← België

A. contra K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210525.2N.7 Rolnummer: P.21.0326.N Zaak: A. contra K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-05-28 Raadplegingen: 932 - laatst gezien 2026-06-18 23:43 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Een misdrijf wordt gepleegd met voorbedachten rade wanneer de dader, in een voldoende stabiele gemoedsgesteltenis en op een overwogen en geplande wijze, besluit tot het plegen van een misdrijf en er een voldoende tijdsverloop is tussen het besluit en de uitvoering ervan opdat de dader op zijn besluit zou kunnen terugkomen

(1); de gegevens die aantonen dat de dader op een overwogen en geplande wijze het besluit heeft genomen tot het plegen van het misdrijf, kunnen ook aantonen dat de dader dit besluit in een voldoende stabiele gemoedsgesteltenis heeft genomen.
(1)Cass. 10 juni 2009, AR P.09.0425.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090610.9, AC 2009, nr. 391, met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH op datum in Pas.. Zie ook A. DE NAUW en F. DERUYCK, "Inleiding tot het bijzonder strafrecht", Die Keure, 2020, 266-267; J. DE HERDT, "Fysiek interpersoonlijk geweld", Intersentia, 2014, 464-465; P. ARNOU, “Voorbedachten rade”, Comm. Sr. 1990, 36-
  1. Thesaurus CAS: SLAGEN EN VERWONDINGEN. DODEN - OPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN VERWONDINGEN EN OPZETTELIJK DODEN Vrije woorden: Poging tot moord - Voorbedachten rade - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 51, 52, 392, 393 en 394 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Moreel element - Opzet - Poging tot moord - Voorbedachten rade - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 51, 52, 392, 393 en 394 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Annotaties Publicaties: NC-Nullum Crimen: Tijdschrift voor straf-en strafprocesrecht - 2023, nr. 1, p. 35-
  2. - ARNOU, Luc; Noot'(Eindelijk) een definitie van voorbedachtheid' Tekst van de beslissing Nr. P.21.0326.N A. M. S., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Raf Jespers, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen Marjo KEMPENAERS, met kantoor te 2140 Antwerpen (Borgerhout), Joe Englishstraat 63 bus 34, voogd ad hoc van de minderjarigen K.Q.D., H.M.M., N.M.K., Q.M.K., S.M.K. en M.Q.A., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 11 februari
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 394 Strafwetboek: met de redenen die het bevat, oord-eelt het arrest niet wettig dat de eiser schuldig is aan poging tot moord, dit is een poging tot het opzettelijk en met voorbedachten rade doden; de appelrechters konden niet oordelen dat de eiser de intentie had zijn dochter te doden en stellen ook de constitutieve bestanddelen van de voorbedachtheid niet vast; hierdoor miskent het arrest ook de motiveringsverplichting.
  5. Het middel verduidelijkt niet waardoor het arrest de artikelen 3 en 6.1 EVRM zou hebben geschonden. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  6. Een misdrijf wordt gepleegd met voorbedachten rade wanneer de dader, in een voldoende stabiele gemoedsgesteltenis en op een overwogen en geplande wijze, besluit tot het plegen van een misdrijf en er een voldoende tijdsverloop is tussen het besluit en de uitvoering ervan opdat de dader op zijn besluit zou kun-nen terugkomen. De gegevens die aantonen dat de dader op een overwogen en geplande wijze het besluit heeft genomen tot het plegen van het misdrijf, kunnen ook aantonen dat de dader dit besluit in een voldoende stabiele gemoedsgestelte-nis heeft genomen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of een beklaagde die wordt ver-volgd wegens een poging tot moord, heeft gehandeld met voorbedachten rade in de voormelde zin. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen ge-volgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kun-nen worden verantwoord.
  8. Door eigen redenen (arrest, p. 10-11) en door de overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 9) verantwoordt het arrest als volgt het oordeel dat de eiser opzettelijk en met voorbedachten rade heeft gepoogd zijn dochter te do-den: - op grond van de verklaringen van zijn dochter, de moeder en de oudste zoon staat vast dat de eiser de intentie tot het doden van zijn dochter kenbaar heeft gemaakt vanaf het moment dat hij haar opmerkte aan de tramhalte en dit thuis nog meerdere malen herhaald heeft; - de eiser heeft zijn gezinsleden uit de kamer gezet en vervolgens getracht zijn dochter te wurgen met een USB-kabel; - daarna heeft de eiser met een sjaal opnieuw een lus rond de nek van zijn doch-ter geknoopt, die zij snel heeft losgemaakt, waarna ze naar haar moeder wou gaan, waarop de eiser haar heeft tegengehouden, op haar buik en haar been ging zitten en haar mond dichthield zodat ze niet meer kon roepen; - de moeder van het slachtoffer kwam tussen en trachtte de eiser te kalmeren, waarop hij even is gestopt, waarna hij opnieuw trachtte zijn dochter te doden door een lus rond haar nek te doen en aan te trekken; - hierop heeft de moeder haar oudste zoon ongemerkt verplicht de politie, die in de straat was, om hulp te vragen; - op het ogenblik dat de politie binnenkwam zat de eiser hevig zwetend met zijn knieën op de buik van het slachtoffer met zijn handen links en rechts op de grond terwijl hij over het slachtoffer hing, zodat ze niet kon ontsnappen, waarbij naast het hoofd van het kind een GSM-kabel lag; - gelet op deze opeenvolgende reeks van handelingen staat het vast dat de eiser de volgehouden en voortdurende intentie had om zijn dochter te doden en dat het enkel ingevolge het verweer van het slachtoffer en door toedoen van haar moeder en de oudste broer en de tijdige tussenkomst van de politiediensten bij een poging is gebleven; - de voorbedachtheid is bewezen, gelet op het tijdsverloop tussen het weerzien aan de tramhalte, de route naar huis en de acties thuis zoals onder meer het wegsturen van de overige familieleden, dit in combinatie met de gedane uit-spraken en de eigen verklaring van de eiser dat hij “uiterlijk kwaad was maar ‘binnen’ alles onder controle had”; - de inhoud van het deskundigenverslag van dr. De Vos staat de vaststelling van de voorbedachtheid niet in de weg. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser opzettelijk en met voorbedachten rade heeft gepoogd zijn dochter te doden en is die beslis-sing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  9. In zoverre het middel aanvoert dat uit het psychiatrisch rapport van dr. De Vos niet kan worden afgeleid dat er sprake was van voorbedachtheid maar hier-uit integendeel blijkt dat de eiser blijk gaf van een gebrek aan planning en een onstabiele gemoedstoestand, komt het op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waar-voor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: de veroordeling van de eiser tot een gevangenisstraf van vijftien jaar miskent het proportionaliteitsvereiste en houdt geen rekening met de objec-tieve gegevens van de zaak; bij de strafmotivering mag de rechter zich slechts baseren op feitelijk juiste motieven; de appelrechters nemen bij de beoordeling van de strafmaat ten onrechte aan dat de eiser een geradicaliseerde moslim is en zijn fundamentalistische levenswijze tracht op te leggen aan zijn gezinsleden, zodat het arrest ook niet regelmatig met redenen is omkleed.
  11. Krachtens artikel 3 EVRM mag niemand worden onderworpen aan folte-ringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
  12. Binnen de perken van de wet en de verdragsbepalingen die in België recht-streekse werking hebben, bepaalt de rechter in feite en bijgevolg onaantastbaar de sanctie die hij in verhouding acht met de ernst van het bewezen verklaarde misdrijf en de persoonlijkheid van de dader. De rechter kan bij de bepaling van de straf alle feitelijke gegevens betrekken die een licht werpen op de omstandig-heden waarin de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd, de gevolgen ervan en de persoonlijkheid van de beklaagde. Het Hof gaat na of uit de vaststellingen en de overwegingen van de bestreden beslissing niet blijkt dat er werd geoordeeld met schending van artikel 3 EVRM.
  13. Met de vaststellingen en de redenen die het arrest bevat (p. 11-13, nr. 4.2.2.3), verantwoorden de appelrechters naar recht, zonder schending van de in het middel aangehaalde bepalingen, de aan de eiser opgelegde straf. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  14. In zoverre het middel aanvoert dat de redenen van het arrest volgens welke de eiser een geradicaliseerde moslim is en hij zijn fundamentalistische levens-wijze tracht op te leggen aan zijn gezinsleden, onjuist zijn en geen steun vinden in het strafdossier, komt het op tegen het onaantastbare oordeel van de appel-rechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 104,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Peter Hoet, Antoine Lievens en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 25 mei 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210525.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090610.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.