← België

PROCUREUR-GENERAAL HOF VAN CASSATIE contra L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:

Art. 60- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING.

OMVANG - Strafzaken - Strafvordering - Beklaagde en verdachte Vrije woorden: Straf - Samenloop - Artikel 60 Strafwetboek - Overschrijding van de maximum op te leggen straf - Werkstraffen - Onwettigheid - Vernietiging - Vervangende straf - Omvang Wettelijke bepalingen:

Art. 60

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Algemeen Vrije woorden: Artikel 60 Strafwetboek - Overschrijding van de maximum op te leggen straf - Werkstraffen - Onwettigheid - Vernietiging - Vervangende straf - Omvang Wettelijke bepalingen:

Art. 60- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.

P.21.0411.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN CASSATIE, verzoeker tot vernietiging op grond van artikel 441 Wetboek van Strafvordering van een vonnis van de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 14 mei 2018, in de zaak van F. J. J.-C. G. L. I. VORDERING De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie heeft volgens de op 24 maart 2021 ter griffie van het Hof ontvangen akte gevorderd zoals volgt: "Aan de tweede kamer van het Hof van Cassatie, De ondergetekende procureur-generaal heeft de eer U hierbij kenbaar te maken dat, bij brief van 11 februari 2021 met referte 2020/PGG/002927, de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent, hem verzocht heeft bij het Hof, overeenkomstig artikel 441 van het Wetboek van strafvordering, aangifte te doen van: Het vonnis gewezen op tegenspraak van de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 14 mei 2018 (vonnisnummer 2018/4983 18 B003552 / notitienummer parket 17Z1654), inzake F. L., geboren te H. op ..., wonende te ... De verwijzing in bovengemelde brief van 11 februari 2021 van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent en het daaraan gehechte verzoek tot aangifte van een onwettig vonnis, naar artikel 411 van het Wetboek van strafvordering betreft klaarblijkelijk een materiële verschrijving en dient gelezen te worden als een verzoek overeenkomstig artikel 441 van het Wetboek van strafvordering, artikel 411 van het Wetboek van strafvordering opgeheven zijnde bij artikel 11 van de wet van 14 februari 2014 (B.S. 27 februari 2014). De politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, veroordeelde F. L. tot twee werkstraffen, namelijk - een werkstraf van 200 uren en een vervangende geldboete van 400 euro verhoogd met 70 opdeciemen en gebracht op 3.200 euro bij niet-uitvoering van de werkstraf, voor de feiten der telastlegging A. - een werkstraf van 200 uren en een vervangende geldboete van 200 euro verhoogd met 70 opdeciemen en gebracht op 1.600 euro bij niet-uitvoering van de werkstraf, voor de feiten der telastlegging B. De misdrijven van de telastleggingen A en B waarvoor F. L. werd veroordeeld, werden gepleegd te Oostende op 8 juli 2017, en gekwalificeerd als: A. Ingeschreven zijnde in het bevolkingsregister, in het vreemdelingenregister of het wachtregister van een Belgische gemeente en houder van een der volgende in België afgegeven dokumenten, hetzij een identiteitskaart van Belg of van vreemdeling, hetzij van het bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister, op de openbare weg een motorvoertuig te hebben bestuurd zonder houder te zijn van een rijbewijs of het als dusdanig geldend bewijs vereist voor het besturen van dit voertuig, overeenkomstig de bepalingen van het art.3 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 (art. 21 al. 1, art. 30 par.

  1. 1° en art. 38 par. 1 al.
  2. 5° Wet betreffende de politie over het wegverkeer - K.B. 16.03.1968) met de omstandigheid dat de gedaagde zich in staat van herhaling bevindt, daar hij binnen drie jaar voor het misdrijf veroordeeld werd door de politierechtbank Luik, afdeling Luik dd. 18.03.2015, vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan (art. 30 par. 4 Wet betreffende de politie over het wegverkeer - K.B. 16.03.1968) met de omstandigheid dat de gedaagde binnen drie jaar voor huidige overtreding veroordeeld werd wegens overtreding van een van de artikelen bedoeld in 38, §
  3. 1° en 38, §
  4. 5°, vonnis van de politierechtbank Luik, afdeling Luik dd. 18.03.2015 (art. 38, § 1, lid 2 Wet betreffende de politie over het wegverkeer - K.B. 16.03.1968) met de omstandigheid dat twee overtredingen begaan werden binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de overtredingen bedoeld in de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2 en 3, 33, §§ 1 en 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48 of 62bis Wegverkeerswet, vonnis van de politierechtbank Luik, afdeling Luik dd. 18.03.2015 (art. 38, § 6, lid 2 Wegverkeerswet) B. op een openbare plaats een voertuig te hebben bestuurd, een rijdier te hebben geleid of een bestuurder te hebben begeleid met het oog op de scholing, wanneer de analyse bedoeld in artikel 63 par. 1, 3° of 4°, de aanwezigheid in het organisme heeft aangetoond van minstens één van volgende stoffen die de rijvaardigheid beïnvloeden THC, amfetamine, MDMA, MDEA, MBDB, morfine, cocaïne of benzoylecgonine, en waarvan het gehalte gelijk of hoger was dan het gehalte bepaald in artikel 63,§ 2, terwijl het misdrijf aan zijn/haar persoonlijk toedoen te wijten is (art. 37bis. par.
  5. 1°, art. 38 par.
  6. 1° van de wet betreffende de politie over het wegverkeer KB. tot coördinatie van 16 maart 1968) met de omstandigheid dat de gedaagde binnen drie jaar voor huidige overtreding veroordeeld werd wegens overtreding van een van de artikelen bedoeld in 38, §
  7. 1° en 38, §
  8. 5°, vonnis van de politierechtbank Luik, afdeling Luik dd. 18.03.2015 (art. 38, § 1, lid 2, Wet betreffende de politie over het wegverkeer - K.B. 16.03.1968) met de omstandigheid dat twee overtredingen begaan werden binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de overtredingen bedoeld in de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2 en 3, 33, §§ 1 en 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48 of 62bis Wegverkeerswet, vonnis van de politierechtbank Luik, afdeling Luik dd. 18.03.2015 (art. 38, § 6, lid 2 Wegverkeerswet) De rechter die wegens verscheidene misdrijven verschillende straffen uitspreekt, beslist zodus dat deze misdrijven door afzonderlijke feiten worden opgeleverd. Er is dus materiële samenloop van misdrijven. Overeenkomstig artikel 60 van het Strafwetboek worden bij samenloop van verscheidene wanbedrijven alle straffen samen opgelegd, zonder dat zij evenwel het dubbele van het maximum van de zwaarste straf te boven mag gaan. In geen geval mag de uitgesproken straf één jaar straf onder elektronisch toezicht, 300 uren werkstraf, of twee jaar autonome probatiestraf te boven gaan. Artikel 100 van het Strafwetboek bepaalt dat boek I van het Strafwetboek, bij gebreke aan andersluidende bepalingen, van toepassing is op bijzondere strafwetten. De beslissing van de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 14 mei 2018, is dus onwettig nu de opgelegde straffen de maximumduur van 300 uren werkstraf overschrijden. Rekening houdend met de werkstraf van 200 uur die is uitgesproken voor de feiten van de telastlegging A, kon de rechtbank wettelijk geen werkstraf van meer dan 100 uur uitspreken voor telastlegging B. Wanneer het Hof een beslissing op grond van artikel 441 van het Wetboek van Strafvordering vernietigt, komt de nietigverklaring van de beslissing de verdachte ten goede zonder hem schade te kunnen berokkenen. Het is derhalve aangewezen om het aangegeven vonnis te vernietigen in zoverre het een veroordeling uitspreekt voor telastlegging B van een werkstraf van meer dan 100 uren en dat het voorziet in een vervangende geldboete van 200 euro, verhoogd met 70 opdeciemen en gebracht op 1.600 euro bij niet-uitvoering . Om deze redenen verzoekt de ondergetekende procureur-generaal dat het aan het Hof moge behage het aangegeven vonnis te vernietigen in zoverre het een werkstraf uitspreekt die de duur van 100 uren overschrijdt voor de telastlegging B en dat het voorziet in een vervangende geldboete van 200 euro verhoogd met 70 opdeciemen en gebracht op 1.600 euro bij niet-uitvoering, te bevelen dat van zijn arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing, en de zaak te verwijzen naar een andere politierechtbank, zodat deze de vervangende geldboete vaststelt die van toepassing zal zijn in geval van niet-uitvoering van de werkstraf verminderd tot 100 uren. Brussel, 18 maart 2021 Voor de procureur-generaal, De advocaat-generaal, w.g.) Dirk SCHOETERS". II. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De vordering beoogt de vernietiging wegens schending van de wet van het vonnis van de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 14 mei
  9. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  10. Artikel 60 Strafwetboek bepaalt dat ingeval van samenloop van verscheidene wanbedrijven alle straffen samen worden opgelegd, zonder dat zij evenwel het dubbele van het maximum van de zwaarste straf te boven mogen gaan en de uitgesproken straf in geen geval driehonderd uren werkstraf mag te boven gaan.
  11. Het vonnis van de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 14 mei 2018 veroordeelt Fabrice Lejeune op tegenspraak wegens een inbreuk op de artikelen 21, eerste lid, en 30, § 1, 1°, Wegverkeerswet (telastlegging A) tot onder meer een werkstraf van 200 uren of een vervangende geldboete van 400,00 euro, verhoogd met 70 opdeciemen of 3.200,00 euro, alsook wegens een inbreuk op artikel 37bis, § 1, 1°, Wegverkeerswet (telastlegging B) tot een werkstraf van 200 uren of een vervangende geldboete van 200,00 euro, verhoogd met 70 opdeciemen of 1.600,00 euro.
  12. Er is samenloop tussen deze misdrijven als bedoeld in artikel 60 Strafwetboek.
  13. In de mate dat de politierechtbank heeft nagelaten de werkstraffen opgelegd voor de feiten van de telastleggingen A en B te herleiden tot 300 uren, schendt het vonnis artikel 60 Strafwetboek.
  14. In zoverre is de vordering gegrond.
  15. Het niet-herleiden van de bij het vonnis opgelegde werkstraffen overeenkomstig artikel 60 Strafwetboek tot 300 uren tast de beslissing betreffende het opleggen van de werkstrafvervangende geldboeten niet aan. Die werkstrafvervangende geldboeten zijn zelf niet strijdig met artikel 60 Strafwetboek of door een andere onwettigheid aangetast.
  16. In zoverre wordt de vordering verworpen. Dictum Het Hof, Vernietigt het vonnis van de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 14 mei 2018, in zoverre dit nalaat de voor de feiten van de telastleggingen A en B opgelegde werkstraffen te herleiden tot 300 uren en het dus voor die feiten een hoger aantal uren werkstraf oplegt dan 300 uren. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt de vordering voor het overige. Laat de kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is voor verwijzing. Bepaalt de kosten op 0,00 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 1 juni 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.19 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260204.2F.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210120.2F.12 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260204.2F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.