← België

T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210525.2N.12 Rolnummer: P.21.0588.N Zaak: T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-05-28 Raadplegingen: 510 - laatst gezien 2026-06-16 04:59 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De niet–naleving van de in artikel 29, § 2, Interneringswet bepaalde termijn heeft niet tot gevolg dat de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij onwettig is

(1).
(1)Het openbaar ministerie was van mening dat het cassatieberoep van eiseres niet-ontvankelijk was, op grond van artikel 78 Interneringswet, omdat het bestreden vonnis had beslist tot plaatsing van eiseres in een afdeling tot bescherming van de maatschappij (ABM) en tot therapeutische uitgaansvergunningen, en eiseres in elk middel tot cassatie vermeldde op te komen tegen (alleen) de beslissing tot plaatsing met toekenning van uitgaansvergunningen. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Vaststelling van de zaak op de eerste zitting van de kamer voor bescherming van de maatschappij - Termijn van drie maanden na uitvoerbaarheid van de internering - Overschrijding van de termijn - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 29, § 2 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Vrije woorden: Vaststelling van de zaak op de eerste zitting - Termijn van vaststelling van drie maanden - Overschrijding van de termijn - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 29, § 2 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Fiche 3 Artikel 30, vijfde lid, Interneringswet bepaalt dat de kamer voor de bescherming van de maatschappij andere personen kan horen dan die welke worden vermeld in het eerste tot en met het vierde lid; uit die bepaling noch uit enige andere wetsbepaling volgt dat de kamer slechts een andere persoon kan horen indien zij daartoe voorafgaandelijk en uitdrukkelijk heeft beslist. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Vrije woorden: Horen van andere personen niet vermeld in artikel 30 Interneringswet - Ontbreken van een voorafgaande beslissing om een persoon te horen - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 30, vijfde lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0588.N E. A. M. T., geïnterneerde, eiseres, met als raadsman mr. Sander Van Hulle, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Brussel, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 20 april 2021. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Uit artikel 78 Interneringswet volgt dat tegen de beslissing betreffende de uitgaansvergunningen en de plaatsing zelf geen cassatieberoep openstaat. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Eerste middel 2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 29, § 2, Interneringswet: de zaak werd een eerste keer voor behandeling vastgesteld op 14 januari 2021, dit is buiten de in artikel 29, § 2, Interneringswet bepaalde termijn; het vonnis geeft daartoe geen wettige reden op. 3. De niet-naleving van de in artikel 29, § 2, Interneringswet bepaalde termijn heeft niet tot gevolg dat de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij onwettig is. Het middel dat niet tot cassatie kan leiden, is niet ontvankelijk. Tweede middel 4. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 30, eerste en vijfde lid, en 31 Interneringswet: de kamer voor de bescherming van de maatschappij heeft een verantwoordelijke van het Leger des Heils gehoord; dit is geen inrichting als bedoeld door artikel 3, 4°,
  1. c)en d), Interneringswet; bijgevolg kon de kamer deze persoon enkel horen als persoon bedoeld door artikel 30, vijfde lid, Interneringswet onder de categorie van "de andere personen"; er ligt evenwel daartoe geen voorafgaande beslissing voor. 5. Artikel 30, vijfde lid, Interneringswet bepaalt dat de kamer voor de bescherming van de maatschappij andere personen kan horen dan die welke worden vermeld in het eerste tot en met het vierde lid. Uit die bepaling noch uit enige andere wetsbepaling volgt dat de kamer slechts een andere persoon kan horen indien zij daartoe voorafgaandelijk en uitdrukkelijk heeft beslist. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel Eerste onderdeel 6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: de kamer oordeelt ten onrechte dat op het verzoek van de raadsman van de eiseres om uitstel van behandeling niet kan worden ingegaan; uit het attest samenstelling gezin volgt dat de eiseres al sedert 13 november 2020 was gedomicilieerd op een referentieadres en zij had kunnen worden opgeroepen; de laattijdige eerste vaststelling is niet aan de eiseres te wijten. 7. Artikel 6.1 EVRM is niet van toepassing op de kamer voor de bescherming van de maatschappij die uitspraak doet over de wijze waarop een interneringsbeslissing moet worden uitgevoerd. 8. Artikel 149 Grondwet is vreemd aan de aangevoerde grief. 9. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 10. Voor het overige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het vonnis en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: het vonnis is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat er een begeleiding is door Format en het stelt vast dat de eiseres een gekend referentieadres heeft; het oordeelt anderzijds dat er geen reclasseringsplan voorligt; het oordeelt bovendien dat de eiseres moeilijk kan worden bereikt, maar stelt vast dat zij aanwezig was op de rechtszitting. 12. Artikel 6.1. EVRM is niet van toepassing op de kamer voor de bescherming van de maatschappij die uitspraak doet over de wijze waarop een interneringsbeslissing moet worden uitgevoerd. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 13. Voor het overige ontwaart het Hof de aangevoerde tegenstrijdigheden niet. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Peter Hoet, Antoine Lievens en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 25 mei 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210525.2N.12 Gerelateerde publicatie(
  2. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.29 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.