← België

G. contra BELGISCHE STAAT, FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210521.1N.6 Rolnummer: F.20.0031.N Zaak: G. contra BELGISCHE STAAT, FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2021-09-13 Raadplegingen: 1351 - laatst gezien 2026-06-18 14:23 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210521.1N.6 Fiches 1 - 7 Het Hof stelt de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 90, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992, het grondwettelijk legaliteitsbeginsel en/of gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 170 en 172 van de Grondwet in zoverre het buiten de uitoefening van een beroepswerkzaamheid verkregen winst of baten belastbaar stelt, tenzij de winst of baten voortkomen uit normale verrichtingen van beheer van een privévermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen?”

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Diverse inkomsten Vrije woorden: Normale verrichtingen van beheer van een privévermogen - Begrip - Legaliteitsbeginsel - Verenigbaarheid Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 90, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag - Diverse inkomsten - Normale verrichtingen van beheer van een privévermogen - Begrip - Legaliteitsbeginsel - Verenigbaarheid Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 90, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Grondwettelijk Hof - Aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag - Diverse inkomsten - Normale verrichtingen van beheer van een privévermogen - Begrip - Legaliteitsbeginsel - Verenigbaarheid Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 90, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: Diverse inkomsten - Normale verrichtingen van beheer van een privévermogen - Begrip - Legaliteitsbeginsel - Verenigbaarheid Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 90, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Vrije woorden: Diverse inkomsten - Normale verrichtingen van beheer van een privévermogen - Begrip - Legaliteitsbeginsel - Verenigbaarheid Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 90, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 170 Vrije woorden: Diverse inkomsten - Normale verrichtingen van beheer van een privévermogen - Begrip - Legaliteitsbeginsel - Verenigbaarheid Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 90, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Vrije woorden: Diverse inkomsten - Normale verrichtingen van beheer van een privévermogen - Begrip - Legaliteitsbeginsel - Verenigbaarheid Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 90, 1° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de beslissing Nr. F.20.0031.N
  1. I. G.,
  2. N. T., eisers, bijgestaan door mr. Luc Vanheeswijck en mr. Livius Kell, beiden advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Verenigingstraat 57-59, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 21 mei
  3. Advocaat-generaal Johan van der Fraenen heeft op 8 april 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel Ontvankelijkheid
  4. De verweerder voert een grond van niet-ontvankelijkheid aan: de eisers voeren aan dat artikel 90, 1°, WIB92 het grondwettelijk legaliteitsbeginsel en gelijkheidsbeginsel schendt, terwijl het Hof niet bevoegd is om de verenigbaarheid van een wet met de Grondwet na te gaan.
  5. De eisers vragen het Hof niet om zelf te oordelen over de verenigbaarheid van artikel 90, 1°, WIB92 met het grondwettelijk legaliteits- en gelijkheidsbeginsel, maar verzoeken het Hof om in dat verband een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
  6. De eisers hebben de appelrechters verzocht de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Is artikel 90, 1°, WIB92 verenigbaar met het Grondwettelijk legaliteitsbeginsel en/of gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, wanneer het dusdanig wordt geïnterpreteerd dat de belastbaarheid van een inkomen of meerwaarde afhangt van een vergelijking van het gedrag van een goede huisvader, rekening houdend met de dynamische interpretatie van het begrip “goede huisvader” en de invulling van dit begrip in functie van de persoon en het vermogen van de belastingplichtige, waardoor de toepassing van de belastingwet onvoorspelbaar wordt.” De appelrechters oordelen dat klaarblijkelijk noch het gelijkheidsbeginsel, noch het legaliteitsbeginsel worden geschonden en er geen reden is om een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. In het eerste onderdeel van hun enig middel voeren de eisers schending aan van artikel 26, § 2, derde lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof omdat de appelrechters hebben geoordeeld dat artikel 90, 1°, WIB92 de Grondwet klaarblijkelijk niet schendt, terwijl de door de eisers aangevoerde redenen klaarblijkelijk tot het tegendeel moeten doen besluiten of dat minstens de grondwettigheid van deze bepaling kan betwijfeld worden. In het tweede onderdeel voeren zij schending aan van de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet doordat de appelrechters artikel 90, 1°, WIB92 hebben toegepast terwijl het strijdig is met het gelijkheids- en legaliteitsbeginsel. De eisers verzoeken het Hof om zelf de voormelde prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
  7. Wanneer de appelrechters hebben geweigerd om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over de schending door de wet van een door de Grondwet gewaarborgd grondrecht, en de eiser in het cassatiemiddel niet alleen de afwijzing van zijn vraag aanvecht, maar tevens de beslissing bekritiseert over het geschil zelf, dat voor hem de grond oplevert tot het opwerpen van een prejudiciële vraag, is het Hof in beginsel gehouden zelf die vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Er bestaat grond om het Grondwettelijk Hof de in het dictum gestelde vraag te stellen. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere beslissing aan tot het Grondwettelijk Hof zal hebben geantwoord op de volgende prejudiciële vraag: “Schendt artikel 90, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992 en bekrachtigd bij wet van 12 juni 1992, het grondwettelijk legaliteitsbeginsel en/of gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 170 en 172 van de Grondwet in zoverre het buiten de uitoefening van een beroepswerkzaamheid verkregen winst of baten belastbaar stelt, tenzij de winst of baten voortkomen uit normale verrichtingen van beheer van een privé-vermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen?” Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens, François Stévenart Meeûs en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 21 mei 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210521.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210521.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.