← België

VOS AANNEMINGEN bvba contra BELGISCHE STAAT, min. Fin.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210521.1N.3 Rolnummer: F.18.0046.N Zaak: VOS AANNEMINGEN bvba contra BELGISCHE STAAT, min. Fin. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2021-09-13 Raadplegingen: 1187 - laatst gezien 2026-06-19 23:38 Versie(s): Vertaling FR Fiche Artikel 17, § 2, onder

  1. a)van de Zesde richtlijn moet worden uitgelegd dat wanneer een derde voordeel haalt uit de door de belastingplichtige gedane uitgaven, de omstandigheid dat laatstgenoemde een deel van de uitgaven kan doorrekenen aan die derde, een van de elementen vormt, naast alle andere omstandigheden waarin de betrokken handelingen hebben plaatsgevonden, die de rechter in aanmerking dient te nemen om de omvang van het recht op btw-aftrek van de belastingplichtige te bepalen. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Uitgaven die ten goede komen van derden - Recht op aftrek van voorbelasting - Omvang Wettelijke bepalingen: Richtlijn 77/388/EEG van de Raad (zesde richtlijn) van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag - 17-05-1977 - Art. 17 - 34 Link Justel databank 19770517-34 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 45, § 1 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Tekst van de beslissing Nr. F.18.0046.N VOS AANNEMINGEN bv, met zetel te 9000 Gent, Franklin Rooseveltlaan 349, bus W, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0436.515.044, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt het BTW-ontvangkantoor Gent 1, met kantoor te 9050 Gent (Ledeberg), Gaston Crommenlaan 6, bus 107, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 28 november 2017. Met een arrest van 26 april 2019 heef het Hof aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag gesteld. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geantwoord in het arrest C-405/19 van 1 oktober 2020. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel Eerste subonderdeel (...) Tweede subonderdeel 1. Met de redenen dat de bedoelde kosten betrekking hebben op zowel het gebouw als de grond, dat de eiseres een deel van deze kosten zou kunnen laten aanrekenen aan de grondeigenaar en de kosten voor de verkoop van de grond normaal worden gedragen door de grondeigenaar, geeft de appelrechter te kennen dat het door de grondeigenaar genoten voordeel niet ondergeschikt is aan de behoeften van het bedrijf van de eiseres en verwerpt en beantwoordt hij het in het subonderdeel bedoelde verweer. In zoverre het miskenning aanvoert van de motiveringsverplichting, mist het subonderdeel feitelijke grondslag. 2. In zijn arrest van 1 oktober 2020 gewezen in de huidige zaak heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat: - in de hypothese dat de kosten voor de in een eerder stadium verleende diensten toewijsbaar zijn aan welbepaalde handelingen in een later stadium, de belastingplichtige de btw op die kosten slechts mag aftrekken van de door hem verschuldigde belasting indien die diensten worden gebruikt voor zijn eigen belaste handelingen (ro 37); - het gedeelte van de uitgaven dat geen verband houdt met de handelingen van de belastingplichtige maar met die van een derde, zoals in het hoofdgeding de verkoop van grond, niet een dergelijk recht doet ontstaan (ro 38); - om de omvang van het recht op aftrek te bepalen moet worden uitgemaakt in welke mate de betrokken diensten daadwerkelijk zijn verleend om het de belastingplichtige mogelijk te maken zijn belaste handelingen te verrichten; het immers slechts in die mate is dat de voorbelasting zal worden gezien als drukkend op aan de belastingplichtige verleende diensten, zoals artikel 17, tweede lid, onder a), van de Zesde Richtlijn vereist (ro 40); - daarvoor moet worden uitgegaan van de objectieve inhoud van de door de belastingplichtige verworven diensten en moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden waarin de betrokken handelingen hebben plaatsgevonden (ro 41); - in omstandigheden als die van het hoofdgeding met name de dienstverleningscontracten van belang zijn alsook de economische en commerciële realiteit, die volgens vaste rechtspraak een fundamenteel criterium vormt voor de toepassing van het gemeenschappelijk btw-stelsel (ro 42); - de omstandigheid dat de belastingplichtige een deel van de voor de diensten gedane uitgaven kan doorrekenen aan derden, voorzeker een aanwijzing is voor de conclusie dat dit deel van de uitgaven geen verband houdt met de door de belastingplichtige in een later stadium verrichte handeling maar met de door de derde verrichte handeling (ro 46); - dit gegeven op zich echter onvoldoende is om de omvang te bepalen van het recht op btw-aftrek van de belastingplichtige; bij de toepassing van het criterium van het rechtstreeks verband immers rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden waarin de betrokken handelingen hebben plaatsgevonden, welke beoordeling aan de rechter staat (ro 47); - artikel 17, tweede lid, onder
  2. a)van de Zesde richtlijn bijgevolg aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een derde voordeel haalt uit de door de belastingplichtige gedane uitgaven, de omstandigheid dat laatstgenoemde een deel van de uitgaven kan doorrekenen aan die derde, een van de elementen vormt - naast alle andere omstandigheden waarin de betrokken handelingen hebben plaatsgevonden - die de rechter in aanmerking dient te nemen om de omvang van het recht op btw-aftrek van de belastingplichtige te bepalen (ro 48). 3. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - het niet ter betwisting staat dat de kosten waarvan de aftrek voor een deel door de administratie werden verworpen betrekking hebben zowel op de verkoop van de grond van een derde/eigenaar als op de verkoop van de aan de eiseres toebehorende gebouwen; - in zoverre de eiseres aanvoert dat het voor de aftrek van de btw volstaat dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband is met de belaste handelingen van de eiseres, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 februari 2007 (C-435/05 - Investrand bv), zij niet kan worden gevolgd; - de eiseres hierbij het gegeven miskent dat het juridisch mogelijk is de grond van een derde en het gebouw van de eiseres afzonderlijk te verkopen, wat trouwens gebeurt bij de hier aan de orde zijnde verkoopoperaties; - zo er te dezen wel een zeker verband is tussen de verkoop van de gebouwen en de verkoop van de grond, dit niet het bedoelde rechtstreeks en onmiddellijk verband is; - er ook moet overwogen worden dat, zo publiciteits- en administratiekosten en commissielonen voor de verkoop van de appartementsgebouwen betrekking hebben zowel op het gebouw als de grond, de eiseres een deel van deze kosten zou kunnen of zou kunnen laten doorrekenen aan de grondeigenaar aangezien de kosten gemaakt worden met het oog op verkoop van de grond; - het ook niet enkel zo is dat de eigenaar van de grond enkel "voordeel" haalt uit het ten laste nemen van de publiciteits- en administratiekosten en commissielonen voor de verkoop van de appartementsgebouwen door de eiseres, maar het kosten zijn gemaakt voor de verkoop van gronden die normaal door de derde/eigenaar zouden moeten gedragen worden. 4. De appelrechter die aldus, rekening houdend met alle omstandigheden waarin de betrokken handelingen hebben plaatsgevonden, oordeelt dat een gedeelte van de diensten waarvoor de uitgaven werden gedaan werden gebruikt voor handelingen van derden, namelijk voor de verkoop van de gronden door de grondeigenaren, en dat er voor dat gedeelte van de uitgaven geen rechtstreeks en noodzakelijk verband bestaat met de verkoop van de gebouwen door de eiseres, verantwoordt zijn beslissing naar recht. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 45, § 1, Btw-wetboek, artikel 1, § 2, van het KB nr. 3 van 10 december 1969 en artikel 17 van de Zesde Richtlijn, kan het niet worden aangenomen. Derde subonderdeel (...) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 420,77 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens, François Stévenart Meeûs en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 21 mei 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210521.1N.3 Gerelateerde publicatie(
  3. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190426.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.