← België

K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.7 Rolnummer: P.21.0261.N Zaak: K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-06-07 Raadplegingen: 743 - laatst gezien 2026-06-15 10:24 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiche Volgens artikel 2 van de wet van 29 april 1806 waarbij maatregelen worden voorgeschreven met betrekking tot de procedure in criminele en correctionele zaken kan de beklaagde in correctionele zaken als cassatiemiddel geen nietigheden aanvoeren die in eerste aanleg zijn gepleegd en die hij voor het appelgerecht niet heeft opgeworpen en de enige uitzondering hierop is de nietigheid wegens onbevoegdheid

(1).
(1)Cass. 17 september 2013, AR P.12.1162.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130917.2, AC 2013, nr.
  1. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Nieuw middel Vrije woorden: Niet voor het hof van beroep opgeworpen nietigheden die in eerste aanleg zijn gepleegd - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 29 april 1806 waarbij maatregelen worden voorgeschreven met betrekking tot de procedure in criminele en correctionele zaken - 29-04-1806 - Art. 2 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0261.N M. K., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Tim Smet, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 29 januari
  2. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is te-genstrijdig gemotiveerd; het reikt enerzijds elementen aan die als verzachtende omstandigheden kunnen worden bestempeld, maar oordeelt anderzijds dat de eiseres onvoldoende dergelijke elementen aanreikt; het laat tevens na te onderzoeken waarom de bijgebrachte elementen niet volstaan om een mildere bestraffing uit te spreken; uit de motieven blijkt evenmin of voormelde elementen in overweging werden genomen bij het nagaan of eiseres' toekomst al te zeer zou worden gehypothekeerd; als gevolg hiervan is de motivering minstens gebrekkig.
  4. Uit de verwijzing bij de motivering van de straftoemeting naar het blanco strafverleden van de eiseres en haar financiële en sociale toestand en persoonlijkheid volgt niet dat het appelgerecht verzachtende omstandigheden aanneemt. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest.
  5. In zoverre het motiveringsgebrek uit die onjuiste lezing is afgeleid, is het niet ontvankelijk.
  6. Een motivering is enkel tegenstrijdig wanneer zij bestaat uit redenen die elkaar tenietdoen en bijgevolg opheffen.
  7. Het is niet tegenstrijdig, eensdeels, bij de straftoemeting te verwijzen naar het blanco strafverleden van de eiseres en haar financiële en sociale toestand en persoonlijkheid, en, anderdeels te oordelen dat de eiseres in gebreke blijft om afdoende elementen aan te reiken die het appelgerecht toelaten aan te nemen dat de bestraffing haar toekomst op een overdreven wijze, in een wanverhouding tot de aard en de ernst van de gepleegde feiten, zou hypothekeren. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Tweede middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek: de motivering over de verbeurdverklaring van een geldsom van 200,00 euro is onjuist; de eiseres heeft hierover betwisting gevoerd door in haar grievenformulier aan te geven dat zij de haar ten laste gelegde feiten betwistte; het arrest stelt dan ook ten onrechte dat zij geen betwisting heeft gevoerd; de opgelegde verbeurdverklaring van voormelde geldsom is onwettig daar de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie nalaat aan te geven op welke rechtsgrond deze vraag tot verbeurdverklaring is gesteund; deze vordering kan dan ook niet worden bestempeld als zijnde een schriftelijke vordering om over te gaan tot verbeurdverklaring van de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek zoals bedoeld in artikel 43bis Strafwetboek.
  9. Volgens artikel 2 van de wet van 29 april 1806 waarbij maatregelen worden voorgeschreven met betrekking tot de procedure in criminele en correctionele zaken kan de beklaagde in correctionele zaken als cassatiemiddel geen nietigheden aanvoeren die in eerste aanleg zijn gepleegd en die hij voor het appelgerecht niet heeft opgeworpen. De enige uitzondering hierop is de nietigheid wegens onbevoegdheid.
  10. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres voor het appelgerecht heeft opgeworpen dat er geen regelmatige vordering van het openbaar ministerie voorligt zoals bedoeld in artikel 43bis, eerste lid, Strafwetboek. Hij kan dit niet voor het eerst voor het Hof aanvoeren. Het middel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
  12. Ingevolge de hierna uit te spreken verwerping van het cassatieberoep tegen de beslissing op de strafvordering, verkrijgt deze beslissing kracht van gewijsde. In zoverre het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing waarbij de onmiddellijke aanhouding van de eiseres wordt bevolen, heeft het geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 120,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 1 juni 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231219.2N.16 precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130917.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.