← België

H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:

Art. 835

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 836

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 838, tweede lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr.

P.21.0566.N S. C. H., verzoeker tot wraking, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Recollettenlei 41, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Gent, bur-gerlijke kamer, van 12 april 2021 (2021/2662). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel

  1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 836 Gerechtelijk Wetboek: met het oordeel dat het door de onderzoeksrechter uitgevaardigde aanhoudingsmandaat niet het voorwerp uitmaakt van het op 24 maart 2021 neergelegde wrakingsverzoek, dat slechts betrekking heeft op de verklaring van de onderzoeksrechter, afgelegd naar aanleiding van het op 15 maart 2021 neergelegde wrakingsverzoek, is het arrest niet naar recht verantwoord; de gewraakte rechter moet op de wrakingsakte immers reageren met een verklaring waarin hij aangeeft in de wraking te berusten of te weigeren zich van de zaak te onthouden, met daarbij zijn antwoord op de middelen van wraking; de wrakingsrechter kon de gronden van het eerste wrakingsverzoek dan ook niet loskoppelen van de verklaring van de onderzoeksrechter.
  2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiser in een eerder wrakingsverzoek, namelijk in zijn op 15 maart 2021 neergelegde verzoekschrift tot wraking van de onderzoeksrechter heeft aangevoerd dat deze laatste het vermoeden van onschuld zou miskennen en blijk zou geven van partijdigheid en afhankelijkheid, met name blijkens de motivering van

(1)het op 10 februari 2021 uitgevaardigde bevel tot aanhouding van de eiser,
(2)de drie huiszoekingsbevelen van 5 februari 2021 en
(3)de "be¬schikking tot direct afluisteren" van 12 oktober 2020; - de onderzoeksrechter naar aanleiding van dit eerdere wrakingsverzoek bij toepassing van artikel 836, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek op 16 maart 2021 een verklaring heeft opgesteld waarbij zij weigerde zich van de zaak te onthouden; - dit eerdere wrakingsverzoek door het hof van beroep laattijdig en bijgevolg onontvankelijk werd verklaard bij arrest van 1 april 2021; - de eiser op 24 maart 2021 een nieuw verzoek tot wraking van de onderzoeksrechter heeft neergelegd waarin als grond tot wraking werd verwezen naar de verklaring die de onderzoeksrechter heeft afgelegd naar aanleiding van het op 15 maart 2021 neergelegde wrakingsverzoek, meer in het bijzonder omdat de onderzoeksrechter daarin het volgende had gesteld: "De feitelijkheden die werden besproken in de mandaten/beschikkingen volgen enkel uit de onderzoeksmaatregelen zelf en houden derhalve geen appreciatie van de onderzoeksrechter in, die zowel à charge als à décharge onderzocht"; - de onderzoeksrechter naar aanleiding van dit tweede wrakingsverzoek op 24 maart 2021 een verklaring heeft opgesteld waarbij zij andermaal weigerde zich van de zaak te onthouden.
  1. Uit de artikelen 835, 836 en 838, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek volgt dat de wrakingsrechter slechts uitspraak kan doen op grond van de middelen die in de wrakingsakte zijn vervat en aan de tegenspraak van de gewraakte rechter zijn voorgelegd. De omstandigheid dat bij de omschrijving van de grond tot wraking in de wrakingsakte wordt verwezen naar een eerder wrakingsverzoek, impliceert niet dat de wrakingsrechter ook over de in dat laatste verzoek vermelde wrakingsgronden uitspraak kan doen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  2. Het arrest oordeelt dat het op 24 maart 2021 neergelegde wrakingsverzoek slechts betrekking heeft op de verklaring van de onderzoeksrechter, afgelegd naar aanleiding van het op 15 maart 2021 neergelegde wrakingsverzoek. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de onderzoeksrechter met het begrip "feitelijkheden" in haar verklaring enkel doelde op bepaalde feitelijke vaststellingen van de verbalisanten, dat de andere zinnen waarnaar de eiser verwijst en met name de zinsneden in het bevel tot aanhouding geen deel uitmaken van het tweede wrakingsverzoek en dat de onderzoeksrechter de aanwijzingen van schuld benoemt als "feitelijkheden", miskent het arrest de bewijskracht van de bij toepassing van artikel 836 Gerechtelijk Wetboek door de onderzoeksrechter opgestelde verklaring; het arrest geeft aldus immers een engere interpretatie aan het begrip "feitelijkheden", die bovendien niet kunnen worden beschouwd als aanwijzingen van schuld, die immers geen vaststaande gegevens zijn.
  4. Van een miskenning van de bewijskracht van een akte is er slechts sprake wanneer de bekritiseerde beslissing verwijst naar een geschrift en aan dit geschrift een vermelding toeschrijft die niet erin voorkomt dan wel verklaart dat dit geschrift een vermelding niet bevat die wel erin voorkomt.
  5. Het onderdeel, dat formeel de miskenning van de bewijskracht van de verklaring van de onderzoeksrechter aanvoert, komt in werkelijkheid op tegen de feitelijke beoordeling van de draagwijdte van die verklaring. Bijgevolg is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 828, 1°, Ge-rechtelijk Wetboek: met het oordeel dat met het begrip "feitelijkheden" in de verklaring van de onderzoeksrechter enkel wordt gedoeld op bepaalde feitelijke vaststellingen van de verbalisanten, verantwoordt het arrest de beslissing dat er geen sprake is van wettige verdenking niet naar recht; voor de beoordeling van het begrip "feitelijkheden" dient rekening te worden gehouden met de integrale motivering van het aanhoudingsmandaat en de overige beschikkingen van de onderzoeksrechter; uit die beschikkingen blijkt dat de onderzoeksrechter de misdrijven en de bijhorende kwalificaties als vaststaande beschouwt in hoofde van de eiser, die volgens de onderzoeksrechter aan het hoofd van de mensensmokkel staat; overigens blijken ook de vaststellingen van de verbalisanten uitspraak te doen over de schuld van de eiser; hierdoor wordt het vermoeden van onschuld miskend, minstens wordt hierdoor bij de eiser de objectieve schijn van partijdigheid gewekt.
  7. In zoverre het middel de beoordeling bekritiseert van de wrakingsgronden die werden aangevoerd in het op 15 maart 2021 neergelegde wrakingsverzoek, is het niet gericht tegen het arrest en is het niet ontvankelijk.
  8. Voor het overige is het middel gebaseerd op de in het tweede onderdeel van het eerste middel vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van de verklaring van de onderzoeksrechter. In zoverre is het middel eveneens niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 0,00 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 1 juni 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.