id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:
Art. 2
- 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 Aangezien voor een onderzoeksrechter niet wordt gepleit, ook niet indien hij verslag uitbrengt voor de raadkamer in het kader van de beoordeling van de voorlopige hechtenis of de regeling van de rechtspleging, en de zaken voor de onderzoeksrechter ook niet bij verzoekschrift worden ingeleid, zijn de door artikel 833 Gerechtelijk Wetboek bedoelde tijdsvoorwaarden niet van toepassing bij de wraking van een onderzoeksrechter en de omstandigheid dat er voor de raadkamer wordt gepleit, laat niet toe anders te oordelen. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Artikel 833 Gerechtelijk Wetboek - Procedure - Tijdsvoorwaarden - Wraking van een onderzoeksrechter - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 833
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiches 3 - 4 Uit de geest van artikel 833 Gerechtelijk Wetboek, de wel omschreven termijnen voor de wrakingsprocedure en de schorsing van alle vonnissen en handelingen die zij met zich meebrengt, volgt dat de wraking van een onderzoeksrechter moet worden voorgedragen van zodra de grond is gekend door de partij die zich erop beroept en die regel heeft een algemene draagwijdte en is ook van toepassing indien het wrakingsverzoek is gesteund op de overtuiging dat de onderzoeksrechter niet meer over de vereiste waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid beschikt; een wrakingsgrond is door een partij gekend wanneer die partij over die grond voldoende zekerheid heeft om zich ter zake een overtuiging te kunnen vormen en een verzoekschrift tot wraking te kunnen indienen, zonder dat die voldoende kennis gelijk is te stellen met de mogelijkheid het bewijs van de aangevoerde feiten te leveren; de rechter die uitspraak doet over het wrakingsverzoek oordeelt onaantastbaar of de partij die het wrakingsverzoek heeft ingediend, dit heeft gedaan van zodra die grond haar was gekend en het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Cass. 14 juni 2016, AR P.16.0586.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160614.4, AC 2016, nr. 402. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Wraking van een onderzoeksrechter - Ogenblik waarop de wraking moet worden voorgedragen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 833
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Wraking - Wraking van een onderzoeksrechter - Ogenblik waarop de wraking moet worden voorgedragen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 833
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiche 5 Wanneer een beklaagde of inverdenkinggestelde werd bijgestaan door een raadsman, mag de rechter ervan uitgaan dat de eerstgenoemde, ook al is hij de taal van de rechtspleging niet machtig, op de hoogte is van de mogelijkheid en de termijn om hoger beroep aan te tekenen tegen een voor hem nadelige beschikking; de rechter die vaststelt dat een beklaagde of inverdenkinggestelde werd bijgestaan door een raadsman, heeft zich in beginsel niet in te laten met de wijze waarop de verdediging wordt gevoerd
(1).
(1)J. HUYSMANS, Legitieme verdediging, Intersentia, 2017, pp. 24-26, nr.
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht op bijstand van een raadsman - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.21.0565.N S. C. H., verzoeker tot wraking, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Recollettenlei 41, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Gent, bur-gerlijke kamer, van 1 april 2021 (2021/2530). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 833 Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: met het oordeel dat het wrakingsverzoek laattijdig werd neergelegd en bijgevolg onontvankelijk is, is het arrest niet naar recht verantwoord; uit de omstandigheid dat het dossier op 11 februari 2021 en op 10 en 11 maart 2021 ter inzage van (de raadsman van) de eiser werd gelegd, kan in de gegeven omstandigheden niet worden afgeleid dat de eiser toen reeds werkelijk kennis had van de feiten die hij in zijn verzoekschrift tot wraking heeft aangevoerd; dit laatste kan niet worden afgeleid uit de louter theoretische mogelijkheid om kennis te nemen van het strafdossier; de toenmalige raadsman van de eiser heeft zich niet naar behoren van zijn taak gekweten, waarbij niet blijkt dat hij werkelijk inzage heeft genomen van het strafdossier; minstens laat het arrest na te antwoorden op eisers conclusie waarin hij had aangevoerd dat hij in werkelijkheid geen kennis had van het strafdossier, dat zowel het strafdossier als het bevel tot aanhouding in het Nederlands zijn opgesteld, de tolk slechts het beschikkend gedeelte van het bevel tot aanhouding heeft vertaald en de eiser zelf geen inzage had in het strafdossier en wegens de coronamaatregelen niet werd overgebracht, en dat de eiser geen contact had met zijn toenmalige raadsman, die hem nooit heeft bezocht en geen opmerkingen heeft geformuleerd over het bevel tot aanhouding hoewel de eiser voorhoudt onschuldig te zijn, zodat er sprake is van overmacht.
- De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek inzake de wraking van magistraten zijn op grond van artikel 2 Gerechtelijk Wetboek van toepassing in strafzaken, tenzij de toepassing ervan onverenigbaar is met de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering en de beginselen van het strafprocesrecht.
- Artikel 833 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hij die een wraking wil voordragen dit moet doen vóór de aanvang van de pleidooien tenzij de redenen van wraking later zijn ontstaan, en, indien de zaak bij verzoekschrift is ingeleid, alvorens op het verzoekschrift een beschikking is gegeven.
- Aangezien voor een onderzoeksrechter niet wordt gepleit, ook niet indien hij verslag uitbrengt voor de raadkamer in het kader van de beoordeling van de voorlopige hechtenis of de regeling van de rechtspleging, en de zaken voor de onderzoeksrechter ook niet bij verzoekschrift worden ingeleid, zijn de door artikel 833 Gerechtelijk Wetboek bedoelde tijdsvoorwaarden niet van toepassing bij de wraking van een onderzoeksrechter. De omstandigheid dat er voor de raadkamer wordt gepleit, laat niet toe anders te oordelen.
- Uit de geest van artikel 833 Gerechtelijk Wetboek, de wettelijk omschreven termijnen voor de wrakingsprocedure en de schorsing van alle vonnissen en handelingen die zij met zich meebrengt, volgt niettemin dat de wraking van een onder¬zoeksrechter moet worden voorgedragen van zodra de grond is gekend door de partij die zich erop beroept. Die regel heeft een algemene draagwijdte en is ook van toepassing indien het wrakingsverzoek is gesteund op de overtuiging dat de onderzoeksrechter niet meer over de vereiste waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid beschikt.
- Een wrakingsgrond is door een partij gekend wanneer die partij over die grond voldoende zekerheid heeft om zich ter zake een overtuiging te kunnen vormen en een verzoekschrift tot wraking te kunnen indienen, zonder dat die voldoende kennis gelijk is te stellen met de mogelijkheid het bewijs van de aangevoerde feiten te leveren.
- De rechter die uitspraak doet over het wrakingsverzoek oordeelt onaantastbaar of de partij die het wrakingsverzoek heeft ingediend, dit heeft gedaan van zodra die grond haar was gekend. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 8-9) oordeelt dat: - de eiser in zijn op 15 maart 2021 neergelegde verzoekschrift tot wraking van de onderzoeksrechter voorhoudt dat deze laatste het vermoeden van onschuld zou miskennen en blijk zou geven van partijdigheid en afhankelijkheid, met name blijkens de motivering van
(1)het op 10 februari 2021 uitgevaardigde bevel tot aanhouding van de eiser,
(2)de drie huiszoekingsbevelen van 5 februari 2021 en
(3)de "beschikking tot direct afluisteren" van 12 oktober 2020; - het dossier, met inbegrip van de voormelde beschikkingen van de onderzoeks-rechter, ter inzage van de eiser werd gelegd, waarbij zijn toenmalige raadsman per faxbericht van 10 februari 2021 op de hoogte werd gebracht; - de eiser werd vertegenwoordigd op de rechtszitting van de raadkamer van 12 februari 2021 door zijn toenmalige raadsman, die het dossier, inclusief de voormelde beschikkingen van de onderzoeksrechter, had ingezien en geen enkele opmerking heeft gemaakt over het (beweerde) gebrek aan onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de onderzoeksrechter; - de voorlopige hechtenis van de eiser, opgelegd bij bevel tot aanhouding van 10 februari 2021, bij beschikking van 12 februari 2021 werd gehandhaafd door de raadkamer en de eiser hiertegen geen hoger beroep heeft ingesteld; - het dossier op 10 en 11 maart 2021 opnieuw ter inzage werd gelegd met het oog op de rechtszitting van de raadkamer van 12 maart 2021, waarop de behandeling van de zaak op verzoek van de raadsman van de eiser werd uitgesteld naar de rechtszitting van 16 maart 2021; - het wrakingsverzoek pas op 15 maart 2021 werd neergelegd, dit is niet onmiddellijk na de kennisname van de grond tot wraking en derhalve laattijdig, aangezien de eiser via zijn raadsman reeds op 11 februari 2021 inzage had in het strafdossier en kennis had van de voormelde beschikkingen van de onderzoeksrechter, waarover op de rechtszitting van de raadkamer van 12 februari 2021 niet de minste opmerking werd gemaakt.
- Met die redenen stelt het arrest vast dat de eiser reeds op 11 februari 2021 kennis had van de door hem ingeroepen gronden tot wraking, beantwoordt het arrest de in het middel aangehaalde conclusie van de eiser en oordeelt het wettig dat de eiser niet onverwijld nadat de grond tot wraking hem bekend was, het verzoek tot wraking heeft ingediend. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel aanvoert dat de vorige raadsman van de eiser geen kennis had van het dossier, de eiser nooit heeft bezocht noch enig overleg met de eiser heeft gepleegd en zich niet naar behoren van zijn taak heeft gekweten, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk. Tweede middel in zijn geheel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 833 Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: met het oordeel dat de eiser zich niet kan beroepen op overmacht waardoor hij niet in staat was om zijn wrakingsverzoek eerder in te dienen, verantwoordt het arrest de beslissing dat het wrakingsverzoek laattijdig werd neergelegd, niet naar recht en is die beslissing ook niet afdoende gemotiveerd; het arrest stelt niet vast dat de eiser, die de Nederlandse taal niet machtig is, ook in de periode volgend op de betekening van het bevel tot aanhouding de bijstand had van een raadsman en van een tolk; het arrest stelt evenmin vast dat de eiser in kennis werd gesteld van de mogelijkheid en de termijn om hoger beroep aan te tekenen tegen de beschikking tot handhaving van de voorlopige hechtenis; het arrest stelt ten onrechte dat het zich niet kan inlaten met de wijze waarop een raadsman zijn cliënt bijstaat en gaat niet nader in op de omstandigheid dat de eiser na de rechtszitting van de raadkamer zijn raadsman liet opvolgen door een andere raadsman. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.c EVRM: met het oordeel dat het zich niet kan inlaten met de wijze waarop een raadsman zijn cliënt bijstaat, miskent het arrest eisers recht op een daadwerkelijke juridische bijstand; de loutere omstandigheid dat er een advocaat werd aangesteld volstaat niet indien deze geen handelingen stelt; het arrest laat na de feitelijke argumenten van de eiser in dit verband één voor één te beantwoorden. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het oordeel dat de eiser zich niet kan beroepen op overmacht is niet regelmatig gemotiveerd; het arrest antwoordt niet op eisers conclusie betreffende afwezigheid van kennis van het strafdossier, de afwezigheid van juridische bijstand en van overleg met zijn voormalige raadsman, alsook betreffende de taalproblematiek.
- In zoverre het middel aanvoert dat de eiser geen daadwerkelijke juridische bijstand had, de vorige raadsman van de eiser geen kennis had van het dossier, de eiser nooit heeft bezocht noch enig overleg met de eiser heeft gepleegd en zich niet naar behoren van zijn taak heeft gekweten, moet het om de in het antwoord op het eerste middel weergegeven redenen worden verworpen.
- Het arrest (p. 9) stelt vast dat de eiser vanaf zijn eerste verhoor door de politie werd bijgestaan door een raadsman en ook steeds werd bijgestaan door een tolk. Het stelt bovendien vast dat het dossier op 10 en 11 maart 2021 opnieuw ter inzage werd gelegd en de zaak op de rechtszitting van de raadkamer van 12 maart 2021 op verzoek van eisers raadsman werd uitgesteld naar de rechtszitting van 16 maart
- Het arrest stelt aldus vast dat de eiser ook in de periode na de betekening van de beschikking van de raadkamer tot handhaving van de voorlopige hechtenis van 12 februari 2021 werd bijgestaan door een raadsman. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Wanneer een beklaagde of inverdenkinggestelde werd bijgestaan door een raadsman, mag de rechter ervan uitgaan dat de eerstgenoemde, ook al is hij de taal van de rechtspleging niet machtig, op de hoogte is van de mogelijkheid en de termijn om hoger beroep aan te tekenen tegen een voor hem nadelige beschikking.
- De rechter die vaststelt dat een beklaagde of inverdenkinggestelde werd bij-gestaan door een raadsman, heeft zich in beginsel niet in te laten met de wijze waarop de verdediging wordt gevoerd.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 9) oordeelt dat er geen sprake is van overmacht op grond van de volgende redenen: - de eiser kan niet worden bijgetreden waar hij stelt dat er geen sprake was van overmacht wegens een "manifest gebrek aan juridische bijstand"; - de eiser was van bij zijn eerste verhoor bijgestaan door een raadsman, hem toegewezen in het kader van de Salduz-regeling, zoals wettelijk voorzien; - ook ter gelegenheid van zijn voorleiding voor de onderzoeksrechter was de eiser bijgestaan door een raadsman; - de betekening van het bevel tot aanhouding is correct gebeurd, dit bevel is opgesteld in de Nederlandse taal maar de (toenmalige) raadsman van de eiser stond hem bij en kon één en ander toelichten en uitleggen; - de (toenmalige) raadsman van de eiser heeft nadien inzage gehad in het strafdossier, zoals wettelijk voorgeschreven; - de eiser werd ook steeds bijgestaan door een tolk; - het recht van verdediging van de eiser werd wel degelijk gevrijwaard; - waar de eiser thans voorhoudt dat zijn toenmalige advocaat zich niet naar behoren van zijn taak zou hebben gekweten, kan slechts worden vastgesteld dat de wrakingsrechter zich binnen het kader van deze procedure niet heeft in te laten met de wijze waarop een raadsman zijn cliënt bijstaat; - er kan ten overvloede slechts worden vastgesteld dat
(1)de eiser, die elke be-trokkenheid in het dossier betwist, geen hoger beroep heeft aangetekend tegen de eerste beschikking tot handhaving van de hechtenis,
(2)hij zich eerder nooit heeft beklaagd over de beweerde slechte bijstand door zijn toenmalige raadsman noch bewijst dat die laatste tegen zijn instructies op een bepaalde wijze heeft gehandeld en
(3)de ingebrekestelling aan het adres van zijn toenmalige raadsman duidelijk en uitsluitend is ingegeven door het antwoord van de onderzoeksrechter en de conclusie van het openbaar ministerie in het huidige dossier.
- Met die redenen en met de in het antwoord op het eerste middel aangehaalde redenen beantwoordt het arrest het in eisers conclusies aangevoerde verweer be-treffende de overmacht en verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat het wrakingsverzoek laattijdig werd neergelegd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 0,00 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 1 juni 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110421.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160614.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220426.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.6 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.17 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.4 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250826.VAK.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div