id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210525.2N.6 Rolnummer: P.21.0128.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-05-28 Raadplegingen: 790 - laatst gezien 2026-06-19 01:23 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit de tekst en de wetsgeschiedenis van art. 67bis Wegverkeerswet volgt dat het voor de weerlegging van het erin vervatte vermoeden niet volstaat dat de houder van de kentekenplaat van een motorvoertuig waarmee een verkeersinbreuk is gepleegd, bewijst dat niet hij de bestuurder was op het ogenblik van de feiten; de houder moet bovendien de identiteit kenbaar maken van de onmiskenbare bestuurder, behalve wanneer hij diefstal, fraude of overmacht kan bewijzen; de rechter oordeelt onaantastbaar of de houder van de kentekenplaat van het voertuig waarmee de verkeersinbreuk werd gepleegd, heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting de identiteit kenbaar te maken van de onmiskenbare bestuurder, behoudens bewezen diefstal, fraude of overmacht
(1)Cass. 23 maart 2021, AR P.21.0058.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.10; Cass. 30 juni 2020, AR P.20.0022.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2N.20, AC 2020, nr. 458; Cass. 23 juni 2020, AR P.20.0147.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.4, AC 2020, nr. 437; Cass. 16 juni 2020, AR P.20.0076.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200616.2N.4, AC 2020, nr. 401, N.C. 2020, 548; Cass. 22 november 2016, AR P.14.1909.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161122.1, AC 2016, nr. 662; Cass. 22 oktober 2013, AR P.13.0040.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131022.3, AC 2013, nr.
- Zie ook C. DE ROY, “De wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid: opnieuw een strengere aanpak van verkeersovertreders”, RW 2018-19, 128-130; S. STALLAERT, “Artikel 67bis Wegverkeerswet: naar een kentekenaansprakelijkheid in het wegverkeer”, T. Strafr. 2018, 130-132; A. BLOCH, “Hoe weerlegbaar is het weerlegbaar vermoeden van artikel 67bis Wegverkeerswet. Komt het recht op een eerlijk proces in het gedrang?”, T. Strafr. 2020, 91-97; Ph. TRAEST, Topics verkeers(straf)recht, Intersentia, 2020, 3-14; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1325-
- Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 67 - Artikel 67bis Vrije woorden: Geen identificatie van de bestuurder bij vaststelling van de verkeersinbreuk - Houder van de kentekenplaat van het motorvoertuig waarmee de verkeersinbreuk is begaan - Vermoeden van het plegen van de verkeersinbreuk - Tegenbewijs - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 67bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Wegverkeer - Geen identificatie van de bestuurder bij vaststelling van de verkeersinbreuk - Houder van de kentekenplaat van het motorvoertuig waarmee de verkeersinbreuk is begaan - Vermoeden van het plegen van de verkeersinbreuk - Tegenbewijs - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 67bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0128.N A. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Raan Colman, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTPSLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 5 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 67bis, tweede lid, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de eiser niet aantoont dat hij niet de bestuurder was van de wagen waarmee de vastgestelde verkeersovertreding is gepleegd; het bestreden vonnis oordeelt ook ten onrechte dat de houder van de kentekenplaat die meent niet de bestuurder te zijn geweest op het ogenblik van de feiten, verplicht is de identiteit van de onmiskenbare bestuurder kenbaar te maken.
- Artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet zijn vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Artikel 67bis, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet, zoals hier toepasselijk, bepaalt: "Wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een natuurlijke persoon, en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, wordt vermoed dat deze is begaan door de houder van de kentekenplaat van het voertuig. De houder van de kentekenplaat kan dit vermoeden weerleggen door met elk middel te bewijzen dat hij niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten. In dat geval is hij ertoe gehouden om de identiteit van de onmiskenbare bestuurder kenbaar te maken, behalve wanneer hij diefstal, fraude of overmacht kan bewijzen."
- Uit de tekst en de wetsgeschiedenis van deze bepaling volgt dat het voor de weerlegging van het erin vervatte vermoeden niet volstaat dat de houder van de kentekenplaat van een motorvoertuig waarmee een verkeersinbreuk is gepleegd, bewijst dat niet hij de bestuurder was op het ogenblik van de feiten. De houder moet bovendien de identiteit kenbaar maken van de onmiskenbare bestuurder, behalve wanneer hij diefstal, fraude of overmacht kan bewijzen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de houder van de kentekenplaat van het voertuig waarmee de verkeersinbreuk werd gepleegd, heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting de identiteit kenbaar te maken van de onmiskenbare bestuurder, behoudens bewezen diefstal, fraude of overmacht.
- Het bestreden vonnis oordeelt dat de eiser naliet om aan de hand van het door hem overgelegde fotodossier concreet de identiteit van de onmiskenbare bestuurder kenbaar te maken. Op grond van die reden kan het wettig oordelen dat de eiser niet slaagt in de weerlegging van het in artikel 67bis Wegverkeerswet vervatte vermoeden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel ook is gericht tegen het oordeel dat de eiser op geen enkele wijze aannemelijk maakt dat niet hij maar een ander met het motorvoertuig reed, is het gericht tegen overtollige redenen en bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR, de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet, artikel 2, tweede lid, Strafwetboek en artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, zoals gewijzigd bij artikel 11, 6°, van de wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid: het bestreden vonnis neemt voor het bepalen van de strafmaat ten onrechte aan dat de eiser de feiten heeft gepleegd in een toestand als bedoeld door artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet; er zijn immers meer dan drie jaar verstreken tussen het vonnis van 25 juni 2015 en het bestreden vonnis.
- Artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, zoals gewijzigd bij artikel 11, 6°, van de wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid, dat in werking is getreden op 15 februari 2018 en is blijven bestaan tot de vervanging ervan vanaf 12 oktober 2018 door artikel 2 van de wet van 2 september 2018 tot wijziging van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer wat de verbeurdverklaring en immobilisering van voertuigen betreft (hierna artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, in zijn tweede versie) bepaalt dat de rechter een rijverbod van ten minste drie maanden moet uitspreken en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk moet maken van het slagen in een theoretisch en praktisch examen en een medisch en psychologisch onderzoek wanneer de schuldige, in de periode van drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één of meer van de in artikel 38, § 6, eerste lid, bepaalde overtredingen, opnieuw wordt veroordeeld voor één van die overtredingen.
- Bij arrest nr. 63/2020 van 7 mei 2020 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat gelet op de in het middel als geschonden vermelde bepalingen artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, in zijn tweede versie, moet worden uitgelegd in die zin dat een persoon die, in de periode waarin die versie van toepassing was, één van de in die bepalingen opgesomde artikelen overtreedt nadat hij reeds eerder voor het overtreden van één van die artikelen was veroordeeld, slechts aan de in die bepaling bedoelde strafverzwaring kan worden onderworpen wanneer hij voor de nieuwe overtreding wordt veroordeeld binnen de periode van drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van het vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan.
- De eiser werd vervolgd om op 27 februari 2018 een door artikel 48, eerste lid, 1°, Wegverkeerswet bedoelde overtreding te hebben begaan, dit is op een tijdstip waarop artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, in zijn tweede versie, van toepassing was. Het bestreden vonnis dat de eiser schuldig verklaart aan deze feiten, neemt bovendien op basis van het in kracht van gewijsde getreden vonnis van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 25 juni 2015 aan dat de eiser de feiten heeft gepleegd in een toestand als bedoeld door artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet. Aangezien er meer dan drie jaar zijn verstreken tussen dit vonnis en de datum van het bestreden vonnis, is die beslissing niet naar recht verantwoord. Het middel is gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het aan de eiser een verval van het recht tot sturen voor alle motorvoertuigen oplegt en het herstel wordt afhankelijk gemaakt van het slagen in de vier examens en onderzoeken. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot drie vierden van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 144,27 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Peter Hoet, Antoine Lievens en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 25 mei 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210525.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131022.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161122.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200616.2N.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200630.2N.20 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div