id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210608.2N.10 Rolnummer: P.21.0119.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-06-14 Raadplegingen: 795 - laatst gezien 2026-06-20 02:22 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de bepaling van artikel 162, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, dat bij toepassing van artikel 176 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op de vonnissen in hoger beroep, gewezen door de correctionele rechtbanken, volgt dat een beklaagde niet kan worden veroordeeld tot kosten die uitsluitend betrekking hebben op een telastlegging waarvoor hij wordt vrijgesproken
(1).
(1)Zie Cass. 9 mei 2007, AR P.07.0091.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070509.10, AC 2007, nr.
- Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Vrije woorden: Vervolging wegens verschillende misdrijven - Vrijspraak voor een telastlegging - Veroordeling in de kosten - Kosten die uitsluitend betrekking hebben op een telastlegging waarvoor vrijgesproken wordt - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 162, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 176 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0119.N D. M. G. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Lennert Dierickx, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 14 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: het oordeel dat de eiser schuldig is aan de telastleggingen A (inbreuk op artikel 10.1.3°, Wegverkeersreglement) en B (vluchtmisdrijf) is niet regelmatig met redenen omkleed; de appelrechters antwoorden niet op de verweermiddelen, aangevoerd in eisers appelconclusie met betrekking tot de niet-overeenstemmende schade aan de voertuigen, de onpartijdigheid en betrouwbaarheid van de getuige L.F., de kwalificatie van de telastlegging A en de overschrijding van de redelijke termijn; door rekening te houden met "de persoonlijke, materiële vaststellingen van de verbalisanten" hoewel het aanvullend onderzoek geen nieuwe elementen heeft opgeleverd, baseren de appelrechters zich bovendien op dubbelzinnige en tegenstrijdige redenen.
- Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering is vreemd aan de in het middel aangevoerde motiveringsgebreken. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Het middel preciseert niet in welke lezing het arrest wettig en in welke andere lezing het onwettig is. In zoverre het dubbelzinnigheid van de motivering aanvoert, is het middel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.
- De appelrechters stellen niet vast dat het aanvullend onderzoek geen nieuwe elementen heeft opgeleverd. Na te hebben geoordeeld dat onder meer rekening wordt gehouden met de persoonlijke materiële vaststellingen van de verbalisanten, verwijzen de appelrechters integendeel naar het bijkomend onderzoek van de politie waarin de verbalisant had gesteld dat, gezien de positie van de getuige en de plaats van de aanrijding, het groenscherm wat betreft de zichtbaarheid geen hindernis moet zijn geweest (bestreden vonnis, p. 7). Die redenen zijn niet tegenstrijdig. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- In zoverre het middel aanvoert dat het aanvullend onderzoek geen nieuwe, dienstige elementen heeft opgeleverd verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk.
- Uit het bestreden vonnis blijkt dat de appelrechters hun oordeel over de schuld van de eiser aan de telastleggingen A en B op een doorslaggevende wijze gronden op de verklaringen van de getuige L.F., waarbij zij oordelen dat er geen enkele reden is om te twijfelen aan de oprechtheid, onafhankelijkheid of geloofwaardigheid van de getuige L.F. of aan de juistheid van haar verklaringen. De appelrechters baseren zich hiervoor op de volgende redenen (bestreden vonnis, p. 6-8): - L.F. was als getuige zeer goed geplaatst om te zien en te horen wat er op enkele meters voor haar voertuig gebeurde; - niets maakt aannemelijk dat L.F. van op de plaats van waar zij, volgens haar verklaringen, de aanrijding zag gebeuren, omwille van dichte plantengroei geen of een beperkt zicht had op de plaats waar het voertuig BMW stond geparkeerd; - anders dan de eiser voorhield, zijn er in de verklaringen van de getuige geen hiaten, inconsistenties of tegenstrijdigheden die twijfel over de kwaliteit van de getuigenis van L.F. kan rechtvaardigen, waarbij latere preciseringen en nuanceringen naar aanleiding van bijkomende vragen, geruime tijd na de feiten, niet volstaan om de geloofwaardigheid of de juistheid van de getuigenverklaringen in vraag te stellen; - het relaas van L.F. is duidelijk en constant, ook wat betreft de details over de positie van de voertuigen BMW en Ford, over haar positie, over wat zij heeft gezien en gehoord; van een "plots aangepaste" of "veranderde" verklaring vanwege de getuige is geen sprake; - anders dan de eiser meent, zijn er geen "dingen die niet echt consequent en coherent zijn in de verklaringen van de getuige" of aanwijzingen dat L.F. haar verklaring naderhand "wat heeft willen aandikken"; - ook het feit dat de getuige onmiddellijk de eigenaar van het aangereden voertuig zocht - en vond - doet geen afbreuk aan de "kwaliteit" van de getuige en haar getuigenis; - de burgerzin en behulpzaamheid van L.F., die S.M. dadelijk vergezelde naar het politiekantoor om aangifte te doen, verwondert de eiser, hetgeen meer zegt over de visie van deze laatste op de medemens dan over de geloofwaardigheid van de getuige in dit concrete geval; - de rechtbank acht het al te ver gezocht om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van een persoon omdat de zus van deze persoon op Facebook "bevriend" is met het slachtoffer, aangezien een dergelijke "vriendschap" niet eens impliceert dat de betrokken vrienden (waarvan één een familielid is van het slachtoffer) elkaar kennen; - de botsing kan de eiser niet zijn ontgaan, gelet op de aard en de omvang van de met elkaar (en met de verklaring van de getuige) verenigbare schade aan elk van de voertuigen; - dat het voertuig Ford Fusion (met rechts een loshangende, geschroefde en licht gedeukte achterbumper met sporen van witte verf) vooraf bestaande schade vertoonde, zoals wordt beweerd, blijkt nergens uit; bij zijn verhoor op de dag van de feiten verklaarde de eiser daarover: "U hebt mij op de recente schade aan mijn voertuig gewezen. Mogelijks is dit afkomstig van deze aanrijding. Ik heb deze, zoals eerder gezegd, niet gemerkt".
- Het bestreden vonnis beperkt zich niet tot de loutere vaststelling dat het niet bewezen is dat de schade op eisers voertuig reeds voordien aanwezig was en dat er geen enkele reden is om te twijfelen aan de oprechtheid, onafhankelijkheid of geloofwaardigheid van de getuige. Met de voormelde redenen beantwoorden de appelrechters integendeel het in eisers appelconclusie aangevoerde verweer met betrekking tot de niet-overeen¬stemmende schade aan de voertuigen en met betrekking tot de onpartijdigheid en betrouwbaarheid van de getuige. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Met betrekking tot de inbreuk op artikel 10.1.3°, Wegverkeersreglement oordelen de appelrechters (bestreden vonnis, p. 8) dat de eiser heeft nagelaten om bij een achteruitrijmaneuver zijn snelheid te regelen om in alle omstandigheden te kunnen stoppen voor een voorzienbare hindernis, namelijk het geparkeerde voertuig BMW, dat hij wist of behoorde te weten dat hij tot heel dicht tegen de geparkeerde auto reed en bijgevolg zijn snelheid dermate had moeten verminderen dat hij kon voldoen aan de verplichting volgend uit deze wetsbepaling, en dat van een onvoorzienbare hindernis of van enige vorm van schulduitsluitende overmacht in dit geval geen sprake is. Met die redenen beantwoorden de appelrechters het in eisers appelconclusie gevoerde verweer met betrekking tot de kwalificatie van de telastlegging A. In zoverre mist het middel eveneens feitelijke grondslag.
- Uit de namens de eiser op de rechtszitting van 19 oktober 2020 neergelegde appelconclusie blijkt dat de eiser zowel met betrekking tot de telastlegging A als met betrekking tot de telastlegging B in ondergeschikte orde om de "opschorting van straf" heeft verzocht en hierbij heeft aangevoerd dat de feiten reeds dateren van 15 april 2017 en de redelijke termijn inmiddels is overschreden. Het bestreden vonnis beantwoordt dit verweer met betrekking tot de redelijke termijn niet. In zoverre is het middel gegrond. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 162 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 96 en 148 Tarief in Strafzaken en de artikelen 3, § 1, eerste lid, en 7, tweede lid, van de wet van 23 maart 2019 betreffende de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten en tot invoeging van een artikel 648 in het Wetboek van strafvordering: de veroordeling van de eiser tot de kosten van het deskundigenonderzoek is onwettig; het deskundigenonderzoek had uitsluitend betrekking op de telastlegging C (besturen van een voertuig in staat van alcoholintoxicatie), waarvoor de eiser werd vrijgesproken.
- Artikel 162, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, dat bij toepassing van artikel 176 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op de vonnissen in hoger beroep, gewezen door de correctionele rechtbanken, bepaalt: "Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, verwijst hen in de kosten, zelfs jegens de openbare partij." Hieruit volgt dat een beklaagde niet kan worden veroordeeld tot kosten die uitsluitend betrekking hebben op een telastlegging waarvoor hij wordt vrijgesproken.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiser onder de telastlegging C werd vervolgd wegens het besturen van een voertuig in staat van alcoholintoxicatie; - de appelrechters bij tussenvonnis van 16 september 2019 een deskundigenonderzoek hebben bevolen om de alcoholintoxicatie op het ogenblik van het ongeval na te gaan; - het bestreden vonnis de eiser vrijspreekt voor de telastlegging C.
- De veroordeling van de eiser tot de kosten van het deskundigenonderzoek, dat uitsluitend betrekking had op de telastlegging C, waarvoor de eiser wordt vrijgesproken, is niet naar recht verantwoord. Het middel is in zoverre gegrond. Omvang van de cassatie
- Het gebrek aan antwoord op het verweer betreffende de redelijke termijn leidt tot de vernietiging van de beslissing over de straffen voor de telastleggingen A en B. Die vernietiging tast de wettigheid aan van de beslissingen over die straffen en de daaruit voortvloeiende beslissingen over de bijdragen. Ze laat de beslissing over de schuldigverklaring onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiser tot straffen en tot de bijdragen veroordeelt en in zoverre het de eiser veroordeelt tot de kosten van het deskundigenonderzoek. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot twee derden van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 232,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 8 juni 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210608.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070509.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div