← België

P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.9 Rolnummer: P.21.0067.N Zaak: P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-07 Raadplegingen: 486 - laatst gezien 2026-06-15 11:43 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 4 De strafrechter mag bij de schuldbeoordeling voor inbreuken op de Wapenwet rekening houden met vaststellingen die een natuurinspecteur heeft verricht bij de opsporing van inbreuken op het Jachtdecreet, waarvoor hij krachtens het Jachtdecreet en het DABM bevoegd is; uit de omstandigheid dat de natuurinspecteur niet bevoegd is verklaard om opsporingen te doen betreffende inbreuken op de Wapenwet volgt niet dat de rechter bij een vervolging wegens dergelijke inbreuken geen bewijswaarde zou mogen toekennen aan de vaststellingen die de natuurinspecteur heeft verricht ter gelegenheid van een hem wel toegekende opsporingsbevoegdheid. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Vrije woorden: Proces-verbaal - Inbreuken op de Wapenwet - Vaststellingen door natuurinspecteurs in het kader van het Jachtdecreet - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: WAPENS Vrije woorden: Wapenwet - Artikel 29, § 1 - Proces-verbaal van vaststellingen opgesteld door natuurinspecteurs in het kader van het Jachtdecreet - Bewijswaarde - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: JACHT Vrije woorden: Jachtdecreet - Proces-verbaal van vaststellingen door natuurinspecteurs - Inbreuken op de Wapenwet - Bewijswaarde - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: DABM - Artikel 16.1.

  1. - Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen - Jachtdecreet - Proces-verbaal van vaststellingen door natuurinspecteurs - Inbreuken op de Wapenwet - Bewijswaarde - Draagwijdte - Gevolg Nota: De strafrechter mag bij de schuldbeoordeling voor inbreuken op de Wapenwet rekening houden met vaststellingen die een natuurinspecteur heeft verricht bij de opsporing van inbreuken op het Jachtdecreet, waarvoor hij krachtens het Jachtdecreet en het DABM bevoegd is; uit de omstandigheid dat de natuurinspecteur niet bevoegd is verklaard om opsporingen te doen betreffende inbreuken op de Wapenwet volgt niet dat de rechter bij een vervolging wegens dergelijke inbreuken geen bewijswaarde zou mogen toekennen aan de vaststellingen die de natuurinspecteur heeft verricht ter gelegenheid van een hem wel toegekende opsporingsbevoegdheid. Tekst van de beslissing Nr. P.21.0067.N D. M. P., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Geert Ampe, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8400 Oostende, Kerkstraat 38, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 24 december
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Het arrest ontslaat de eiser van rechtsvervolging voor de telastlegging E. In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 29, § 1, Wapenwet, artikel 37 Jachtdecreet, artikel 16.1.1 DABM, de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de regels inzake bewijs en bewijslast: het arrest oordeelt ten onrechte dat de natuurinspecteurs bevoegd zijn om inbreuken op de Wapenwet op te sporen en vast te stellen; hun vaststellingen zijn dan ook niet rechtsgeldig en hebben geen bewijswaarde; de beoordeling van de appelrechters is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord.
  5. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest de regels inzake bewijs en bewijslast miskent, zonder die regels nader te preciseren, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  6. Het onderdeel preciseert niet van welke stukken het arrest een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid evenmin ontvankelijk.
  7. De strafrechter mag bij de schuldbeoordeling voor inbreuken op de Wapenwet rekening houden met vaststellingen die een natuurinspecteur heeft verricht bij de opsporing van inbreuken op het Jachtdecreet, waarvoor hij krachtens het Jachtdecreet en het DABM bevoegd is. Uit de omstandigheid dat de natuurinspecteur niet bevoegd is verklaard om opsporingen te doen betreffende inbreuken op de Wapenwet volgt niet dat de rechter bij een vervolging wegens dergelijke inbreuken geen bewijswaarde zou mogen toekennen aan de vaststellingen die de natuurinspecteur heeft verricht ter gelegenheid van een hem wel toegekende opsporingsbevoegdheid. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  8. Het arrest dat aldus oordeelt, verantwoordt de beslissing over de regelmatigheid van het verkregen bewijs naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede en derde onderdeel
  9. De onderdelen voeren schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht op een eerlijk proces: het arrest oordeelt ten onrechte dat aangezien de vaststellingen van de natuurinspecteurs niet onwettig zijn, er niet moet worden getoetst aan de criteria van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering (tweede onderdeel); het arrest oordeelt zonder enige motivering dat de betrouwbaarheid van het uit de vaststellingen verkregen bewijs niet in het gedrang is en dat het gebruik van dit bewijs niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces (derde onderdeel).
  10. Gelet op het antwoord op het eerste onderdeel, kunnen de onderdelen die uitgaan van de onregelmatigheid van het bewijs, niet leiden tot cassatie en zijn ze bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
  11. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 47bis Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en de regels inzake bewijs en bewijslast: het arrest kan de eiser niet schuldig verklaren aan de feiten van de telastlegging D2 uitsluitend op grond van de notitie van de politie dat de "andere twee aanwezigen" aan hun diensten zouden hebben gemeld dat ze enkel wapens dragen voor hun collega jagers; de appelrechters hadden deze ene niet nader gespecificeerde verklaring, zonder dat er zelfs maar een proces-verbaal van verhoor over voorhanden is, zelfs niet als steunbewijs, in overweging mogen nemen om de eiser te veroordelen; de verplichtingen van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering werden niet in acht genomen.
  12. In zoverre het middel aanvoert dat het arrest de regels inzake bewijs en bewijslast miskent, zonder die regels nader te preciseren, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  13. Het middel preciseert niet van welke stukken het arrest een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid evenmin ontvankelijk.
  14. Voor het overige gaat het middel ervan uit dat de betrokken personen werden verhoord in de zin van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering, terwijl dit niet blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan. In zoverre verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 107,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 1 juni 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.