id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210525.2N.8 Rolnummer: P.21.0345.N Zaak: N. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-05-28 Raadplegingen: 721 - laatst gezien 2026-06-19 04:56 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de samenhang tussen de artikelen 38, §1, eerste lid, en 48, eerste lid, 1° Wegverkeerswet volgt dat het door artikel 48, eerste lid, 1°, Wegverkeerswet strafrechtelijk gesanctioneerde verbod om tijdens de periode van vervallenverklaring van het recht een motorvoertuig te besturen, geldt voor alle motorvoertuigen en dit ongeacht of voor het besturen ervan een rijbewijs is vereist. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 48 Vrije woorden: Artikel 48, 1° - Besturen van een voertuig spijts verval van het rijbewijs - Besturen van een motorvoertuig waarvoor geen rijbewijs is vereist - Invloed Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Artt. 38, § 1, eerste lid, en 48, eerste lid, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0345.N W. L. M. N., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Hilde Decleer, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 5 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis beantwoordt niet eisers verweer betreffende de gevolgen van het overschrijden van de redelijke termijn, namelijk dat hij alle proeven in één kéér zou hebben kunnen uitvoeren, terwijl hij die nu opnieuw moet afleggen amper een viertal maanden na de ontheffing van het verval van het recht tot sturen; de eiser heeft aldus aangetoond dat dit een weerslag heeft op zijn persoonlijke toestand.
- Het bestreden vonnis oordeelt dat een periode van anderhalf jaar die is verstreken tussen de feiten en de dagvaarding niet kan worden aangenomen als een onredelijk lange termijn en verwerpt aldus eisers verweer over de overschrijding van die termijn. Het diende bijgevolg niet te antwoorden op het nutteloze verweer over de gevolgen van het niet aangenomen overschrijden van de redelijke termijn. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 38, § 7, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis betrekt het arrest van het Hof van 21 januari 2020 niet in zijn oordeel; het beantwoordt niet eisers verweer afgeleid uit dat arrest, namelijk dat de bestuurders van bromfietsen met een maximumsnelheid van ten hoogste 25 kilometer per uur, na een eerdere veroordeling waarbij zij een rijverbod opgelegd kregen en waarbij het herstel van het recht tot sturen afhankelijk werd gesteld van het slagen in herstelproeven, niet strafbaar zijn als de duurtijd van het verval werd ondergaan en zij geen proeven hebben afgelegd om hersteld te worden in het recht tot sturen, aangezien deze bromfietsbestuurders ontslagen zijn van de verplichting om houder te zijn van een rijbewijs voor een dergelijke bromfiets.
- Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - het arrest van 21 januari 2020 van het Hof waarnaar de eiser verwijst, is niet van toepassing op het voorliggende geval; - de eiser wordt immers vervolgd wegens het sturen tijdens een periode van verval en niet wegens het sturen zonder de opgelegde onderzoeken en examens te hebben ondergaan; - het voormelde arrest handelt over een geval waarin de betrokkene een motorrijtuig bestuurt zonder de onderzoeken afgelegd te hebben; - het verbod tot sturen dat geldig was op datum van de feiten, had betrekking op alle motorrijtuigen, waaronder tevens een bromfiets klasse A valt. Met die redenen beantwoordt het bestreden vonnis het bedoelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 48, eerste lid, 1°, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat het arrest van 21 januari 2020 van het Hof hier niet toepasselijk is; het verbod tot sturen dat betrekking had op alle motorvoertuigen, is immers naar analogie met het in het vermelde arrest beoordeelde geval niet van toepassing op die motorvoertuigen waarvoor de bestuurder ontslagen is van de verplichting houder te zijn van een rijbewijs; de bromfiets was van klasse A, zodat geen rijbewijs was vereist.
- Artikel 48, eerste lid, 1°, Wegverkeerswet bestraft hij die een voertuig bestuurt spijts het tegen hem uitgesproken verval.
- Volgens artikel 38, § 1, eerste lid, Wegverkeerswet kan de rechter in de met die bepaling vermelde gevallen het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig uitspreken. Die bepaling maakt geen onderscheid tussen motorvoertuigen waarvoor een rijbewijs vereist is en motorvoertuigen waarvoor dat niet is vereist.
- Uit de samenhang tussen deze wetsbepalingen volgt dat het door artikel 48, eerste lid, 1°, Wegverkeerswet strafrechtelijk gesanctioneerde verbod om tijdens de periode van vervallenverklaring van het recht een motorvoertuig te besturen, geldt voor alle motorvoertuigen en dit ongeacht of voor het besturen ervan een rijbewijs is vereist. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen en miskend algemeen rechtsbeginsel - artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR en artikel 2, tweede lid, Strafwetboek; - het legaliteitsbeginsel zoals het vervat is in artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR en de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet; - artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, zoals gewijzigd bij artikel 11, 6°, van de wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid.
- Artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, zoals gewijzigd bij artikel 11, 6°, van de wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid, dat in werking is getreden op 15 februari 2018 en is blijven bestaan tot de vervanging ervan vanaf 12 oktober 2018 door artikel 2 van de wet van 2 september 2018 tot wijziging van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer wat de verbeurdverklaring en immobilisering van voertuigen betreft (hierna artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, in zijn tweede versie) bepaalt dat de rechter een rijverbod van ten minste drie maanden moet uitspreken en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk moet maken van het slagen in een theoretisch en praktisch examen en een medisch en psychologisch onderzoek wanneer de schuldige, in de periode van drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één of meer van de in artikel 38, § 6, eerste lid, bepaalde overtredingen, opnieuw wordt veroordeeld voor één van die overtredingen.
- Bij arrest nr. 63/2020 van 7 mei 2020 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat gelet op de als geschonden vermelde bepalingen artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, in zijn tweede versie, moet worden uitgelegd in die zin dat een persoon die, in de periode waarin die versie van toepassing was, één van de in die bepalingen opgesomde artikelen overtreedt nadat hij reeds eerder voor het overtreden van één van die artikelen was veroordeeld, slechts aan de in die bepaling bedoelde strafverzwaring kan worden onderworpen wanneer hij voor de nieuwe overtreding wordt veroordeeld binnen de periode van drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van het vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan.
- De eiser wordt vervolgd onder meer om op 20 mei 2018 een door artikel 34, § 2, 1° (telastlegging C) en een door artikel 48, eerste lid, 1°, Wegverkeerswet (telastlegging D) bedoelde overtreding te hebben begaan, dit is op een tijdstip waarop artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet, in zijn tweede versie, van toepassing was. Het bestreden vonnis dat de eiser schuldig verklaart aan deze feiten, neemt bovendien op basis van het in kracht van gewijsde getreden vonnis van de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 22 december 2017 aan dat de eiser deze feiten heeft gepleegd in een toestand als bedoeld door artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet. Aangezien er meer dan drie jaar zijn verstreken tussen dit vonnis van 22 december 2017 en 5 februari 2021, zijnde de datum van het bestreden vonnis, is die beslissing niet naar recht verantwoord. Omvang van de cassatie
- De vernietiging van de beslissing om de eiser voor wat betreft de feiten der telastlegging A, B en C en voor de feiten van de telastlegging D telkens een verval van het recht tot het besturen van alle motorvoertuigen op te leggen leidt tot de vernietiging van de beslissing waarbij het herstel van die vervallenverklaringen telkens wordt afhankelijk gemaakt van het slagen in de vier onderzoeken en examens en van de maatregel waarbij voor die vervallenverklaringen gedeeltelijk uitstel van tenuitvoerlegging wordt verleend gedurende een termijn van twee jaar, gelet op het verband tussen die beslissingen. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiser voor de feiten van de telastleggingen A, B en C en voor de feiten van de telastlegging D telkens een verval oplegt van het recht tot sturen voor alle motorvoertuigen gedurende een termijn van zes maanden, waarbij telkens uitstel van tenuitvoerlegging wordt verleend voor een termijn van twee jaar voor een gedeelte van drie maanden en waarbij telkens het herstel wordt afhankelijk gemaakt van het slagen in de vier examens en onderzoeken. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot vier vijfden van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 159,78 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Peter Hoet, Antoine Lievens en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 25 mei 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210525.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div