← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:A

Art. 195

, tweede en zevende lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 29, § 3, derde en vierde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 29 Vrije woorden: Overschrijden van de toegelaten snelheid met meer dan 40 km/uur - Verval van het recht tot sturen van meer dan 8 dagen - Redenen Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 195

, tweede en zevende lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 29, § 3, derde en vierde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Ontzetting Vrije woorden: Verval van het recht tot sturen - Overschrijden van de toegelaten snelheid met meer dan 40 km/uur - Verval van het recht tot sturen van meer dan 8 dagen - Redenen Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 195

, tweede en zevende lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 29, § 3 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0180.N A. M. H.-P. A. D., beklaagde, eiser, met als raadslieden Barbara Huylebroek en Aurélie Verheylesonne, advocaten bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 13 januari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis beantwoordt niet eisers in appelconclusie gevoerde verweer over het rijverbod, namelijk de vraag om het door het beroepen vonnis opgelegde rijverbod te verminderen tot het minimumrijverbod van acht dagen, gelet op de concrete en specifieke omstandigheden.
  3. Het bestreden vonnis oordeelt dat gelet op de ernst van de snelheidsovertreding (132 km/u gecorrigeerd waar maximaal 90 km/u was toegelaten), de antecedenten van de eiser en de belangen van een veilig wegverkeer het opgelegde verval gepast is. Het oordeelt ook dat bij het bepalen van de duur van dit verval rekening wordt gehouden met de concrete omstandigheden van de zaak en het strafverleden van de eiser, alsook dat het opleggen van een rijverbod ongetwijfeld sociale en professionele repercussies heeft, maar dat deze niet onoverkomelijk zijn. Met die redenen beantwoordt het bestreden vonnis het bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: de omstandigheden waarnaar het bestreden vonnis verwijst, kunnen niet worden beschouwd als een afdoende motivering; het preciseert niet wat wordt bedoeld met concrete omstandigheden en verwijst slechts naar abstracte en algemene overwegingen, zoals de ernst van de inbreuk, de persoonlijkheid van de dader en de belangen van het veilig verkeer.
  5. Uit artikel 195, tweede en zevende lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat de verplichting om de door de rechter opgelegde straffen en hun maat, indien de wet die aan de vrije beoordeling van de rechter overlaat, nauwkeurig te motiveren voor de correctionele rechtbank die in hoger beroep uitspraak doet, enkel geldt voor het verval van het recht tot het besturen van een voertuig, een luchtschip of het geleiden van een rijdier.
  6. Artikel 29, § 3, derde en vierde lid, Wegverkeerswet bepaalt dat de rechter ingeval van een overschrijding van de toegelaten maximumsnelheid met meer dan 40 km/u in beginsel verplicht is een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig op te leggen voor een duur van ten minste acht dagen en hij het niet-opleggen van die bijkomende straf moet motiveren.
  7. Uit de samenlezing van de voormelde bepalingen volgt dat de correctionele rechtbank die oordeelt in hoger beroep over een snelheidsovertreding waarbij de toegelaten maximumsnelheid is overschreden met meer dan 40 km/u de beslissing tot het opleggen van een rijverbod enkel nauwkeurig moet motiveren overeenkomstig artikel 195, tweede en zevende lid, Wetboek van Strafvordering indien een rijverbod van meer dan acht dagen wordt uitgesproken.
  8. Met het geheel van de in het antwoord op het eerste onderdeel vermelde redenen motiveert het bestreden vonnis in overeenstemming met de vermelde wetsbepalingen op nauwkeurige wijze de keuze voor de duur van het verval. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Peter Hoet, Antoine Lievens en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 25 mei 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210525.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180626.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.