id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210521.1N.7 Rolnummer: F.19.0157.N Zaak: BELGISCHE STAAT, MIN FIN c. TONY RUS ACTIVITIES NV Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2021-09-13 Raadplegingen: 982 - laatst gezien 2026-06-19 23:36 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210521.1N.7 Fiche De in artikel 219, zevende lid, WIB92 bedoelde ondubbelzinnige identificatie van de verkrijger vereist dat de belastingplichtige de administratie de identiteit van de verkrijger duidelijk en voldoende gedetailleerd heeft meegedeeld, zodat de administratie de mogelijkheid heeft binnen de toepasselijke aanslagtermijn een aanslag in hoofde van de verkrijger te vestigen
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Afzonderlijke aanslagen - Allerlei Vrije woorden: Aanslag geheime commissielonen - Voorwaarden voor niet-toepassing - Ondubbelzinnige identificatie verkrijger - Begrip Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 219 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de beslissing Nr. F.19.0157.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de algemene administratie van de bijzondere belastinginspectie Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, bus 80, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen TONY RUS ACTIVITIES nv, met zetel te 3660 Oudsbergen, Weg naar Meeuwen 46, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0465.163.005, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 25 juni
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 8 april 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 219, eerste lid, WIB92 wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd op kosten als bedoeld in artikel 57 en op voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave alsmede op de verdoken meerwinsten die niet onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap worden teruggevonden en op de in artikel 53, 24°, bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard. Krachtens artikel 219, zesde lid, WIB92 wordt deze aanslag niet toegepast indien de belastingplichtige aantoont dat het bedrag van de kosten, vermeld in artikel 57, of van de voordelen van alle aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, begrepen is in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte. Krachtens artikel 219, zevende lid, WIB92 wordt deze aanslag, wanneer het bedrag van de kosten bedoeld in artikel 57 of van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, niet is opgenomen in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte, in hoofde van de belastingplichtige niet toegepast indien de verkrijger op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar. Uit de onderlinge samenhang van die bepalingen en de parlementaire voorbereiding volgt dat een verkrijger op ondubbelzinnige wijze wordt geïdentificeerd wanneer de belastingplichtige de administratie de identiteit van de verkrijger duidelijk en voldoende gedetailleerd heeft meegedeeld, zodat de administratie de mogelijkheid heeft binnen de toepasselijke aanslagtermijn een aanslag in hoofde van de verkrijger te vestigen.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de administratie in casu geheel ten onrechte stelt dat zij niet zou hebben kunnen overgaan tot de belasting van de verkrijgers van de bonussen omdat de creditnota's hen niet op ondubbelzinnige wijze zouden identificeren; - de voorgelegde creditnota's ruimschoots volstaan om de genieters van de bonussen op ondubbelzinnige wijze te identificeren, aangezien zij de naam, het adres en het BTW-nummer van de genieter vermelden en er niet blijkt dat deze identificatie op enigerlei wijze onjuist zou zijn; - aan de hand van de creditnota's, die in het najaar van 2013 aan de administratie werden bezorgd, de administratie bovendien gericht de genieters van de bonussen op 6 november 2013 vragen om inlichtingen heeft kunnen verzenden omtrent de ontvangst van deze bonussen, de wijze van betaling, de opname in de boekhouding en de overeenkomst in uitvoering waarvan de bonussen werden betaald en dat op deze vragen om inlichtingen door de meeste genieters blijkt te zijn geantwoord en de ontvangst van de bonussen meermaals werd bevestigd; - het feit dat de genieters niet allen antwoordden en principieel de belasting van de bonussen in hunnen hoofde zouden kunnen betwisten, geen afbreuk doet aan de ondubbelzinnige identificatie in de zin van artikel 219, zevende lid, WIB92; - artikel 219, zevende lid, WIB92 overigens een ondubbelzinnige identificatie zonder meer vereist, zodat het niet toepassen van de bijzondere aanslag niet afhankelijk is van de voorlegging van betalingsbewijzen; - evenmin is vereist dat de administratie in het bezit wordt gesteld van een schriftelijk akkoord van de verkrijger met vermelding van zijn identiteit, zijn nationaal nummer en het bedrag aan vergoedingen en voordelen dat hij heeft verkregen; - het feit dat de gegevens in de creditnota's niet door de administratie konden worden geverifieerd of door de genieters worden bevestigd, bovendien geheel in strijd is met de stukken van het dossier, waaruit blijkt dat de vragen om inlichtingen van 6 november 2013 aan de genieters duidelijk tot doel hadden de inhoud van de creditnota's en de ontvangst en aangifte van de bonussen te verifiëren, ontvangst die door de genieters meermaals werd bevestigd, zoals ook de administratie zelf erkent; - het feit dat de administratie niet alle genieters heeft bevraagd en slechts steekproefsgewijze handelde, daaraan geen afbreuk kan doen.
- De appelrechters die op deze gronden oordelen dat de bijzondere aanslag geheime commissielonen niet kan worden toegepast, verantwoorden hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Luidens artikel 219, zevende lid, WIB92 wordt de aanslag als bedoeld in het eerste lid, wanneer het bedrag van de kosten bedoeld in artikel 57 of van de voordelen van alle aard bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, niet is opgenomen in een door de verkrijger overeenkomstig artikel 305 ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte, in hoofde van de belastingplichtige niet toegepast indien de verkrijger op ondubbelzinnige wijze werd geïdentificeerd uiterlijk binnen 2 jaar en 6 maanden volgend op 1 januari van het betreffend aanslagjaar.
- Uit deze wetsbepaling volgt niet dat een ondubbelzinnige identificatie van de verkrijger ook vereist dat binnen de termijn van 2 jaar en 6 maanden zonder twijfel wordt vastgesteld dat het bedrag van de uitgaven dat door de vennootschap die de voordelen of vergoedingen heeft toegekend, als beroepskost is opgenomen, overeenstemt met het bedrag dat aan de verkrijger is betaald. Het onderdeel berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. Derde onderdeel
- Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat het onderdeel volgens hetwelk de appelrechters artikel 219, zevende lid, WIB92 schenden door te oordelen dat aan de hand van de door de verweerster voorgelegde creditnota's de ondubbelzinnige identificatie van de genieters mogelijk was en op die grond te beslissen dat aan artikel 219, zevende lid, WIB92 is voldaan, terwijl dat artikel geen mogelijkheid tot ondubbelzinnige identificatie maar een ondubbelzinnige identificatie zonder meer zou vereisen, op een onjuiste rechtsopvatting berust. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel het arrest bekritiseert waar het oordeelt dat de eiser aan de hand van de creditnota's vragen om inlichtingen aan de genieters van de bonussen heeft kunnen verzenden, komt het op tegen een overtollige reden en is het mitsdien bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Vierde onderdeel (...) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 695,34 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens, François Stévenart Meeûs en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 21 mei 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210521.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210521.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div