← België

Baloise Belgium NV contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210525.2N.1 Rolnummer: P.21.0270.N Zaak: Baloise Belgium NV contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2021-05-28 Raadplegingen: 1335 - laatst gezien 2026-06-18 18:54 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het in artikel 46, § 2, tweede lid, Arbeidsongevallenwet omschreven cumulatieverbod houdt in dat het slachtoffer van de voor het ongeval aansprakelijke derde slechts vergoeding van de lichamelijke schade kan eisen wanneer de volgens het gemeen recht berekende vergoeding meer bedraagt dan de schadeloosstelling die op grond van de Arbeidsongevallenwet aan het slachtoffer wordt toegekend en enkel voor het verschil

(1); het cumulatieverbod geldt slechts in zoverre de schade waarvoor vergoeding gevorderd wordt, gedekt is door deze wet; de berekening van de vergoeding waarop het slachtoffer na uitkering door de arbeidsongevallenverzekeraar, nog aanspraak kan maken op de aansprakelijke derde, dient berekend te worden voor elke schadepost afzonderlijk
(2).
(1)Cass. 25 september 2012, AR P.11.1950.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120925.2, AC 2012, nr. 484; Cass. 11 juni 2007, AR C.06.0255.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070611.1, AC 2007, nr. 315; Cass. 19 december 2006, AR P.06.0944.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061219.3, AC 2006, nr. 661; Cass. 24 oktober 2001, AR P.01.0704.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011024.12, AC 2001, nr. 568; Cass. 26 februari 1985, AR 8658, AC 1984-85, n° 383.
(2)C. PERSYN, “Problemen bij de samenloop van vergoedingsregelingen: het gemene recht, arbeidsongevallen en ziekteverzekering”, R.W. 1990-91, 280-281; A. VAN OEVELEN, G. JOCQUE, C. PERSYN en B. TEMMERMAN, “Overzicht van rechtspraak. Onrechtmatige daad en schadeloosstelling (1993-2006)”, TPR 2007, 1390; I. BOONEN, Verhaal van de derde-betalers op de aansprakelijke, Intersentia, 2009, 107-
  1. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - VERGOEDING - Cumulatie en verbod Vrije woorden: Schadevergoeding volgens gemeen recht - Schadevergoeding op grond van de Arbeidsongevallenwet - Mogelijkheid tot cumulatie - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 - 10-04-1971 - Art. 46, § 2, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1971041001 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Algemeen Vrije woorden: Vergoeding - Arbeidsongeval - Schadevergoeding volgens gemeen recht - Schadevergoeding op grond van de Arbeidsongevallenwet - Mogelijkheid tot cumulatie - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 - 10-04-1971 - Art. 46, § 2, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1971041001 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Annotaties Publicaties: TBBR-Tijdschrift voor Belgisch burgerlijk recht - 2022, nr. 9, p. 483-
  2. - CANETTA, Alexander; Noot'De samenloop van de predispositie en de schadebeperkingsplicht' Tekst van de beslissing Nr. P.21.0270.N I BALOISE BELGIUM nv, met zetel te 2600 Antwerpen (Berchem), Posthofbrug 16, vrijwillig tussengekomen partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen J. D., burgerlijke partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest, II J. D., reeds vermeld, burgerlijke partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BALOISE BELGIUM nv, reeds vermeld, vrijwillig tussengekomen partij, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 2 december
  3. De eiseres I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Eerste middel van de eiseres I
  4. Het middel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek en artikel 46 Arbeidsongevallenwet: de appelrechters maken ten onrechte een vergelijking schadepost per schadepost; zij hadden moeten nagaan wat de arbeidsongevallenverzekeraar voor de drie schadeposten uitgekeerd had en hiervan het totaal maken; zij hadden vervolgens dit totaal moeten vergelijken met de optelsom van de vergoeding in gemeen recht die de verweerder I voor de drie schadeposten had kunnen krijgen indien er geen tussenkomst van de arbeidsongevallenverzekeraar was geweest.
  5. Krachtens artikel 46, § 2, tweede lid, Arbeidsongevallenwet mag de volgens het gemeen recht toegekende vergoeding, die geen betrekking kan hebben op de vergoeding van de lichamelijke schade zoals zij gedekt is door deze wet, samengevoegd worden met de krachtens deze wet toegekende vergoedingen. Het in deze bepaling omschreven cumulatieverbod houdt in dat het slachtoffer van de voor het ongeval aansprakelijke derde slechts vergoeding van de lichamelijke schade kan eisen wanneer de volgens het gemeen recht berekende vergoeding meer bedraagt dan de schadeloosstelling die op grond van de Arbeidsongevallenwet aan het slachtoffer wordt toegekend en enkel voor het verschil. Het cumulatieverbod geldt slechts in zoverre de schade waarvoor vergoeding gevorderd wordt, gedekt is door deze wet. De berekening van de vergoeding waarop het slachtoffer na uitkering door de arbeidsongevallenverzekeraar, nog aanspraak kan maken op de aansprakelijke derde, dient berekend te worden voor elke schadepost afzonderlijk. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Tweede middel van de eiseres I Eerste onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters beantwoorden niet het verweer van de eiseres I dat de verweerder I niet bewijst dat hij gehuwd is onder het wettelijk stelsel en geen huwelijkscontract heeft gesloten dat in een van artikel 1416 oud Burgerlijk Wetboek afwijkende regeling voorziet.
  7. De eiseres I heeft in appelconclusie het in het onderdeel bedoelde verweer gevoerd. De appelrechters beantwoorden dit verweer niet. Het onderdeel is gegrond. Eerste middel van de eiser II Ontvankelijkheid
  8. De verweerster II werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op: het middel komt niet op tegen de reden dat een eventueel verlies aan pensioenrechten wordt opgevangen door de uitbetaling van een levenslange rente door de arbeidsongevallenverzekeraar.
  9. Het middel komt op tegen de afwijzing door de appelrechters van de vordering van de eiser II tot toekenning van een voorbehoud voor het verlies aan pensioenrechten, onder meer omdat de eiser II geen rekening houdt met de betaling van de levenslange rente door de arbeidsongevallenverzekeraar. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
  10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: de appelrechters beantwoorden niet het verweer van de eiser II met betrekking tot het door hem gevorderde voorbehoud voor het verlies van pensioenrechten; door geen voorbehoud te verlenen voor het verlies aan pensioenrechten verantwoorden zij evenmin hun beslissing naar recht.
  11. De eiser II heeft in appelconclusie aangevoerd dat hij 60 procent arbeidsongeschikt is waardoor hij slechts 40 procent kan werken en bijgevolg minder pensioenrechten kan opbouwen dan indien hij 100 procent zou kunnen werken, en dat de levenslange rente die hij ontvangt van de arbeidsongevallenverzekeraar, vanaf zijn pensioenleeftijd wordt herberekend naar een ander forfaitair bedrag, waarbij geen rekening wordt gehouden met loon, gewerkte jaren of carrière.
  12. Met de reden dat de eiser II niet aannemelijk maakt dat zijn gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid repercussies zal hebben op zijn pensioenrechten en een eventueel verlies wordt opgevangen door uitbetaling van de levenslange rente door de arbeidsongevallenverzekeraar, beantwoorden de appelrechters de specifieke aanvoering van de eiser II niet. Het middel is gegrond. Tweede middel van de eiser II Derde onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek en miskenning van het beschikkingsbeginsel: aangezien de partijen het erover eens waren dat hulp van derden in de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid noodzakelijk was, werpen de appelrechters een betwisting op die de partijen hadden uitgesloten.
  14. De verweerster II heeft in haar appelconclusie aangevoerd dat voor de schade van de eiser II wegens hulp van derden in de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid volgens haar berekening maximaal een bedrag van 7.719,37 euro kan worden toegekend.
  15. De appelrechters die oordelen dat geen vergoeding van de schade wegens hulp van derden in de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid kan worden toegekend, miskennen het beschikkingsbeginsel. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre dit het hoger beroep van de eiseres I ontvankelijk verklaart en de saisine van het appelgerecht bepaalt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiseres I tot een tiende van de kosten van haar cassatieberoep. Houdt de beslissingen over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Antwerpen, rechtszitting houdend in hoge beroep. Bepaalt de kosten in het geheel op 367,00 euro, waarvan de eiseres I en de eiser II elk 148,50 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Peter Hoet, Antoine Lievens en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 25 mei 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210525.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011024.12 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061219.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070611.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120925.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.