichtige heeft vermeld in een aangifte die voldoet aan de vorm- en termijnvereisten van de artikelen 307 tot 311 of van ter uitvoering van artikel 312 genomen bepalingen, dan wel schriftelijk heeft erkend, de belastingplichtige bij een ter post aangetekende brief in kennis van de inkomsten en andere gegevens die zij voornemens is in de plaats te stellen van die welke zijn aangegeven of schriftelijk erkend, en vermeldt zij de redenen die naar haar oordeel de wijziging rechtvaardigen. In het bericht van wijziging van de aangifte dient de administratie de inkomsten en andere gegevens die zij voornemens is in de plaats te stellen van die welke zijn aangegeven of schriftelijk erkend, en de rechtvaardiging ervan, te vermelden. De wijze van belasting dient niet te worden vermeld, aangezien de wijze van belasting voortvloeit uit de wet en geen door de belastingplichtige aangegeven of schriftelijk erkende gegevens betreft zoals bedoeld in artikel 346, eerste lid, WIB
- Het onderdeel dat ervan uitgaat dat in het bericht van wijziging melding moet worden gemaakt van de wetsbepaling op grond waarvan de aanslag werkelijk berekend en gevestigd wordt, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. (…) Tweede middel
- Artikel 341 WIB92 bepaalt dat, behoudens tegenbewijs, de raming van de belastbare grondslag mag worden gedaan volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten. Krachtens die bepaling worden de tijdens een belastbaar tijdperk vastgestelde uitgaven, beleggingen, investeringen en vermogensaangroei, die worden aangemerkt als tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten, behoudens tegenbewijs, vermoed voort te komen van belastbare inkomsten. Het wettelijk vermoeden houdt in dat de administratie bij de bepaling van de belastbare grondslag noch de afkomst noch de aard van de bezittingen op grond waarvan een indiciaire taxatie is verantwoord, dient aan te tonen en bijgevolg de bezittingen niet dient onder te brengen in een van de in artikel 6 van het wetboek bedoelde bijzondere inkomstencategorieën. Het staat de belastingplichtige vrij het tegenbewijs te leveren, dan wel de specifieke aard van de verborgen gehouden inkomsten aan te tonen. Hieruit volgt dat de administratie, voor de toepassing van artikel 126, eerste lid, WIB92, ervan mag uitgaan dat de door tekenen en indiciën bewezen inkomsten geen beroepsinkomsten zijn en bijgevolg mogen worden toegevoegd aan de inkomsten van de echtgenoot met de hoogste beroepsinkomsten, behoudens tegenbewijs door de belastingplichtige.
- Het middel dat aanvoert dat de appelrechters ten onrechte oordelen dat de indiciaire tekorten, die zij als inkomens van onbepaalde oorsprong beschouwen, belastbaar zijn als een netto-inkomen in de zin van artikel 6 WIB92 waarop artikel 126, eerste lid, WIB92 van toepassing is, kan niet worden aangenomen.
- De voorgestelde prejudiciële vraag die veronachtzaamt dat de belastingplichtige de bekritiseerde toepassing kan vermijden door de specifieke aard van de verborgen gehouden inkomsten aan te tonen, moet niet worden gesteld. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 515,62 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens, François Stévenart Meeûs en Sven Mosselmans in openbare rechtszitting van 21 mei 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210521.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230302.1F.3 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240115.3F.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div